Woensdag 19/01/2022

Het pact met de duivel

love me tender (4)

colonel tom parker: de hebzuchtige manager van elvis presley

The Beatles werden opgelicht door Brian Epstein, de Rolling Stones verloren hun geld aan Andrew Loog Oldham en Bruce Springsteen zat drie jaar in de rechtszaal om van Mike Appel af te raken, maar toen de jonge Elvis Presley een contract tekende met manager Colonel Tom Parker, sloot hij een pact met de duivel. 'Het is niet zo dat ik de helft opstrijk van alles wat Elvis verdient', zei Parker ooit. 'Hij gaat gewoon lopen met 50 procent van mijn geld.'

Brussel

Eigen berichtgeving

Bart Steenhaut

Geen enkele manager in de geschiedenis roept bij rockfans zoveel walging op als Colonel Parker. De dikke man met zijn eeuwige sigaar hield de carrière van Elvis Presley 27 jaar lang in een wurggreep, maar greep niet in toen de zanger, verdoofd door drugs en medicamenten, uiteindelijk een schaduw werd van zichzelf. Erger nog: Parker besefte als geen ander dat een dode Presley op commercieel vlak zo mogelijk nog interessanter zou zijn dan een levende. Want op dat moment zou het grote geld pas echt binnenstromen en kon hij de naam van zijn protégé naar hartelust exploiteren.

Colonel Parker had altijd al weinig last gehad van scrupules. Hij verloor soms honderdduizenden dollars per dag aan de goktafel, lichtte zijn beste vrienden op, en leefde een leven waarbij de ene leugen naadloos overging in de andere. Om te beginnen heette hij helemaal niet Tom Parker, maar werd hij op 26 juni 1909 in Breda geboren als Andreas Cornelis Van Kuyk. Daar krijgt Dries, zoals iedereen hem noemt, zelfs als kleine jongen al een kick van geld verdienen. Hij leert zijn geitje trappen lopen en begint daarmee prompt een eigen voorstelling die de kinderen uit de buurt - tegen betaling, uiteraard - kunnen bijwonen. De relatie met zijn ouders is niet optimaal, en rond zijn zeventiende loopt Van Kuyk weg van huis.

Drie jaar later neemt hij de boot naar de Verenigde Staten, waar hij zonder papieren aankomt. Bijgevolg zit er weinig anders voor hem op dan zijn toevlucht te zoeken bij het leger, waar men het in die tijd nog niet zo nauw nam met het paperassen. Een militaire graad haalt hij er evenwel niet. Zijn kolonelstitel was bijgevolg een eigen verzinsel, al zou hij zich later wel tot een volbloed drilsergeant ontpoppen. Wel ontmoet Van Kuyk in die tijd een kapitein die Tom Parker heet, een naam die, zodra hij de kazernepoorten achter zich dicht hoort vallen, de zijne wordt.

Het zou nog een hele poos duren voor het pad van Parker dat van Presley kruist, en intussen scherpt hij zijn zakeninstinct verder aan. De voormalige Nederlander sluit zich aan bij een reizend circus en het duurt niet lang of hij heeft er een eigen show. Een van zijn succesvolste attracties heet Colonel Parker And His Dancing Chickens. Niet dat de kippen echt een choreografie hebben ingestudeerd: hij laat ze gewoon over en weer lopen op een gloeiend hete bakplaat, waarover wat zaagsel wordt uitgestrooid. Op die manier lijkt het of de beesten, schijnbaar als vanzelf, beginnen te 'dansen'. De rest van de dag verft Parker spreeuwen geel en verkoopt die als kanaries.

Ook nadien blijft hij met dieren in de weer, al maken ze steeds minder lawaai. De volgende stap wordt immers een dierenkerkhof. Parker gooit het op een akkoordje met een steenhouwer in de buurt en smeert de rouwende baasjes veel te dure grafstenen aan. In een moeite door laat de meestersjoemelaar hen een prijzig contract afsluiten waarbij de gedenksteen van de overleden viervoeters een leven lang met verse bloemen werd opgesmukt. Achteraf blijkt evenwel dat vers een rekbaar begrip is: Parker plukt de bloemen uit de vuilnisbakken van de bloemenzaken in de buurt en steekt zo 100 procent van het geld zelf op zak.

Zodra het kerkhof volzet is, bezint de duistere businessman zich over zijn volgende zet. In Tamplona begint hij wat concerten te organiseren, maar algauw heeft hij in de gaten dat er met het managen van artiesten meer poen te rapen valt. Eerst loodst Parker de jonge crooner Eddy Arnold naar de top, maar als hij in 1955 de dan nog volstrekt onbekende Elvis Presley ontmoet, duurt het niet lang voor er dollartekens in zijn ogen aan het fonkelen slaan.

de man van 50 procent

Parker heeft meteen in de gaten dat die jongeman geen alledaags talent is. Hij kan zingen, acteren, en staat op het podium zoals niemand anders hem dat ooit had voorgedaan. De Colonel heeft dankzij zijn werk met Arnold contacten tot op de hoogste echelons van de muziekindustrie, en trekt Elvis over de streep met de belofte een ster van hem te maken tot ver buiten Memphis. Dat de jonge rocker bovendien ontzettend beleefd is en braafjes doet wat hem wordt opgedragen, is voor Parker vanzelfsprekend een extra pluspunt. Die buit is perfect te manipuleren, en gaat veel, zeer veel geld opbrengen.

Maar het moet worden gezegd: als manager weet Parker van aanpakken. Eerst onderhandelt hij een contract met RCA, op dat moment de grootste en machtigste platenfirma ter wereld. In november 1955 koopt RCA Elvis Presley af van Sun Records voor 35.000 dollar. Een peulschil in vergelijking met de miljarden die de artiest later zal opbrengen, maar toen wel een absoluut recordbedrag. Parker krijgt Presley op de nationale televisiezender CBS, en haast van de ene dag op de andere wordt zijn protégé de populairste zanger in de hele Verenigde Staten. De rest van de wereld volgt een paar maanden later.

Het geld stroomt binnen en Parker kan zijn lol niet op. Zijn overeenkomst met Presley stipuleert immers dat hij de eerste tien jaar een kwart van alle inkomsten ontvangt. Daarna wordt dat bedrag opgetrokken tot de helft. De manager vindt dat - hoe kan het ook anders - een normale zaak. "Het is niet zo dat ik de helft van zijn gage opstrijk", stelt hij onomwonden. "Het is Elvis die 50 procent van mijn winst op zak steekt." Er zijn trouwens weinig aanwijzingen dat Parker zijn artiest als meer beschouwde dan een kip met gouden eieren. Op het toppunt van de Elvis-mania laat hij niet alleen 'I Love Elvis'-badges maken, maar ook buttons waarop 'I Hate Elvis' staat gedrukt. Voor hem verschilt Presley al bij al niet zoveel van het trappen lopende geitje thuis of de dansende kippen in het circus.

Van rock-'n-roll moet Parker trouwens sowieso niets hebben. In die zin komt het hem goed uit wanneer Elvis in 1958 naar het leger moet. Hij ziet het als de geknipte manier om de zanger wat discipline bij te brengen en de rebelse rocker voorgoed naar het rijk der verbeelding te bannen. Eenmaal terug uit Duitsland, wordt de zanger gladder, gestroomlijnder, zodat niets de aanvaarding door het establishment nog in de weg stond.

Parker is er door Elvis-fans vaak van beschuldigd dat hij de carrière van hun idool in die periode bewust de dieperik in heeft geholpen. Door hem in een moordend tempo steeds onbenulliger wordende films te laten opnemen, krijgt Presley alleszins nauwelijks de kans om zijn talent te benutten. Nochtans was in Elvis zijn eerste films (King Creole en Jailhouse Rock) gebleken dat hij wel degelijk kon acteren. Maar dat speelt voor Parker geen rol. De films floppen weliswaar aan de kassa, maar brengen hem wel veel geld op. Al kun je natuurlijk nooit genoeg cash hebben. In 1961 laat hij de opnamen van de Blue Hawai stilleggen omdat in sommige shots het uurwerk van Elvis in beeld komt. Nochtans staat in het contract heel expliciet dat de zanger geen eigen kleren hoeft mee te brengen naar de set. En dus ook geen eigen horloge. Maar Parker toont zich een redelijk man. Mits hem 25.000 dollar wordt toegeschoven, wil hij best wel toelating geven om de opnamen toch te gebruiken.

Om zijn winstmarges nog te vergroten, richt de gewiekste zakenman in de vroege jaren zestig twee muziekuitgeverijen op. Iedere songschrijver droomt ervan dat Presley zijn nummers op zou nemen, maar er schuilt wel een addertje onder het gras. Parker laat namelijk een clausule in het contract opnemen waarin staat dat iedere songschrijver de helft van zijn royalty's afstaat aan Presley, ook al heeft die nooit een noot muziek gecomponeerd of een tekst geschreven. De gevolgen laten zich raden: de zanger krijgt enkel nog minderwaardig middle of the road-materiaal ter beschikking en levert een reeks platen af die zowel zijn status als zijn talent weinig eer aandoen. Tegen het eind van de jaren zestig blijkt de toverformule uitgewerkt, en is er de intussen legendarische NBC Comeback Special nodig om de slabakkende carrière van Elvis weer op de rails te krijgen.

onkostennota van 5 miljoen dollar

Elvis Presley droomt er intussen van om ook in Europa op te treden. Maar daar moet Parker al helemaal niet van weten. Zodra hij de Verenigde Staten verlaat, bestaat de kans immers dat zijn ware identiteit naar boven komt en hij als illegaal het land wordt uitgezet. Dat risico wil Parker niet lopen en dus zet hij een Amerikaanse concertreeks op touw in Las Vegas. Het geld stroomt binnen, maar raakt ook net zo vlug weer op. Elvis koopt dure cadeaus voor zijn entourage en de Colonel heeft een gigantische gokverslaving te onderhouden die fortuinen kost. Op het einde van zijn leven komt het zover dat hij van de casino-uitbaters enkel nog op de gokautomaten mag spelen. En zelfs dat doet Parker nog op drie machines tegelijk, die exclusief voor hem gereserveerd zijn.

In de vroege jaren zeventig bereikt de relatie tussen Parker en Presley een dieptepunt. De zanger, op dat moment zelf ook verslaafd aan pillen en pijnstillers, moet zelfs ziek het podium op en krimpt in elkaar als een te warm gewassen T-shirt telkens als hij door zijn manager de huid vol wordt gescholden. Eén keer onderneemt Elvis een halfhartige poging om onder het juk van Parker uit te raken, maar die toont zich niet onder de indruk. De dag nadien levert hij een onkostennota in van vijf miljoen dollar en het onderwerp komt nooit meer ter sprake.

Parker merkt dat Elvis intussen een junkie is geworden, maar doet geen enkele moeite om Presley er weer bovenop te helpen. Hij geniet van zijn macht over de grootste rockster uit de geschiedenis en koopt zelfs mensen om uit de Elvis-entourage om verslag uit te brengen over het doen en laten van zijn levende investering. Al wordt levend stilaan een overtrokken begrip. Elvis is intussen opgezwollen, stuikt tijdens optredens regelmatig in elkaar, en moet op zijn veertigste nog steeds als een klein kind worden ondergestopt bij het slapengaan. De Amerikaanse droom van Elvis Presley is in een nachtmerrie ontaard en hij verliest de wil om eruit te ontwaken.

Op de nacht van 16 augustus slaapt The Burger King definitief in. Parker woont de begrafenis bij in T-shirt en baseballpet, en polst nog diezelfde dag bij Vernon Presley hoe het nu verder moest met het fortuin van zijn beroemde zoon. Uiteindelijk wordt het contract tussen Parker en de erven Presley voor de rechtbank ontbonden en komen alle opbrengsten van het Elvis-imperium voortaan op de bankrekening van Lisa Marie Presley terecht, die over het geld mag beschikken zodra ze 25 is.

Nadien trekt Parker zich terug op de berg miljoenen die hij aan zijn poulain heeft overgehouden. Maar dan nog blijft hij een cynische zakenman, die zelfs geld slaat uit zijn eigen dood. Vijf jaar voor zijn overlijden sluit hij een deal af om voor twee miljoen dollar mee te werken aan zijn biografie. Op de koop toe ontvangt Parker nog eens vier dollar voor ieder verkocht exemplaar. En ook daar heeft hij aan alles gedacht. "Mocht mij iets overkomen, dan beschikt mijn vrouw over alle informatie om het boek te voltooien." Hij sterft uiteindelijk op zijn 87ste.

incontinent aapje

Elvis Presley is nooit een gevat man geweest. In tegenstelling tot David Bowie, John Lennon of Elton John had hij naast het podium zelden of nooit iets significants te melden. Elvis wordt door mensen die met hem gewerkt hebben een groot talent genoemd, die evenwel niet alleen enorm onzeker was over zichzelf maar ook zijn kinderlijke naïviteit nooit echt verloor. Hij was een trage denker, die weliswaar veel las en erg leergierig was, maar tegelijk een heel arsenaal wapens in zijn kleedkamer liet rondslingeren. Zelfs in zijn meest dynamische periode bleef hij naast het podium een passief, dociel man die, op die ene keer na, nooit echt moeite had gedaan om zich te bevrijden van de man die altijd het prototype van de inhalige manager zal blijven.

Colonel Parker bouwde zijn ontdekking om tot een winstgevende attractie en bleef Elvis ook in de laatste fase van zijn leven exploiteren als een incontinent aapje dat nog altijd in staat was om een paar kunstjes op te voeren. Je hoeft kortom geen fan te zijn om medelijden te voelen met de willoze figuur die Elvis eigenlijk altijd geweest is. Colonel Tom Parker komt zeker de verdienste toe dat Elvis de ster is kunnen worden die vandaag nog steeds in het collectieve geheugen staat gegrift. Maar hij heeft net zo goed de dood van de grootste rocker aller tijden op zijn geweten.

Op het toppunt van de Elvis-mania laat Parker niet alleen 'I Love Elvis'-badges maar ook buttons met 'I Hate Elvis' maken

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234