Dinsdag 18/02/2020

Het paard van Troje

Brugge krijgt veel meer dan een concertzaal. Straks vleit zich op het Zand een reusachtig lichaam neer, een lichaam dat niet helemaal zeker weet of het wel tot de stad behoort. Het schuwt spektakel, maar is verre van braaf, waarschuwt architect Paul Robbrecht. 'Het gebouw zal zeer aanwezig zijn.'

Paul Robbrecht en Hilde Daem (beiden °1950) mogen niet klagen. Sinds het Gentse architectenechtpaar zeven jaar geleden de Aue-paviljoenen mochten ontwerpen op Documenta IX ("Jan Hoet heeft ons daar een levenskans gegeven"), stapelen de mooie projecten zich op. In Antwerpen verbouwen ze de Katoennatie en het Sint-Felixpakhuis en geven ze het plein voor het Museum voor Schone Kunsten een gezicht. In Rotterdam nemen ze de zware aanpassing van het prestigieuze museum Boijmans-van Beuningen voor hun rekening. Zelfs bij de Engelse hoge adel liggen ze goed in de markt. Samen met de wereldbekende tuinarchitecten Jacques en Peter Wirtz mag Robbrecht aan de slag in het uitgestrekte landschap rond het elfde-eeuwse kasteel van Alnwick (Northumberland), ook wel 'het Windsor van het noorden' genoemd. Het kasteel herbergt de mooiste private kunstcollectie van Engeland, met onder meer schilderijen van Titiaan, Van Dyck en Turner. Het landschap moet niet onderdoen: twee eeuwen geleden kreeg het een facelift van de vermaarde Capability Brown, de uitvinder van het Engelse landschap. De jonge, dynamische Duchess of Northumberland, een telg uit de familie die het domein al bijna 700 jaar bezit, vroeg de Belgen het ontwerp te maken voor een eenentwintigste-eeuwse tuin met daarin een paviljoen als bezoekerscentrum. Niet zomaar een project, want boven op de goedkeuring van de anders zo conservatieve Londense monumentenzorgers kreeg het de steun van prins Charles. "Telkens wanneer ik ernaartoe ga, zeg ik: ik vlieg naar de middeleeuwen," lacht Robbrecht.

Straks ontwaakt Brugge uit zijn middeleeuwse slaap. Als laureaten van de internationale architectuurwedstrijd mogen Robbrecht en Daem (samen met de plaatselijke architecten Eugène Vanassche en Michel Van Langenhoven) op het Zand een indrukwekkend concertgebouw realiseren, juist naast de inrit van de ondergrondse parkeergarage. Eind 2001 zal er een reusachtig lichaam liggen, een subtiele compositie van grote volumes, bedekt met een rode huid van duizenden terracotta-plaatjes. Twee torens domineren het silhouet. De hoogste, de 35 meter hoge toneeltoren, is nodig omdat de zaal met 1.200 plaatsen ook operavoorstellingen moet kunnen ontvangen. De tweede toren, 28 meter hoog, bevat een 12 meter hoge kamermuziekzaal voor 250 mensen, een element dat Robbrecht en Daem zo belangrijk vonden dat ze het uit het gebouw naar voren lieten springen en als een schaakstuk in de richting van het plein schoven.

Robbrecht: "Bij de wedstrijd was er een heel boeiende bijkomende vraag om een kleine ruimte van de foyer af te sluiten als kamermuziekzaal. Voor ons was dat doorslaggevend, daar hebben we ons idee aan opgehangen. De meeste projecten scheiden een deel van die foyer af met wanden of zoiets. Wij hebben een soort tegenwereld willen scheppen ten aanzien van de eigenlijke zaal. Dat was absoluut niet zo gevraagd. Maar omdat Brugge een muziektraditie heeft die in de kleinere ensembles ligt, hebben wij dat zeer zwaar naar voren geschoven in ons project.

"We hebben er een torenachtig blok van gemaakt met een vooruitgeschoven positie. Dat is een zeer aanwezig element op het plein, bijna dertig meter hoog. We noemen dat de Lantarentoren. Je krijgt daar een ander type ruimte. De grote zaal met balkons is lineair gericht op wat er vooraan gebeurt. In de kamermuziekzaal bevindt het ensemble zich daarentegen in het midden, het publiek zit eromheen. Alles is natuurlijk al eens gedefinieerd in lang vervlogen tijden, maar je zou het kunnen vergelijken met de relatie tussen publiek en uitvoerders in het Elizabethaans theater, het Shakespeare-theater, waar de voorstelling op een soort binnenplaats werd gespeeld."

Robbrecht toont me een simulatie van de skyline waarmee Brugge aan het nieuwe millennium begint. Op de achtergrond eist het rode concertgebouw een even nadrukkelijke plaats op als de historische torens op de voorgrond. Robbrecht: "We zien dat concertgebouw als een belangrijke component in de stad, we steken dat niet onder stoelen of banken. Het zal zijn plaats opeisen in de rij van grote componenten die van de stad een stad maken: de Halletoren, de kerken, het provinciehuis en dergelijke. Het heeft een soort monolithisch karakter, ondanks de zeer wisselende volumewerking. We wilden een homogene massa, een soort architectonisch lichaam ten aanzien van de stad. Dat is een duidelijke keuze geweest omdat het gebouw een bijzondere positie heeft. Het is op de grens van de binnenstad gelegen, maar eigenlijk bevindt het zich ook in een landschappelijke situatie, die zich meer afspeelt aan de rand van de steden. We wilden daar een duidelijk - het woord is zo modieus maar ik ga het toch maar even gebruiken - Fremdkörper, een vreemd lichaam plaatsen. Je zou het bijna een paard van Troje kunnen noemen. Zoals de kerken van Palladio in Venetië: twee witte kerken die daar buiten de stad als tekens staan maar toch zeer met de stad verbonden zijn. Ten aanzien van Venetië waren dat echt moderne gebouwen. Die twee witte kerken, met een nagenoeg homogene structuur, ten aanzien van het byzantijnse, kleurrijke Venetië, dat idee van positionering was voor ons zeer belangrijk. Ik denk dat men het wat onderschat in Brugge. Het gebouw zal zeer aanwezig zijn, vooral omdat Brugge zo'n homogene stad is en geen hoogbouw heeft. Ook die dertig meter hoge toren, dat is aanzienlijk."

Niet iedereen heeft het ontwerp onderschat. Zoals dat tegenwoordig steeds vaker gaat met projecten van die omvang, heeft het Brugse concertgebouw al flinke tegenwind gekregen, een discussie die nog voor de architectuurwedstrijd begon toen sommigen zich afvroegen of Brugge wel zo'n zaal nodig had. Maar Paul Robbrecht betreurt die commotie niet, integendeel zelfs. "Ik vind het juist goed. Het wijst op de groeiende betrokkenheid van het publiek bij dergelijke projecten. Dat is een zeer gunstige evolutie. Ik zou het veel erger vinden als het publiek niet reageerde. We komen uit een tijd waar men dergelijke projecten te veel onderging, kijk maar naar het Zuid in Gent. In Brugge leeft nu een groot bewustzijn over die concertzaal. Er zijn duizenden mensen naar de tentoonstelling geweest. Er waren negatieve reacties, maar ook positieve. Je moet naar het publiek luisteren, ermee communiceren."

Robbrecht herinnert zich de commotie rond de Gentse Belfortparking, toen hij eigenlijk aan de andere kant van de barrière stond. In 1996 had zijn bureau, samen met Marie-José Van Hee, een voorstel ingediend om van het Braunplein (waaronder de parkeergarage moest komen) een klein park te maken met hoge bomen, een groene adempauze tussen de stenen centrumpleinen. Maar de ondergrondse parkeergarage die het stadsbestuur gevraagd had, was nergens te bespeuren in hun plan - een opvallend statement. Om die reden haalde het voorstel het niet, maar het kreeg wel veel lof van de jury. O ironie, een jaar later sneuvelde de garage na een volksraadpleging. "Nee, ik beschouw dat niet als een overwinning, maar ik vond het wel een belangrijke dag. De boodschap was duidelijk: denk toch eens na, democratie bestaat. Ik vind de graad van democratie in dergelijke contexten zeer belangrijk. Het is uw grond, mijn grond, het is publiek domein."

Paul Robbrecht houdt niet van het grote gebaar. Hij woont in een mooie Normandische villa aan de rand van het Gentse stadscentrum, een nadrukkelijk huis dat zich tegelijk in discretie hult. Tijdens ons gesprek zoekt de vroege lentezon zich tastend een weg door de grote tuin, wat mij op de een of andere manier aan Robbrechts rustige spreekstijl doet denken. Rustig is misschien een verkeerd woord: het miskent de doortastendheid waarmee hij een buitenstaander zijn concertzaal wil verklaren. 'Bedachtzaam' klinkt juister, het lijkt ook beter te rijmen met zijn ontwerpen. Hij zoekt telkens opnieuw naar de juiste formulering, laat soms een zin onvoltooid en benadert de gedachte dan vanuit een andere invalshoek. Hij zegt dat architecten geen kunstenaars zijn, ziet zichzelf meer als een mediator die met intieme gevoelens bezig is. In Brugge trachtte hij bijvoorbeeld de intimiteit te vertalen van een gemeenschap die naar muziek luistert. Of de emotie die zo'n bijzonder gebouw in een stad teweegbrengt. Een hardnekkige oefening in subtiliteit, ver van alle grote gebaren.

Robbrecht: "Soms kan architectuur zeer snel appelleren aan het spektakel, aan het spectaculaire. Dat is uiteraard geknipt voor de media. Spectaculariteit als een absolute noodzaak voor de architectuur. En het publiek hapt toe - zolang het op papier staat. Die spectaculariteit, daar sta ik heel ver van af. Dat was de grote strijd in Brugge. Projecten die absoluut niet die spectaculariteit vertoonden kregen het zwaar te verduren. Ons project en bijvoorbeeld ook dat van Stéphane Beel hebben het lastig gehad omdat ze over andere zaken gaan en aan andere "emoties" appelleren. We hadden het moeilijk in de mediatisering. Tegenover de andere voorstellen kregen wij het etiket braaf opgekleefd. Terwijl het helemaal geen braaf project is. Voor mij is dat een van de wezenlijke zaken van het medium architectuur, dat je enorme, beslissende keuzes maakt. Er kunnen wel twijfelaars zijn maar op een bepaald moment beslissen wij of de muur en de hoek en het einde van het gebouw hier of daar komt. Dat zijn zeer duidelijke keuzes. "Bij die spectaculariteit wordt veel verwezen naar Bilbao (het Guggenheim-museum; RP). Maar daar zal nooit een onvergetelijke kunsttentoonstelling plaatsvinden. Dat gebouw kan niet de intimiteit bieden waarin zich zo'n belangrijke uitdrukking van een kunstenaar kan manifesteren. Die intimiteit hadden wij voor ogen in Brugge. De wonderen moeten nog gebeuren in die concertzaal. Ik heb niets tegen Bilbao. Het heeft een bepaald soort aantrekkingskracht. Ook ik ben van de luchthaven gekomen en heb de verwondering meegemaakt bij het zien van die enorme metalen bloem die daar aan de rand van de stad ligt. Maar dan zie je dat het licht daar helemaal niet binnenglijdt, er is nauwelijks natuurlijk licht."

Die spektakelzucht ontwaart Robbrecht ook bij Jan Hoet. En dat wringt, want hij is de man nog elke dag dankbaar voor Documenta IX. Eigenlijk is hij blij dat Hoet hen niet gevraagd heeft voor de verbouwing van het SMAK, diens nieuwe museum dat straks opengaat. "Hij had het ons nochtans beloofd. Toen het plots niet meer hoefde, was dat een verschrikkelijke ontgoocheling. Maar dat verwerkingsproces is allang voorbij, dat is allang vergeven. Nu ben ik zelfs blij dat ik niet betrokken ben bij dat museum. Jan Hoet die straks gaat boksen, dat is mijn wereld niet, het spijt mij, het is zijn wereld en ik wil daar niets mee te maken hebben. Hoet zou mij ook totaal opgeslorpt hebben, daar ben ik van zeker van. De momenten dat ik aan vrijheid en denken behoefte had, zou ik met Jan Hoet hebben moeten communiceren. Het is een formidabele kerel. Maar ik vind het zo jammer dat er alleen maar die spectaculaire buitenkant is, terwijl het een man is die bijzonder intelligent is. In een museum voor hedendaagse kunst moet er een continue beleving zijn van kunst. Ik moet daarnaartoe kunnen gaan om te communiceren met wat er aan de hand is in de kunst. Maar nu krijg je alleen maar telkens die vlam, die eruptie, Chambres d'Amis bijvoorbeeld - trouwens een ongelooflijk sterke tentoonstelling, daar gaat het niet om - maar nadien dooft dat, is er ook geen aanspreekpunt meer voor kunstenaars, intellectuelen, mensen die ermee willen omgaan. En Hoet roept zo luid dat de kunstenaars zich stil houden. Als Jan Hoet zijn mond opendoet, zwijgen de vogels. Het lijkt een omerta, een zwijgplicht. En dat is het ergste wat een stad kan overkomen. Gent is momenteel intellectueel hersendood."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234