Maandag 25/10/2021

Het paradijs, allemaal goed en wel

Een week lang verbleef Christophe Vekeman in het gezelschap van onder meer Susan Smit en Saskia Noort, de twee blonde überbabes van de Nederlandse literatuur, op het eiland Curaçao. De drie traden er op via Nightwriters, een in Nederland befaamd agentschap dat zich tot doel stelt literaire voorstellingen naar een breed publiek te brengen en waartoe verder ook schrijvers als Kluun, Joost Zwagerman en Tommy Wieringa behoren. Voor De Morgen hield Vekeman een dagboek bij.

Christophe Vekeman tourde met Nightwriters door Curaçao en hield een dagboek bij

Woensdag

Nadat elke stortbui de voorbije weken mijn kouwe kleren niet heeft kunnen raken, en de nachtelijke, natte autorit van Gent naar Schiphol mijn gevoel van voorpret alleen maar versterkt heeft, laat God, die Grote Grappenmaker in den hoge, mij meteen na landing op Curaçao vaststellen dat het ook hier, jazeker, regent. Goed, natuurlijk is het altijd nog zo”n vijfendertig graden in de schaduw, en nee, noch de lokale bevolking, noch de reeds langer gearriveerde toeristen zien eruit alsof een en ander hun enorme wrevel of ongerustheid wekt, máár regenen doet het.

“Voorlopig in geen geval foto’s maken”, zeg ik tegen mijn vriendin. “Niemand hoeft dit te weten. Dit blijft tussen ons.”

Ook op mijn reisgenoten blijkt de neerslag niet zonder effect te zijn. Nog geen twee minuten in de Curaçaose buitenlucht en Saskia Noort geeft al spijtig te kennen dat ze haar zonnebril verloren heeft. En dan zijn er nóg mensen die durven te beweren dat Freud niet bestaat.

Donderdag

Een aantal feitelijkheden: Curaçao is het grootste van de zogeheten Benedenwindse Eilanden (60 kilometer lang, gemiddeld 7 kilometer breed), tevens het dichtstbevolkte (145.000 zielen), het ligt vlakbij Venezuela (70 kilometer) en het regent er nog steeds (zij het, gelukkig, niet hard en met ruime tussenpozen). Voorts is het er, in elk geval op Hemelvaartdag, vandaag dus, opmerkelijk stil en rustig, op het doodse af. De mensen zijn traag. De prijs van een gram cocaïne, nochtans, is zo’n vijftien keer lager dan in België.

Vrijdag

Regende het nog maar eens. En wat een drukte onder de zon in deze snoepkleurige straten: marktkramers, politieagenten, junkies, ouden van dagen en mooie meiden, priesters, hotdogverkopers, obers, scholieren, straatventers, inwijkelingen en - Nederlandse - toeristen. Laatstgenoemden houden niet op te vertellen dat wie ooit in Curaçao geweest is, gegarandeerd, maar dan ook gegarandéérd, zeker weten, zonder twijfel, weerkeert. Doorgaans valt hierbij het woord ‘microbe’. En zeven dagen is veuls te kort, jôh!

Kunst is voer voor ongelukkige mensen en speelt dus op dit paradijselijke eiland nauwelijks een rol. Muziek, bijvoorbeeld, dient niet om naar te luisteren maar om op te dansen; beeldende kunst heeft een louter esthetische functie. Het is een sfeertje dat ontluisterend besmettelijk is: onder deze palmbomen in de schetterende zon blijkt zelfs Madame Bovary te verbleken tot weinig meer dan een vermoeiend wicht dat het geduld van de lezer flink op de proef stelt. Het is dan ook weinig verwonderlijk dat de zogenaamde ‘literaire avond’ niet bepaald een welbekend begrip is in deze contreien, al gaat er duidelijk iets fascinerends van uit. Radiozender Paradise FM heeft het amper over iets anders: de Nightwriters komen naar Curaçao! Helemaal uit Nederland! Vijfendertig gulden slechts!

Deze namiddag zijn Saskia, Susan en ik live in de ether als gasten van presentator Pepijn, een iets te leuk uitziende gozer die iets te sterk doet denken aan Jean-Marie Pfaff en komisch genoeg ongeveer evenveel gevoel voor humor blijkt te bezitten als een baksteen met een bril op. Snapt hij dan toch al eens een grapje, dan kent zijn blijdschap geen grenzen en begint hij bijgevolg een en ander uit te leggen ten behoeve van de toehoorders thuis.

“Wat ga je nu nog doen vanmiddag, Christophe?”

“Wel, wat ik altijd doe voor een optreden, Pepijn: op het strand liggen met een cocktail en op gezette tijden een duik in de zee nemen, uiteraard.”

“Oké, goed zo! Dat is... Maar dan... (Enkele seconden stilte) Hahaha! Hahaha! In België is het natuurlijk dikwijls min tien! Dan kan je helemaal niet op het strand... Hahaha!”

Nee, als het publiek vanavond uit hetzelfde hout gesneden, is, dan zitten we gebeiteld.

Susan Smit neemt de presentatie op zich. Als Saskia wordt aangekondigd (Saskia Noort: een van die zeldzame schrijvers die ook búíten Nederland wereldberoemd zijn), gaat de tot de nok toe gevulde zaal van Teatro Luna Blou al meteen uit haar dak. De avond loopt op wieltjes. Geen twee lippen blijven op elkaar: het publiek, goeddeels maar zeker niet uitsluitend uit blanke twintigers tot veertigers bestaand, is duidelijk niet te beroerd om hardop te lachen.

Na de show gaat de pret gewoon verder: mensen willen mee op de foto, kopen gretig boeken, dragen drankjes aan, vragen of ik een vriendin heb.

“Ja.”

“En is zij ook hier?”

“Jazeker.”

“O. Jammer.”

Terug in het Avila Beach Hotel, waar ook de Nederlandse koninklijke familie pleegt te logeren, blijkt de strandbar aan haar laatste rondje toe.

“Geef dan maar zes gin-tonics”, bestelt Miranda, wereldwijze, fabuleuze vorstin van het Nightwritersagentschap. “En doe de rest ook iets van mij.”

Helaas, gin-tonic is geen optie meer, er wordt alleen nog bier en wijn geschonken. Miranda laat haar blik over de Caraïbische branding dwalen en daarna over het zwembad; haar lange haren golven rustig in de warme, geruisloze wind. “Dit hotel”, mompelt ze voor zich uit, “is een echte marteling.”

Ik neem mijn sigaar uit mijn mond. “De hel op aard”, knik ik.

Zaterdag

“Het paradijs, allemaal goed en wel, ik hoor het je graag zeggen, maar wat houdt dat nu juist in? Lekker eten en drinken? Zonneschijn à volonté? Zeewater, vele malen helderder en blauwer dan Spa Reine?”

Nee, of althans niet in de eerste plaats. Het paradijs is die naam waardig uit hoofde van het gedrag van de dieren. Het lam slaapt naast de leeuw, zeg maar: leguanen liggen loom te soezen op een tak boven je hoofd, de bontste vogeldiertjes landen ei zo na op je knie terwijl berggeitjes en -bokken je liederlijk mekkerend dichterbij trachten te lokken, maar let u toch allereerst op de vissen (waarvan er geen twee tot dezelfde soort lijken te behoren, tenzij de hele kleintjes, die zich dan ook meteen in wolkenslierten van vele honderden verplaatsen). Van een zich onder water begevende mens blijkt voor de vissen niet de minste dreiging uit te gaan, als weten ze drommels goed dat ze letterlijk ongrijpbaar zijn. Geen dier zo hoffelijk, flegmatiek en van kalme trots vervuld als de vis, valt mij op. Net niet hautain is hij. Nét niet.

Snorkel en duikbril, overigens, staan mij onverwacht voortreffelijk.

Wie in een eeuwig zonnig land origineel wenst te zijn, verwijst in de naam van zijn zaak naar de maan: na het Teatro Luna Blou is het vandaag de beurt aan openluchtclub Moon. Mede dankzij mondelinge reclame en een uitstekende recensie in het Antilliaans Dagblad, volgens dewelke vooral een zekere Vlaamse auteur “indruk maakte met zijn eigenzinnige optreden en teksten”, komen er ruim driehonderd mensen opdagen - meer volk dan de club ooit heeft ontvangen - én zijn de verwachtingen hooggespannen. Dat ze niettemin ingelost worden, laat zich afleiden uit de boekverkoop achteraf: de show heeft, pauze inbegrepen, ongeveer twee uur geduurd, het signeren neemt vervolgens bijna evenveel tijd in beslag. Veelgehoorde opmerking: “Ik heb in geen jaren nog een boek gelezen, maar nú wil ik er een kopen.”

Miranda drinkt zes gin-tonics en schakelt vervolgens, denkt ze, toch maar over op champagne, vaste Nightwriters-dj Bart Thimbles draait tegen de sterren op en er worden vrolijk plannen gemaakt voor een meer uitgebreide tour (“Misschien ook Aruba?”) volgend jaar. De ‘literaire avond’ blijkt zich als een gesmaakt fenomeen te hebben ontpopt.

Drie uur in de nacht, en onder geen beding mogen wij de pakweg anderhalve kilometer die de club van het hotel scheidt te voet afleggen zonder escorte. Dus wordt Winston opgetrommeld, een héle zwarte, héle zware securitykerel die, ongetwijfeld uit angst voor gezichtsverlies, mijn voorstel onderweg om in een bushokje een potje te armworstelen weigert zelfs maar in overweging te nemen. De vraag of het inderdaad waar is dat er in deze buurt ’s nachts dikwijls mensen worden vermoord, beantwoordt hij met een kort schouderophalen en de woorden: “Gewoon. Af en toe.” Zo gaat dat in het paradijs.

Zondag

Susan en haar vriend Peter zijn met de dolfijnen gaan zwemmen, “een heel aparte ervaring”. Morgen dan weer plannen ze naar het slavernijmuseum te gaan, wat natuurlijk wel een heel ander paar mouwen zal zijn. Ik ga niet mee, want ik ben lui, leeg, vadsig en van elke interesse verstoken. Het enige wat ik mis uit België is mijn ukelele; vrienden herinner ik me niet; heb ik ooit familie gehad?

De traagheid van de Antillianen, echter, lijkt tragisch genoeg minder met onverschilligheid te maken te hebben dan met een gebrek aan efficiëntie dat ook henzelf vaak wanhopig stemt. Het in een bar bestellen van en vervolgens wachten op een hoogst eenvoudig broodje kaas met mayonaise en groenten kost je algauw een half uur, waarna je blij en opgelucht mag zijn wanneer je ten slotte een rijkelijk met ketchup bespoten sandwich met ham krijgt voorgeschoteld, en niet een kom cactussoep met stukjes varkensstaart. Maar het ergste is dus dat dit soort vergissingen, ook al vertrek je zelf geen spier, steevast op de valreep ingezien worden, zodat je langverbeide eten alsnog schielijk voor je neus weggegrist en ter correctie naar de keuken teruggestuurd wordt, want aan goede bedoelingen ontbreekt het de mensen hier niet. Betalen duurt een halve eeuwigheid, waarna de rekening natuurlijk van geen kanten blijkt te kloppen. Later, ten langen leste terug op straat, komt de barman je achterna gehold met op zijn gezicht een stralende glimlach en in zijn omhooggestoken hand een zonnebril die je naar zijn heilige overtuiging zonet per ongeluk hebt laten liggen, maar die je in werkelijkheid nooit eerder gezien hebt.

Maandag

In het slavernijmuseum, Kula Hulanda genaamd, waar ik dan toch ook maar heen ben gegaan, hangt een vreemde sfeer, die ik mij aanvankelijk meen te verbeelden, maar die vervolgens wel degelijk concrete vorm aanneemt. In een van de zaaltjes vol hand- en voetboeien verheft plots de geweldig dikke suppoost zijn ook al bepaald niet schriele stem. Behalve hij en ik bevindt er zich niemand in het vertrek, zodat ik zijn enige publiek vorm.

“It happened here!”, dondert hij op predikantentoon, en hij wijst van op zijn stoel met zijn wijsvinger tussen zijn bovenbenen naar de vloer. “This is not just a museum! This is real! It happened here!”

Ik knik begripvol en trek een spijtig gezicht, dat bovenal - in naam van het verdorven ras waartoe ik nu eenmaal behoor - de neiging mij te excuseren uitbeelden moet, maar dat blijkbaar zijn doel voorbijschiet, want de kolos windt zich nu nog meer op.

“It happenend here!”, houdt hij met een stem vol dreunende emotie vol, welke emotie niet geheel en al van agressie gespeend lijkt te zijn. Zijn blik priemt in mijn ogen.

“Yes, I know”, breng ik schaapachtig uit. “It”s a terrible shame.” Maar ik kan, terwijl ik koers zet naar een volgend zaaltje, de gedachte niet onderdrukken dat ik echt waar niets verkeerd heb gedaan.

Hoewel alle Antillianen die ik spreek, op hun beurt gewag maken van Curaçao als de mooiste, beste plaats ter wereld, de hemel op aard, vertelt de Nederlandse Marjolijn, die hier nu anderhalf jaar woont en werkt, een enigszins genuanceerder verhaal. De tragiek van Curaçao is dat het op een haar na niet in aanmerking komt voor het officiële predicaat “ontwikkelingsland”, met tot gevolg dat financiële steun van buitenaf, die het eiland nochtans goed zou kunnen gebruiken, er rakelings aan voorbij schiet. Toch, zo trots zijn de Curaçaoënaars, dat met armoede allesbehalve te koop wordt gelopen. Soms wordt de schijn op een wel heel onbeholpen wijze hooggehouden: daarnet zag ik een jongeman die een zelfgemaakt juweel van drie in elkaar gevlochten honderdguldenbriefjes aan een zilveren kettinkje om zijn hals droeg.

dinsdag

We zijn te gast bij Rob en Brigitte, die een afgelegen, door aloë veraplantages, cactussen en verder niets dan horizon omringde bed & breakfast uitbaten. We eten zeewolf, spinaziequiche en ga zo maar door. We staren in het kampvuur. Rob komt naast me zitten. Zijn vrouw en hij zijn zaterdag naar de show komen kijken. Daarom hoeven we voor geen van de vijf gangen en de geschonken heerlijkheden te betalen, - het nut van kunst.

Hij stelt mij de domste vraag die ik in lange tijd gehoord heb: “En? Blij dat je morgen weer naar huis gaat?”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234