Zondag 05/12/2021

Het oordeel des volks, eerste ronde

'Lelijk Vlaanderen' maakt school en de lezers van De Morgen dragen ook een forse baksteen bij. Hun schrijfvlijt leverde een uitgebreide verzameling mails op. Filip Canfyn beent bij wijze van tussentijdse balans een eerste lading al enigszins uit.

Ondanks komkommertijd, bikinitime en bouwverlof wordt er flink van jetje gegeven rond de reeks 'Lelijk Vlaanderen', op de website (www.demorgen.be/lelijk) en zelfs in deze eigenste krant. Wie had een paar weken geleden kunnen dromen dat Walter Pauli himself op pagina 2 en op 30 juli zijn hoofdartikel zou wijden aan de renovatie dixit kaalslag aan het Brussels Zuidstation om een nieuw plein te scheppen ('scheppen' niet zoals 'creëren' maar zoals 'poen scheppen') en zich vooral zou ergeren aan het criminele cynisme van de toekomstige naam: het Marcel Broodthaersplein. Dada mijn mossel! Het ontlokte de wijze journalist de terechte opmerking dat alle vastgoedprojecten aldaar, Broodthaers of niet, twee kwaliteiten ontberen, namelijk fantasie en de kracht om iets voor de wijk te betekenen.

En in 'Het kunstensecreet', de zaterdagse bespreking van de huis-, tuin- en keukenkwaliteit van onze Vlaamse cultuurtempels, durft Wilfried Eetezonne te schrijven op 6 augustus jongstleden (het gaat over de nieuwe Permeke-bibliotheek in Antwerpen): "Blikvanger is de rode houten trap. Het is zo'n ongemakkelijke trap. Zo een waar je een tussenstapje moet zetten voor je de volgende trede kunt nemen. Een tussenstapje? Een mens moet een taxi nemen om aan de volgende trede te geraken. Onpraktisch en lelijk." Ook Wilfried gaat op zijn elan verder: "Het café is in hetzelfde bedje ziek. Op weg richting trendy nam het helaas de afrit 'functionaliteit'." Tijd voor een eerste kritische beschouwing van het onroerend goed dat de lezer van De Morgen zwaar op de maag ligt.

De lezers van De Morgen zwaaien vooral met de sloophamer als het gaat over grootschalige misbaksels met een openbare functie of een kantoorinvulling. Het Noordstation, het Justus Lipsiusgebouw voor de Europese Raad aan het Schumanplein, het Anspachgebouw, de KBC-hoofdzetel aan de Havenlaan, het Philipsgebouw en het Administratief Centrum aan het Muntplein zijn de Brusselse laagvliegers. Antwerpen zet zich op de afbraakkaart met de Karel de Grote-Hogeschool op de Groenplaats, het Copernicusgebouw van de Vlaamse Gemeenschap, de Melkmarktbuilding naast de Boerentoren en de Antwerp Tower. Ook de ex-Cera-hoofdzetel in Leuven en de Europatower in Oostende mogen een dikke kop kleiner gemaakt worden.

Gelijk hebben ze, onze lezers, maar waren we niet overeengekomen de makkelijke slachtoffers, de kwetsende voorbeelden van pure lelijkheid, buiten schot te laten? Zijn die onze kogels wel waard?

Een speciale vermelding krijgt in elk geval de nominatie voor het Marktplein van Harelbeke (volgens onze tipgever een toonbeeld van "pure Stalin-smaak"), dat ik hier wil uitroepen tot symbool van de verwoestende stijl, die zovele dorps- en stadscentra verneukt heeft, omdat bankfilialen en appartementenbouwers hun omzetcijfers moesten halen en lokale politici hun eeuwigheidswaarde wilden forceren.

Om het mij makkelijk te maken zou ik mij kunnen beperken tot de negatieve reacties - die waren nu eenmaal kleiner in aantal - maar laten we dat voorlopig nog even uitstellen. Om te beginnen wil ik even stilstaan bij twee globale tendensen van de mails die onze analyse bijtreden.

Eén: de aversie voor hedendaagse architecten en architectuur drijft lezers in groten getale tot instemming met alvast de eerste vijf afleveringen van de reeks 'Lelijk Vlaanderen'. Vreemd, want tot nu toe vormen de bijdragen over écht hedendaagse producten een minderheid (twee op de vijf: het Hollainhof in Gent en het Gerechtsgebouw in Kortrijk). In die twee stukken werd bovendien niet de architectuur an sich over de hekel gehaald, maar wel de wereldvreemdheid en de leugenachtigheid van het resultaat.

Dat bewijst de ervaring dat de modale burger het bijna per definitie moeilijk heeft met niet-banale, vernieuwende of moeilijke architectuur en daarbij zonder nadenken vergeet dat er een groter risico op langere termijn schuilt in domme, bevestigende of brave architectuur. De architecten-lezers zijn geslepener: zij beschouwen ondingen als het Markiesgebouw in Brussel of de chichi villa's in Brasschaat of de hangar-met-fermette in Kruishoutem gewoonweg niet als architectuur (hoewel ze uiteraard evengoed door architecten ontworpen zijn) en maken zich vanuit een blijkbaar aangeboren protectionisme selectief druk over de kritiek op wat zij wel als architectuur aanvaarden.

Twee: er wordt vooral geapplaudisseerd voor het doorbreken van wat door velen aangevoeld wordt als 'de omerta binnen de donkere grot van de architectuur'. Ik citeer: "Eindelijk geeft iemand, op een terecht boude manier, de verstarring en het incestueuze van het heikneuterige architectuurwereldje op zijn donder"; "Eindelijk eens iemand die zegt waar het op staat!"; "Eindelijk zegt iemand dat de keizer geen kleren aan heeft. We weten het allemaal, maar we willen of durven er niets van te zeggen"; "Het is een verademing om te weten dat er in de professionele wereld en op hoog niveau nog af en toe een stok in het hoenderhok van de architectuur durft gegooid te worden"; "Blij dat iemand zijn nek uitsteekt om erop te wijzen dat niet alle vernieuwing mooi is."

Het is zoals een tegel optillen en honderden mottige kevers zien wegkruipen. In elk geval is de neutrale lezer gewoon tevreden dat deze krant eindelijk aan architectuurkritiek doet. Het is moeilijk bescheiden te blijven, ware het niet dat de achterliggende boodschap op zijn minst pijnlijk is.

Het gros van de lezers schuift ongevraagd de architect de zwarte piet toe, wat eigenlijk een stelling is. De vraag is dan: vanwaar komt dat ongenoegen over de architect? Drie partijen worden als actief en sturend in de vormgeving van onze gebouwde omgeving onderkend: de architect (de feitelijke vormgever en conceptverantwoordelijke), de ontwikkelaar (de invloedrijke bouwheer van grootschalige veranderingen) en de ambtenaar (de gemachtigde regelgever, controleur en bewaker van 's lands belang).

De architect of bouwmeester heeft zich in de geschiedenis een belangrijke positie verworven bij zijn medeburgers dankzij zijn kennis en zijn kunde en heeft zich ook in zijn eigen hoofd een status opgebouwd van opvoeder, kwaliteitsborger en maatschappelijke gezondhouder. Eigenlijk is en voelt de architect zich de dokter van de gebouwde omgeving.

Echter, een dokter kan zijn positie en aureool verliezen als hij zijn geloofwaardigheid en knowhow kwijtspeelt. Dan wordt zijn plaats snel ingenomen door medicijnmannen en kwakzalvers. Die weten dat de man in de straat zich wil amuseren, zich dus gemakkelijk laat bedriegen en zijn ziel snel kan verkopen aan praatjes en placebo's. De ontwikkelaar, en zeker de klassieke, kortzichtige promotor, die leeft van holle woorden en plechtige beloften, heeft dat goed begrepen en recupereert in een handomdraai de bouwgrage klanten met blokkendozen, fermettes en pastoriewoningen, zeker als de rol van de architect nog meer in de verdrukking komt. De promotor is geen opvoeder, noch genezer, maar een verkoper met een almachtige trukendoos. Van de administratieboys wordt automatisch niets verwacht. Al hun geklaag over een gebrek aan middelen kan niet verhullen dat het niet in de genen van een ambtenaar zit (en we zien de ambtenaar hier als groep, niet als individu) om creativiteit op te brengen, om energie te investeren of om het als een natuurlijke missie te beschouwen om problemen te willen oplossen.

Kortom, alle heil wordt verwacht van de architect en de lezers stellen vast dat die dit immense verwachtingspatroon niet of te weinig kan waarmaken. Ze blijven wel beleefd, clement en vergevingsgezind. Ze voeren excuses aan voor het niet realiseren van goede bedoelingen en die spreken meestal over slechte opdrachtgevers, lamentabele politici, gebrekkige regelgeving of onvoldoende financiering. Dat zal wel, ieder huisje heeft zijn kruisje. Echter, wordt de ellende niet gezocht? "Ook toparchitecten kunnen dwalen, wat eigenlijk niet zou mogen zijn, want ze zijn toparchitect", schrijft een lezer. Is het de schuld van de brave Vlaming dat hij denkt dat iedere architect een Frank O. Gehry, een Richard Rogers of een Jean Nouvel is of doen vele architecten de brave Vlaming geloven dat zij én Gehry én Rogers én Nouvel zijn?

... is aan u, lezer. Zet nog de tanden in de volgende bijdragen, denk na over uw hitparade van lelijkheid, surf op de gedachten van de lezersreacties en laat het eens goed botsen in de hersenkwabben. De Morgen kijkt barmhartig naar de mails (www.demorgen.be/lelijk). Het is zo weer voorbij, die mooie zomer van het boze oog.

Volgende week in deel 6:

Boeren in de stad

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234