Vrijdag 30/10/2020

Het Parijs van Patrick Modiano

'Ik hoef maar met mijn hak op bepaalde gevoelige plekken van Parijs te trappen of de herinneringen branden los als een vonkenregen,' laat de Franse schrijver Patrick Modiano een van zijn personages zeggen. Dirk Leyman volgde zijn voetsporen in een stad met een bezwaard verleden.

Reportage van Dirk Leyman

Foto's Tim Dirven

Al schijnt Parijs in de regen op zijn mooist te zijn, veel meer winterdepressies dan vandaag kan de stad zichtbaar niet verdragen. Het kleurenpalet van de Seine varieert van modderbruin tot diepgrijs, op het wateroppervlak vormen de neertikkende druppels rijen in het gelid staande soldaatjes. De zeurende regenval legt een film van diepe treurnis over de straten. "Het is vroeg donker, en dat is maar goed ook, want dan vergeet je de grauwheid en de eentonigheid van deze natte dagen, waarop je je afvraagt of het wel echt dag is en niet eerder een soort overgangsfase, een naargeestige zonsverduistering die tot het eind van de middag voortduurt," schrijft Patrick Modiano in Dora Bruder. Dit weer lijkt wel de perfecte metgezel voor een tocht door het schaduw-Parijs van Modiano, waarin glimmend asfalt en een vleug mysterie de boventoon voeren. Onder mijn geteisterde paraplu vat ik moed en sla mijn literaire plattegrond open.

Dat ik hier in Parijs Modiano's autobiografie, zijn personages en vooral zijn boeken achterna wil wandelen, is te wijten aan de volgetaste schappen van een Gents antiquariaat. Eind jaren tachtig, begin negentig belandde daar, kort na verschijning, bijna elk in het Nederlands vertaald boek van de Franse schrijver. Soms nog voorzien van een al van kleur verschoten buikbandje, met daarop de vermelding van de bekroning met de Prix Goncourt van De straat van de donkere winkels. De foto achter op de omslag toonde een serieuze jongeman met een fascinerend zacht gezicht en een wat wonderlijke blik, gevat onder forse donkere wenkbrauwen. Bij elk bezoek aan de winkel las ik wat flarden van zinnen, die dagen nadien nog te pas en te onpas door mijn hoofd flitsten. Of ik hoorde mezelf de namen opsommen waarmee Modiano bijna litanieën componeerde: Stioppa de Diaghorew, René Kustiker, Guy Jaspaard de Jonghe, baron Deyckecaire, Dornaletche, Kovnovitzine... Boeken met Parijs in de onbetwiste hoofdrol, maar ook boeken over een bezwaard verleden, over verdwijningen, over personages met geheugenverlies, de bezettingsperiode of het uiteenvallen van een groepje vrienden. Vaak subtiel melancholisch maar nergens klef nostalgisch. De titels hechtten zich aan me vast: Verdaagd verdriet, Memory Lane, De straat van de donkere winkels, Verloren wijk, Villa Triste. Wat weerhield me nog om ze aan te schaffen? Daar lagen ze allemaal voor een grijpstuiver. Had Modiano in De ringboulevards het niet zelf voorspeld? "Mevrouw Petit-Miriroux had de hele literaire produktie van de laatste honderd jaar in voorraad. Hoeveel schrijvers, hoeveel boeken waren er niet ten onrechte vergeten... Wij stelden het bedroefd vast. Die mensen hadden zich voor niets ingespannen. Wij troostten ons, zij en ik, door elkaar te verzekeren dat er nog fanatieke bewonderaars van Pierre Hamp en Jean-José Frappa bestonden en dat eens, vroeg of laat, de gebroeders Fischer aan de vergetelheid zouden ontrukt worden." Na het lezen van die zinnen kocht ik de stapel Modiano's en werd zo'n 'bewonderaar'.

Voor Modiano dreigt de vergetelheid zo snel nog niet. De 'Vermeer van de Franse literatuur', zoals Le Monde hem ooit noemde, is sinds 1968 een van de boegbeelden van uitgeverij Gallimard/NRF en ontving voor zijn ruim dertig boeken haast alle literaire prijzen van naam. Zonder veel toegevingen aan de gebruiken van het mediacircus heeft hij een hondstrouw lezerspubliek.

Want de lichtschuwe Modiano heeft een broertje dood aan interviews. Memorabel waren zijn verschijningen in Apostrophes, ooit het literaire tv-cenakel van Bernard Pivot. De kijker werd er getrakteerd op haperende zinnen, minutenlange stiltes en aandoenlijke onbeholpenheid. Tot spreekstalmeester Pivot het welletjes vond, op een moment dat de toeschouwer allang met plaatsvervangende schaamte de blik had afgewend.

Droom- en spookstad

"Ik hoef maar met mijn hak op bepaalde gevoelige plekken van Parijs te trappen of de herinneringen branden los als een vonkenregen," laat Modiano zijn verteller in De ringboulevards zeggen.

Niemand heeft zo uitputtend de Parijse topografie in zijn schijnbaar achteloze plots geweven als Modiano. Schrijvers als Balzac, Zola, Nerval, Perec, Queneau, Aragon, Prévert en vele anderen gingen hem voor, ja zeker, maar geen van hen creëerde een zo met raadselachtigheid omgeven Parijs als de herinneringsverslaafde Modiano.

Als een pakhuis zitten zijn boeken vol met straatnamen, wijken, hotels, namen van cafés, pleinen, garages, winkels, opschriften op muren. Toch krijgt de lezer niet het gevoel dat hij een Guide Bleu of een Michelin-gids aan het doorbladeren is. Van Rive Droite tot Rive Gauche gaat het, van Passy tot Auteuil, van het Bois de Boulogne tot het Château de Vincennes, van de Porte de Clignancourt naar de Porte de Vanves. Modiano's manisch ronddwalende personages houden zich graag in de luwte van de buitenwijken op, maar als ze de bekende pleisterplekken aandoen, verzeilen ze ook daar in een Paris Perdu van gemutileerde straten en anonieme, vaak dreigende gevels. "Mijn enige oriëntatiepunt te midden van zoveel onzekerheid, het enige gebied dat niet onder mijn voeten week, dat waren de kruispunten en de trottoirs van deze stad, waar ik ongetwijfeld weer in alle eenzaamheid zou rondzwerven." (De ringboulevards)

"Behalve voor een paar bezienswaardigheden die iedereen kent, heeft hij een uitgesproken voorkeur voor saaie buurten of achterafstraatjes," zegt de Nederlandse dichter Paul Gellings, die het Parijs van Modiano van naald tot draad kent. Gellings heeft zich al jaren in Modiano's werk vastgebeten, wat resulteerde in een doctoraat aan de universiteit van Leiden en in een zopas verschenen overzichtsstudie. "Modiano kan zich die voorkeur voor het niet toeristische Parijs permitteren. Hij verstaat als geen ander de kunst van het poëtiseren van de Parijse topografie. Zijn Parijs is labyrintisch, maar ook zeer tastbaar, je kunt haast alles perfect nawandelen," aldus Gellings. "Parijs is tegelijk zijn droom- en spookstad."

Al spelen sommige gedeelten van Modiano's boeken zich af in Londen, Nice, Tanger of Annecy, Parijs is zijn onuitputtelijke reservoir, met talloze autobiografische aanknopingspunten.

Hier is zijn spoor te volgen, een beetje zoals de schrijver het zelf ooit voorschreef: "Ik maak lange zwerftochten met een opschrijfboekje in de hand, waarin ik als een soort maniak alles wat mij getroffen heeft noteer: geen nauwkeurige feiten - aan realisme doe ik niet - maar aanduidingen van een bepaalde sfeer. Soms gaat het om het oude adres van een of andere ster van de stomme film, dat ik bij het doorbladeren van een oud filmjaarboek heb ontdekt en dat ik ter plaatse ben gaan verifiëren. Of is het de ingang van een woning of een liftkoker, die mij getroffen heeft, door een bepaalde lichtval." (Interview in Le Monde, 1973)

Op La Place de L'Etoile, nu bekend als Place Charles de Gaulle, draaien de auto's rond als in een kermismolen, ze zwenken en zwieren als onvoorzichtig jong grut. Bliksemsnel vinden ze toch een opening in het kluwen, om de avenue van hun voorkeur in te draaien. Niet minder dan twaalf brede lanen vertrekken er, vormen een ster, leiden naar fragmenten Parijs.

In het midden van die L'Etoile, als kroon op het hoofd van de Champs Elysées, de vijftig meter hoge Arc de Triomphe, monstre sacré van de Franse oorlogsglorie.

Benedengronds zijn daar de namen van gesneuvelden te lezen: Zayonscheck, Partouneaux, Dombrowsky, Schawembourg, Chasseloup. Ze doen vaag denken aan die van figuren uit Modiano's boeken. Ik kijk naar een bos bloemen op het graf van de Onbekende Soldaat, bloemen die hun laatste greintje leven aan het verliezen zijn. De Flamme du Souvenir is ongedurig in de aantrekkende wind, de toeristen zijn het ook, want ze willen hun instantfoto. La Place de L'Etoile. Zo heette het boek waarmee de toen 23-jarige Patrick Modiano te midden de roerige dagen van mei 1968 onder een triomfboog de Franse literatuur binnenwandelde. Een onvervalst bezettingsverhaal, een vlijmend hard pamflettair boek, waarin de hoofdpersoon Raphael Schlemilovitch in de knoei zit met zijn jood-zijn. Hij spreekt met vele tongen, haalt de hele Franse geschiedenis door de mangel en richt zichzelf finaal ten gronde. Zo pikzwart en cynisch was het boek, dat Gallimard het in 1967 wegens zijn antizionistische strekking behoedde voor verschijning tijdens de Zesdaagse Oorlog en ruim een jaar in het vriesvak stopte. Een wrange anekdote aan het begin van het boek zette de toon: "Op een dag in juni 1942 stapt een Duitse officier op een jongeman af en vraagt hem: 'Pardon meneer, kunt u mij zeggen waar de Place de L'Etoile is?' De jongeman wijst links op zijn borst."

Modiano werd geboren in 1945 (vier boeken lang liet hij iedereen in de waan dat het 1947 was), maar in zijn eerste drie boeken reconstrueert hij de bezetting als een ooggetuige. Ook in het latere, veel subtielere werk blijft de oorlogsatmosfeer latent meespelen: "Mijn geheugen ging mijn geboorte vooraf. Ik was er bijna zeker van geleefd te hebben in het Parijs van de bezetting. (...) Want voor iedereen is de periode waarin men geboren wordt doorslaggevend. Ik ben het produkt van die niet-gestructureerde periode."

"Voor Modiano is de buurt rond de Champs Elysées voor altijd verbonden met dat duistere en verdichte tijdvak," zegt Paul Gellings. "In deze praalzieke omgeving werd tijdens de bezetting op een morbide manier het schrijnendste antisemitisme bedreven. De stervorm van het plein staat bij Modiano symbool voor jodenvervolging, deportaties en martelingen. De ratten waren uit de riolen gekomen en de stad was nu van hen. In de omliggende buurten van het achtste en het zestiende arrondissement bevonden zich broeinesten van zwarte handel en collaboratie, van seksfuiven en afrekeningen. Modiano ziet een Rive Droite die beladen is met schuld. De praktijken van de Gestapo, de rue Lauriston, het 'galgenaas', het vond allemaal zijn beslag rond de Place de L'Etoile. En zijn vader zat op een dubbelzinnige manier ingesponnen in dat web."

De obsessieve belangstelling van Modiano voor de bezetting is goeddeels terug te leiden tot Albert Modiano, zijn joods-Italiaanse vader, "een grote bruine man met de fysiek van een Argentijnse danser", die in die woelige jaren de jodenster weigert te dragen, voortdurend met valse papieren rondloopt én een paar keer als bij wonder aan een arrestatie ontsnapt. Hoe gevaarlijk ze op dat moment voor hem ook was, de omgeving rond de Champs Elysées bleef zijn favoriete biotoop, ook na de oorlog.

De Champs Elysées... Modiano ziet ze niet als een walhalla van dure winkelpuien, maar als "de vijver in het werk van een Engelse schrijfster, met op de bodem, laag voor laag, de echo's van de stemmen van alle wandelaars die aan haar boorden hebben staan dromen. Het spiegelende water bewaart die echo's voor altijd, en in stille nachten vermengen zij zich met elkaar" (Fleurs de ruine). Verrassend hoe onwezenlijk doods de omliggende straten op deze donkere dag zijn. Men fluistert dat de rijkelui van hier zichzelf graag barricaderen achter hun luiken óf elders ter wereld verblijven, in al even pompeuze appartementen. Spiedende camera's zijn alert aan elke deurpost.

Ik daal de licht hellende Rue Lord Byron af. "Hield hij een oog op de overkant van de avenue, waar enkele jaren geleden de dievenwagen hem had opgewacht om hem naar het Huis van Bewaring te voeren? Ik herinner me zijn kantoor in het okergele gebouw met de grote vensterramen aan nummer 1, rue Lord Byron. Als men de eindeloze gangen volgde kon men de uitgang nemen die uitkwam op de Champs Elysées. Ik denk dat hij dit kantoor heeft gekozen vanwege de dubbele uitgang," schrijft Modiano in Fleurs de ruine, samen met Trouwboekje zijn meest autobiografische boek.

Aan een wijde bocht staat dat pand. In het nu vuilgele maar nog steeds imposant ogende appartement bevond zich in de jaren vijftig het Agentschap van Modiano's vader. De Rue Lord Byron geeft aan de achterzijde inderdaad uit op het amusementspaleis aan de Champs Elysées. Boven een van de deurposten aan het appartement prijkt een bordje met daarop 'Entrée des artistes Lido'. Ik gluur in de luxueuze en streng beveiligde hal en zie naamplaatjes met daarop 'Pacifica' en 'Metropolitan Film Export'. Modiano's vader bestierde van hieruit exotische compagnieën - onder andere in de filmbranche. "Hij heeft de metro genomen en is naar zijn kantoor van 'Belge Cinéma' gegaan, gelegen aan nummer 1, rue Lord Byron, van waar hij is vertrokken rond zes uur. Hij is de Champs Elysées afgelopen en ter hoogte van de Arcaden van het Lido hebben mijn collega en ikzelf hem in de menigte uit het oog verloren," registreert een privé-detective in Paris tendresse. Vader Modiano lijkt niet meer opnieuw in het oog te krijgen. Het is hier vergeefs zoeken naar een link met zijn mistige activiteiten, zijn 'zakenreizen' naar Brazzaville en zijn Societé africaine d'entreprise.

"Albert Modiano staat model voor veel hoofdfiguren uit Modiano's boeken die verwikkeld raken in moeilijk traceerbare affaires," zegt Paul Gellings. "Het kantoor hier is een van de weinige concrete aanknopingspunten die hij van zijn vader heeft. Vanaf zijn zeventiende zijn haast alle banden verbroken."

"'Andrée ging met de bende van de Rue Lauriston om.' Die zin had me getroffen. (...) Ik ving die naam later nog een keer in hun gesprek op en ik raakte aan de klank ervan gewend. Een paar jaar later hoorde ik hem uit de mond van mijn vader, maar ik wist niet dat de 'bende van de rue Lauriston' nog zo lang door mijn hoofd zou blijven spoken." (Verdaagd verdriet)

Aan de overzijde van de Champs Elysées is het nog een flink eind stappen naar de Rue Lauriston, een smalle, kilometerslange straat, evenwijdig met de Avenue Wagram.

Weinig opvallende, grijzige immeubles, het toonbeeld van doorgangsstraten waarin tal van Parijse buurten grossieren. Maar banaliteit, zo weten we allang, maskeert wel vaker de grootste sinisterheden en dekt de diepste geheimen af. Neem nu nummer 93. Op een deur hangt een vergulde plaat: 'Chambre du Commerce Franco-Arabe. Service Visas. Légalisations Authentifications'. Hier bevond zich in de oorlogsjaren een hotel. "In de kelder martelde men, op de benedenverdieping fuifde men, op de derde verdieping ontkleedde men een paar van de mooiste vrouwen van Parijs," aldus historicus Jacques Delarue. In dit pand was tussen 1940 en 1944 het officieuze hoofdkwartier van de Franse Gestapo gevestigd. Franse collaborateurs, hooggeplaatste nazi's, prostituees, gangsters en corrupte politici frequenteerden het pand voor het bedrijven van vertier en gruwel. "Uit de ramen van 93 klinkt gelach en het refrein van een liedje: 'Moi, j'aime le music-hall. Ses jongleurs. Ses danseuses légères...' Hoor je dat?', vraagt Bloch met de ogen vol tranen. 'In Frankrijk, Schlemilovitch, eindigt alles met een liedje. Dus bewaar je goede humeur!" (De plaats van de ster)

Beklemming

"Bij het doorbladeren van een krant was mijn blik toevallig op de onroerend-goed-advertenties gevallen en ik las: 'Vrij. Flat quai Conti - Uitzicht op de Seine - Vierde etage. Zonder lift. Danton 55.61.' Toen ik opbelde werd mijn voorgevoel bevestigd. Ja, het was de flat waar ik mijn kinderjaren had doorgebracht." (Trouwboekje)

Ik wandel langs de kaaien aan de Rive Gauche van de Seine, de regen drenst neer met een volhardendheid een natuurelement eigen. Het is er desolaat. Zelfs op het hyperromantische pleisterplekje Point Vert Galant, een taartpuntje park in de Seine op het Ile de la Cité, bevindt zich geen mens. Eén bouquiniste aan de Quai de Conti heeft toch zijn kistje geopend. Bij hem tref ik een eerste druk van Modiano's tweede boek, Les boulevards de ceinture uit 1972. Wanneer ik hem vraag of hij weet dat Modiano hier recht tegenover gewoond heeft, luistert hij nauwelijks. Zijn drankkegel blaast een lichte hitte in mijn gezicht. Hij slaat vooral acht op de munten die ik neertel: 50 francs voor een eerste druk, dat valt mee.

De Quai de Conti bevindt zich tussen de zo uitputtend lyrisch bezongen Pont Neuf, de Pont des Arts en de drukke place Saint-Michel. Wat verderop ligt de Académie Française, vlak bij de Quai het Hôtel des Monnaies; de prestigieuze panden rijgen zich hier aaneen als een kralensnoer. Aan deze Quai bevond zich ook het commando van het Franse leger bij de bevrijding van Parijs in 1944.

Behoedzaam steek ik de straat over en nader het appartement op nummer 15 waar Patrick Modiano een groot deel van zijn kinderjaren doorbracht. "Heel weinig verkeer. Een paar late vissers op het puntje van het eiland onder het zwarte gebladerte van het parkje du Vert-Galant. Een boekverkoper wiens lange gestalte en pelerine ik herkende - hij stond er al in mijn kinderjaren - vouwde zijn draagbare klapstoeltje dicht en liep met langzame stappen naar de Pont des Arts," schrijft Modiano in Trouwboekje. Op het pleintje voor het appartement, een standbeeld van de wiskundige en filosoof Condorcet, naast het appartement een galerij met de naam Larock-Granoff. Quai de Conti 15 oogt onschuldig, zelfs lieflijk, in de hal beweegt een spelend kind met een bal.

Maar de Quai de Conti is, zoals vrijwel alle Parijse locaties in het werk van Modiano, een plaats met een dubbel gezicht. In eerste instantie is ze verbonden met zijn moeder, de uit Antwerpen afkomstige actrice Luisa Colpeyn, die in 1942 in Parijs belandde en daar Albert Modiano tegen het lijf liep. "Wanneer ze heimwee had naar Vlaanderen," vertelt Modiano in Paris tendresse, "zocht mijn moeder haar toevlucht in twee cafés, een op de Quai d'Austerlitz, een ander aan de Quai des Augustins, om er de matrozen Vlaams te horen praten."

Tot zijn vierde jaar krijgt Modiano vooral Vlaams, misschien wel Antwerps, te horen. Maar Luisa Colpeyns filmcarrière, voornamelijk bestaand uit tweederangsrolletjes, palmt haar al gauw volledig in. Met het Quartier Latin en Saint-Germain-des-Prés van de jaren vijftig om de hoek laat zij zich joyeus meeslepen in het cafévermaak. De jonge Patrick wordt aan zijn lot overgelaten, hij belandt in lycea in de buurt, wordt een schoolnomade en vooral ook een schim in het bestaan van zowel zijn vader als zijn moeder. Later zal hij op kostscholen in Annecy en Lausanne terechtkomen. Wanneer hij tien jaar is, sterft zijn broer Rudy aan leukemie.

"Voor Modiano is ook de Rive Gauche vol beklemming," stelt Paul Gellings vast. "Zo komt hij er later achter dat in het appartement aan de Quai de Conti de 'joodse collaborateur' Maurice Sachs heeft gewoond. Sachs, auteur van Heksensabbat en De klopjacht, is een merkwaardige figuur, die de Quai Conti beschreef als een "uitstekend neutraal terrein" van waaruit hij onder een valse identiteit zijn dubieuze handeltjes kon opzetten. Het doet een beetje denken aan Modiano's vader, die later op zijn deurbel de schuilnaam Henri Lagroua zal aanbrengen.

"Ik had liever gewild dat mijn leven in minder duistere omstandigheden was begonnen. Maar wat moet een jongeman in Parijs, die aan zichzelf is overgeleverd? Wat moet zo'n ongelukkige?" verzucht de verteller in De ringboulevards. Schrijven misschien.

Modiano geeft na zijn baccalaureaat de brui aan zijn studies. Hij klust bij als boekhandelaar om zich voltijds op het schrijven te storten. De in uitgeverskringen invloedrijke Raymond Queneau, auteur van Zazie dans le métro, loodst hem met zijn eerste manuscript binnen bij Gallimard. En dat lijkt zijn redding.

Intellectualisme en schrijfzweet

Wie in de omgeving van Saint-Germain-des-Prés opgroeit, maakt statistisch gezien een goede kans om zich tot de schrijverij te bekennen. Onder de toren van de oudste kerk van Parijs hangt allang het aroom van intellectualisme en schrijfzweet, vermengd met dat van de exquis dure koffie van café Flore, Les Deux Magots of Brasserie Lipp. Sinds de aanwezigheid van Albert Camus, Jean-Paul Sartre en Simone De Beauvoir in dit kwartier is het woord 'existentialisme' synoniem voor een train de vie met een hoog koffiehuisgehalte. De boekhandels verdringen hier elkaar, het percentage lezende mensen op straat is bijzonder hoog. De literaire wandelaar dreigt haast te hyperventileren door de overdaad aan sporen: Prévert, Saint-Exupéry, Racine, Balzac, Wilde, George Sand, Camus. "De straten zingen, de stenen spreken. De huizen zijn doordrenkt van geschiedenis, glorie en romantiek," schreef Henry Miller al dolenthousiast over deze buurt. Nog steeds wil het puikje van literair en mediageniek Parijs graag zijn dagen slijten rond de Boulevard Saint-Germain.

Voor Modiano is Saint-Germain-des-Prés bezwangerd met de herinneringen aan zijn moeder en het isolement van zijn jeugd. "Het is een wijk van scholen en kloosters, waarin hij zich zijn hele jonge leven opgesloten voelde," zegt Paul Gellings. "In deze buurt ook liet Modiano's vader zijn zoon twee keer oppakken, de eerste keer door hem bij de politie aan te geven, een tweede keer door hem zijn militaire papieren afhandig te maken, om hem zo in volle Algerije-crisis naar het leger te sturen. Iets wat op het nippertje mislukte." In Fleurs de ruine is Saint-Germain-des-Prés daarom een schuwe herinnering geworden: "Ik ben een kind van Saint-Germain-des-Prés. Ik heb de gemeentelijke school aan de rue Pont-Lodi bezocht en de catecheselessen van abt Pachaud aan de rue de l'Abbaye en de place Furstenberg. Maar sindsdien ben ik mijn oude kwartier dat ik niet meer herkende, gaan vermijden. Die avond leek het kruispunt van het Odéon me even triest als de port Breton van Montparnasse onder de motregen."

Toch is het in deze buurt, in de rue Bonaparte vlak bij de Jardin du Luxembourg, dat de schrijver nu is komen wonen. Hij leidt er een teruggetrokken bestaan met zijn vrouw van Tunesische afkomst en hun twee dochters. Misschien heeft Modiano de schimmen van zijn verleden bedwongen. Het kan ook dat de concentratie van boekhandels en tweedehandszaken de verwoede verzamelaar Modiano aantrok. Bladerend in oude telefoongidsen, mondaine journaals, vergeelde tijdschriften en politieregisters vindt Modiano er de aanknopingspunten en namen voor de Parijse dwaaltochten van zijn personages.

Terwijl ik in de Rue de L'Odéon rondsnuister in de beroemde librairie Rieffel, waar je prettig verdoofd wordt door de papiergeur, moet ik denken aan een van de eerste zinnen van De straat van de donkere winkels: "Over de helft van de wand achter Hutte waren donkerkleurige planken bevestigd: er stonden rijen van allerlei adresboeken en telefoongidsen van de laatste vijftig jaar op. Hutte had me vaak gezegd dat het onvervangbaar gereedschap was waar hij nooit afstand van zou doen. En dat die adresboeken en telefoongidsen de kostbaarste en aangrijpendste bibliotheek waren, die je maar kon hebben, want op die bladzijden waren heel wat verdwenen wezens, zaken en werelden geregistreerd waar zij als enige getuigenis van aflegden."

Ik wandel verder, een paar boeken rijker, tot aan de Jardin du Luxembourg. Het is wellicht de mooiste openluchttuin van Parijs. Maar door de schemering loop ik er zo goed als alleen, aan de ingang zitten alleen een paar eenzelvige schakers die elkaar winter en zomer onder de afdaken partij geven. Ik besluit mijn hotel op te zoeken, waar ook Modiano's personages zich tegen de avond in de anonimiteit verschansen: "Het was dat onbestemde uur van de dag, dat ik in Parijs zo goed kende: de duisternis daalt langzaam neer, maar de straatlantaarns branden nog niet en de massieve huizenblokken tekenen zich af tegen de hemel, zoals op die namiddag de gestalten van de door de hal lopende of roerloos in leren fauteuils zittende hotelgasten zich aftekenden... dat broze, smartelijke ogenblik waarop de dag ten einde loopt." (Verloren wijk)

De volgende dag poogt een aarzelende zon de Parijse periferie van haar grijzigheid te ontdoen. Mijn bestemming is de Boulevard Ornano. Ik doorkruis de levendige maar overvolle noordelijke wijken richting Porte Clignancourt en La Goutte-d'Or, waar hele stukken wereldbevolking zijn aangespoeld. Een mensenmassa kolkt in de richting van Tati, het low-budget warenhuis waar arme lieden hun gerief inslaan. Aan de uitgang van het metroviaduct Barbès-Rochecouart kun je voor weinig geld zelfs - op maat gesneden en in een plasticje geperst - een nieuwe identiteit kopen. Het aantal koffer- en reistassenzaken ligt hier hoog, want het is een va-et-vient van inwijkelingen, vluchtelingen en mensen op doorreis. Het is al heel lang zo: "Toen ik een jaar of twaalf was en met mijn moeder naar de vlooienmarkt in Clignancourt ging, verkocht een Poolse jood er koffers, rechts aan het begin van een van die paden met aan weerszijden stalletjes, marché Malik, marché Vernaison... Luxe koffers, van leer, van krokodillenleer, andere van lederbord, reistassen, hutkoffers met etiketten van transatlantische zeevaartmaatschappijen - alles in enorme bergen op elkaar gestapeld, onder de blote hemel, want een eigen stalletje had hij niet," herinnert Modiano zich in Dora Bruder.

Dora Bruder, Modiano's voorlaatste boek, heeft als decor deze nog steeds kosmopolitische buurten, evenals Voyage de noces, waarin een verwante geschiedenis wordt verhaald. Daarin woont Ingrid Teyrsen in hetzelfde hotel aan de Boulevard Ornano als later het joodse meisje Dora Bruder.

In 1988 leest Modiano in een oude Paris Soir van december 1941 volgend opsporingsbericht: "Parijs. Vermist: een vijftienjarig meisje, Dora Bruder, 1m55 ovaal gezicht, grijsbruine ogen, grijze sportjas, donkerrode trui, marineblauwe rok en hoed, kastanjebruine sportschoenen. Inlichtingen s.v.p. aan Mr. en Mw. Bruder, boulevard Ornano 41, Parijs". Modiano maakt vervolgens een kafkaiaanse tocht langs politie- en gemeentearchieven om er alle documenten over de verdwijning van Dora uit te vlooien. Hij doet er vier jaar over om haar geboortedatum te achterhalen. "Er gaat veel tijd voorbij voordat weer aan het licht komt wat is uitgewist. (...) Maar ik ben geduldig. Ik kan urenlang wachten in de regen."

Al is hun bestemming drastisch gewijzigd, alle panden waarover Modiano schrijft staan er nog. Op nummer 41 is evenwel niet het hotel meer te zien waar de familie Bruder woonde, maar is er een slagerij die scherpe pitageuren verspreidt; op nummer 43 is niet meer de bioscoop waar de jonge Dora zo vaak heen ging, maar heeft een voedselketen het gebouw ingenomen. Boven zijn nog wel de fraaie restanten van de cinema in pakketbootstijl te bewonderen.

Bij het dwalen door deze buurten begrijp je Modiano beter wanneer hij in Paris tendresse zegt dat "de oorlog de Parijse romance heeft vernietigd". Nadat hij Dora Bruder even heeft laten oplichten uit de geschiedenis, blijft de leegte: "Sindsdien is het Parijs waar ik haar sporen heb proberen terug te vinden, even uitgestorven en stil gebleven als op die dag. Ik loop door de lege straten. Voor mij blijven ze leeg, zelfs 's avonds, tijdens het spitsuur, als de mensen zich in drommen naar de ingangen van de metro haasten. Ik moet steeds weer aan haar denken, en in bepaalde wijken voel ik onwillekeurig een echo van haar aanwezigheid."

Subtiliteit

Ook de Porte de Vanves of de Porte de Versailles, aan de zuidkant van de stad, zijn wijken die zo'n echo kunnen verwekken. Dat merk je in Modiano's onlangs in het Nederlands verschenen novellebundel Onbekende vrouwen. Het zijn drie korte verhalen als vluchtige parfums met Parijs als ijkpunt of stad van belofte. Met onachterhaalbare subtiliteit schetst Modiano sleutelmomenten in het leven van uit balans geraakte meisjes. Ze zijn al vroeg door bruuske ontgoochelingen getekend en verlangen naar een nieuwe toekomst in Parijs.

"Sylvie vertelde me over haar toekomstplannen. Ze wilde niet in de streek blijven en ze dacht dat ze vast wel werk zou vinden in Parijs. Een neef van haar had er een café, in de wijk Vaugirard. Die naam sprak tot onze verbeelding: VAUGIRARD," zo mijmert de naamloze vertelster uit het tweede verhaal van Onbekende vrouwen.

De Rue Vaugirard is de langste straat van Parijs. Misschien omdat ze een echte dwarsdoorsnede van Parijs is, dat ze zo'n ijl verlangen kan oproepen. Ze begint aan de poorten van de Jardin du Luxembourg en mondt bijna vijf kilometer verder uit in de Porte de Versailles. Ze is van een wonderlijke opeenvolging van sferen, van geanimeerd, grootsteeds en speels tot onopvallend, discreet en onbehaaglijk. Aan het eind vind je klinieken voor zenuwzieke kinderen en obscure hotels waar je de huur per maand kunt betalen.

In het derde verhaal uit Onbekende vrouwen komt een andere vertelster effectief in deze Vaugirard-buurt terecht, nadat ze Londen ontvlucht is: "Het was in de Rue Chauvelot, vlakbij het metrostation Porte-de-Vanves. Het grote raam van zijn atelier keek uit op een kleine tuin en een huisje waar zo te zien niemand meer woonde. Toen ik eenmaal alleen in het atelier was, vroeg ik me of ik het er wel zou uithouden. (...) Hier, in die onbekende wijk van Parijs, was ik totaal van de wereld afgesneden." Het meisje voelt zich ingemetseld in dit kwartier, waar het geklepper van paarden die naar de Abattoirs Vaugirard worden gebracht, haar benauwt. Ze durft niet verder meer dan de place d'Alleray, waar ze in een café refuge zoekt en kennismaakt met Michel Kerourédan. Hij zal haar angsten weten te dempen en haar meeslepen in zijn bizarre sekte.

De Rue Chauvelot is een uitverkoren niemandsland dat Modiano zo graag poëtiseert. Het wegdek bestaat uit een lappendeken van asfaltlagen en keikopjes. De lage huizen zijn verwaarloosd en staan er onbeholpen bij. Sommige toegetakelde gebouwen fungeren als ateliers, als morsige kleine garages of als obscure bars, met namen als Musica Latina Social Club, Au Rendez-Vous des Amis en Aux trois Mulots.

"Ik bedacht dat het geen toeval kon zijn dat ik hier was terechtgekomen, alleen, bij de poorten van Parijs. Ik had een grens bereikt, ik was nog even in een overgangsgebied, maar binnenkort zou ik die grens oversteken en een nieuw leven beginnen." (Onbekende vrouwen)

Vanuit de Rue Chauvelot slenter ik naar de Rue Brancion. Her en der heeft er een kaalslag gewoed of wedijvert nieuwbouw met de leegte van achtergelaten cafés als Chez Walczak, waar de paardenslachters zich na gedane arbeid terugtrokken. De Abattoirs Vaugirard zijn omgebouwd tot de sociale woonkazernes van het Parc Brassens en waar vroeger de paarden werden binnengeleid, vindt nu in het weekend de grootste boekenmarkt van Parijs plaats.

Op de place d'Alleray stap ik Au Grand Cuirassier binnen. Het etablissement heeft alles wat een zinc moet hebben: een gedecideerde uitbaatster, een uitstekend zicht op het plein en bovenal sterke koffie. In dit café laat Modiano zijn vertelster kennismaken met Michel Kerourédan. Of was het in Au Grand Cadran d'Alleray aan de overkant? Het valt niet precies te achterhalen, ik hoef het niet te weten, maar wat klopt is dit: "Het geluid aan de flipperkast, de man in de doktersjas die precies om half drie het plein overstak naar de kliniek, de hond die op de stoep voor de ingang ging liggen, de bestelwagen, de twee mannen aan de tapkast en de glimlach van een van hen op het moment dat ze weer vertrokken. Dat alles bewees dat ik erbij hoorde, dat ook ik 's middags mijn vaste plaats had in het café."

Ik lijk op te lossen in het decor, vertrouwd en vreemd tegelijk, kijk de hele namiddag naar de geruststellende bedrijvigheid op het stervormige plein. Mijn kaart met de Parijse arrondissementen heb ik dichtgevouwen. Wie weet wilde ik het Parijs van Modiano vastleggen zoals de fotograaf Francis Jansen het in Hondelente voor ogen had: "Hij was op zoek naar verloren onschuld, naar plekken die voor geluk en zorgeloosheid geschapen waren, maar waar je van nu af aan niet meer gelukkig kon zijn."

Dirk Leyman

Patrick Modiano, Onbekende vrouwen, vertaald door Maarten Elzinga, uitgeverij Meulenhoff. Ook De plaats van de ster, Villa Triste, Uit verre vergetelheid, Aardige jongens en Dora Bruder zijn verkrijgbaar bij Meulenhoff.

Paul Gellings, Poésie et mythe dans l'oeuvre de Patrick Modiano. Le fardeau du monde, Lettres Modernes Minard, Paris-Caen, 900 frank.

Tot 9 februari loopt in het Maison Descartes, Vijzelgracht 2A, 1017 HR Amsterdam (00 31 20 531 95 00) de fototentoonstelling Le Paris de Patrick Modiano met foto's van Harry Pierik (maandag tot vrijdag, 10 tot 19 uur).

Zie ook: http://www.france3.fr/fr3/ecrivain/modiano.html

Niemand heeft zo uitputtend de Parijse topografie in zijn schijnbaar achteloze plots geweven als Modiano

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234