Dinsdag 15/10/2019

De verzoening

Het onverzoenbare verzoend. Antwerp-man en Beerschot-fan kijken elkaar in de ogen

Antwerp-supporter Danny Bartholomeeusen en Beerschot-fan Marc Janssen steken de koppen bij elkaar. Beeld Wouter Van Vooren

Een hand geven kan. Ze zijn zelfs erg vriendelijk voor elkaar. Maar Danny Bartholomeeusen (56), Antwerp-fan, grijnst dat "den Beerschot niet meer bestaat" en dat doet Marc Janssen (48) briesen. "Ik kan geen rood zién." In augustus bestookten Antwerp-fans een Beerschot-bus. Mannen, kunnen we dat vandaag even uitpraten?

Wat voorafging

Het was zomer en in Mortsel werd het die dag echt heet. Twee bussen van voetbalclub Beerschot-Wilrijk, op de terugweg na een match in Lier, werden gestopt en bekogeld door Antwerp-fans. Er vlogen flessen. Er vlogen stenen. Er sneuvelden ruiten. Gek genoeg: in die bussen zat niet de harde kern van Beerschot-Wilrijk. Wel ‘gewone' supporters, onder wie vrouwen en kinderen. 

Dit kan nooit de juiste weergave van die avond in café Bisschoppenhof zijn. Want hoeveel cursiveringen kan een verhaal aan? Marc Janssen (voorzitter van SC De Mannekes) en Danny Bartholomeeusen (van Number One) spreken hun moedertaal: het Antwerps. De taal van de liefde voor hun club, die hun vader hen bijbracht. Al was dat bij Marc Janssen zijn stiefvader.

Marc was tien en was, “zonder te gaan zien”, eigenlijk supporter van Beveren. Het was 1979 en de jaren aan de Freethiel werden in gouden letters beschreven. Kampioen, topscorer Erwin Albert, Gouden Schoenen Jean Janssens en Jean-Marie Pfaff, Europese halve finale tegen Barcelona. “We woonden in Zwijndrecht en iederéén was toen voor Beveren.” Alleen die stiefvader dus niet en hij nam Marc mee naar Beerschot. “13 september 1979, tegen Molenbeek, 1-1”, herinnert de nu 48-jarige chauffeur zich nog. “Iets later ging ik nog eens mee. Van 1979 tot nu heb ik geen twintig matchen gemist.”

Uitzonderlijk? Danny Bartholomeeusen is 56, gepensioneerd dokwerker, ging met zijn vader naar de thuismatchen toen hij vijf was en nog eens vijf jaar later begon hij “met de bussen” mee te rijden. Dus ook naar de wedstrijden op verplaatsing. Maar hij sjotte tot zijn 34ste zelf. Toen kon hij niet altijd naar Antwerp gaan kijken. “Maar sinds ik stopte, 22 jaar geleden, miste ik twee matchen. Eén keer omdat ik ziek was en één keer omdat die van ons me overtuigde om naar Marco Borsato mee te gaan. (lacht) Daar heeft ze niks aan gehad. Ik heb de hele tijd via mijn telefoon de match gevolgd.”

Samen in Antwerp-café Bisschoppenhof, het hol van de leeuw voor Marc. "’k Heb gene schrik." Beeld Wouter Van Vooren

Het zijn dus échten (het strafste bewijs komt zo meteen nog) en ze waren ons aangeraden door kenners van het Antwerpse voetbal. Maar aan de telefoon zag Marc Janssen (supporter van wat officieel dus Beerschot Wilrijk heet maar vanaf nu in dit verhaal enkel nog Beerschot, zo spreekt het hart het ook uit) het eerst niet zitten om met een Antwerp-fan af te spreken. “Ik ga me te veel opboeien.” Zeven minuten later toch overtuigd. Voor Danny was het meteen in orde. “Kom maar naar Bisschoppenhof.” Met het ac­cent op hóf. Daar huist supportersclub Number One. Het hol van de leeuw, voor Marc? Geen probleem, sms’te hij: “’k Heb gene schrik.”

Ze waren er niet bij in Mortsel toen in augustus Antwerp-supporters twee bussen vol Beerschot-fans aanvielen. Er zaten vrouwen en kinderen in, de bussen werden met stenen en flessen bekogeld, er sneuvelden ruiten en er vielen gewonden. Later werden zes hooligans aangehouden.

“Dat was gewoon dom”, zeggen ze allebei. “Het was niet nodig. Zeker omdat die vrouwen en kinderen aan boord zaten.” En iets later: “Als ze willen vechten, kunnen ze perfect ergens afspreken.”

Op 8 december kwamen de laatste relschoppers vrij uit de gevangenis. “Vroeger dacht ik daar anders over, maar dit was laf en niet nodig”, zegt Marc. “Onze bussen waren al weg, maar achteraf ben ik in een café vlakbij, waar ook onze supporters schade hadden aangericht , verontschuldigingen gaan aanbieden.” Conclusie, van Marc: “Wie zoiets doet, is niet goed bij zijn verstand. Maar vroeger dacht ik daar anders over.”

Vechten voor de club

Het was een incident, pijnlijk en vermijdbaar, maar niet uniek. Het verleden is zwanger van de rivaliteit tussen supporters van Antwerp en Beerschot. In dat ‘vroeger’, waar Marc naar verwees. “De randactiviteiten”, noemt hij dat vandaag. “Tot 2004 liep ik zelf mee met de King Side, toen de harde kern van Beerschot. We moesten op een bepaald moment naar Genk. Er waren maar duizend tickets voor bezoekende supporters en ik was er niet bij. Toen besliste ik zelf SC De Mannekes op te richten, een supportersclub. Het zou me nooit meer gebeuren dat ik een match zou missen. Vanaf toen legde ik zelf bussen in. Dat eerste jaar zaten daar nog gasten van de harde kern bij. Maar stilaan zijn die eruit gefilterd. We versleten dat jaar acht busmaatschappijen. De chauffeurs wilden niet meer met ons rijden.”

Danny liet het logo van Antwerp op zijn onderbeen tatoeëren. Beeld Wouter Van Vooren

Was hij vroeger zelf een hoo­ligan? Ja, knikt Marc. “Maar je krijgt dat niet uitgelegd.” Hij probeert toch. “Als je naar een dancing gaat en een vriend belandt in een gevecht, dan doe je mee. Voor die vriend. In het voetbal vind je dat terug. Het is opkomen voor elkaar. Als jongen speelde ik zelf bij de jeugd van Beerschot, maar toen ze me opmerkten bij de spionkop, moest ik eruit. Dat aanvaardde de club niet.”

Danny was nooit zo’n hooligan, zegt hij. “Maar ik ga ook niet beweren dat ik nooit gevochten heb. Alleen niet met de X-Side of de Casuals. Het gebeurde, maar ook niet zomaar. Tegen de supporters van Westerlo of STVV moet je niet vechten. Dat is de moeite niet. Dat is anders als het tegen Anderlecht, Club Brugge, Gent of Lokeren is. Ze vechten voor hun club en zijn wel échte supporters.”

Marc knikt: “Ik was thuis een rustige gast. Ook op school. Maar als je in dat stadion zit en de match begint, dan kom je in iets anders terecht. Je hoort dat ook weleens van voetballers. Die Sergio Ramos van Real Madrid: een voorbeeld van een papa. Maar hoeveel rode kaarten kreeg die gast al? Bij supporters is dat hetzelfde.”

We zitten hier omdat deze woorden omhuld worden door papier waarop vooraan ‘De Verzoening’ staat. De vraag is: is dat mogelijk? Als je Marc vraagt welke club hij het meest haat, is dat duidelijk: “Anderlecht en Antwerp.” Vraag je dat aan Danny, dan zegt hij verrassend: “Club Brugge. Die vind ik de ergsten van allemaal. Ik heb maar één keer in mijn leven voor Beerschot gesupporterd en dat was toen het de bekerfinale tegen Club Brugge speelde.” Maar dus niet het meest anti-Beerschot?

“Voor mij bestaat die club niet meer. Simpel.”

Fusieclub

Nu wordt het moeilijk voor Marc. Want wat Danny bedoelt, is dit. Beerschot heet nu Beerschot Wilrijk, in het embleem is geel bij het paars-wit geslopen en de ploeg (die officieel in 2013 werd opgericht) draagt het stamnummer 155. “Nu kan ik de 13 (het vroegere stam­nummer van Beerschot dat Antwerp-supporters niet over de lippen kregen, ze spraken van ‘12 en 1’, RVP) zonder problemen uitspreken”, zegt Danny. “Het stelt gewoon niks meer voor.”

Lastig voor Marc dus. Al zal hij in Bisschoppenhof niet vechten. “Het maakt me kwaad. Vroeger dacht ik ook: ik zou nooit voor een fusieclub kunnen supporteren. Tot je voor de keuze staat. In 2013 ben ik als een van de eersten opgestaan om de club te redden. Ze zeggen nu dat we voor een andere club supporteren, maar dat zal voor mij pas gebeuren als het woord Beerschot wegvalt. En ze spelen nog altijd in het Olympisch Stadion. Bij de fusie met Germinal Ekeren wilde ik ook afhaken, maar ik ben toch blijven gaan. Omdat ze op het Kiel bleven. Wat wij meegemaakt hebben, heeft die band nog hechter gemaakt. Die club zit in mijn hart vastgeroest. Nummer 13 is nog altijd voorbehouden voor ons. Als ik naar de bioscoop ga, zal ik altijd op stoel 13 gaan zitten. Ik heb niks tegen de supporters van Antwerp, zoals Danny. Maar ik heb een gigantische hekel aan die club."

Danny: “Zo’n fusie met een andere club en een ander stamnummer, wat ‘ze’ aan de andere kant van de stad hebben gedaan, dat begrijp ik niet. Dat wil ik niet meemaken. Er is maar één club met nummer 1 en dat is Antwerp. Ik zit altijd op tribune 1. Ik heb daar misschien wel vijfhonderd vrienden. Dat is uniek."

Firmawagen

Hoe diep zit die hekel aan de ander? Danny: “Mijn dochter heeft nooit iets paars gedragen. De 13 kan ik wel uitspreken, maar ik zou nu ook niet met een shirt willen rondlopen waar dat cijfer op staat.”

Marc: “In mijn huis vind je geen rood. Ik kan geen rood zien. Als ik een nieuwe tandenborstel nodig heb en ze hebben alleen een rode, rijd ik naar een andere winkel. Ik ben chauffeur voor een labo en rijd 80.000 kilometer per jaar. Stel dat mijn werkgever nieuwe firma­wagens bestelt en die zijn rood, dan heb ik geen keuze, dan moet ik van werk veranderen. (glimlacht) Er is maar één probleem in mijn leven: de Belgische nummerplaten zijn rood-wit. Daar kan ik niks aan veranderen.”

Ook op Marcs arm staat een tattoo: ‘The Rats’. Beeld Wouter Van Vooren

Danny: “Aan den dok werkte ik probleemloos met Beerschot-supporters en ik wil met Marc gerust een pint drinken. Maar samen naar het voetbal gaan, dat moeten we niet doen.”

Marc: “Ik had een uitnodiging om naar Wembley te gaan (in 1993, toen Antwerp er de finale van de Europacup II tegen Parma speelde, RVP), maar ik ben niet gegaan.”

Danny: “Er waren nochtans veel Beerschot-supporters. We waren met 20.000 man. Zo veel heeft Antwerp alleen er niet. Ik zou niet liever willen dan dat zij volgend jaar ook in de eerste klasse spelen. Het is toch plezanter om Antwerp-Beerschot te zien, dan Virton-Beerschot?”

Marc: “Ik weet het niet. Voor mij moeten ze dit jaar niet stijgen naar 1A. Dit is de beste periode van ons leven. Als ze stijgen en het gaat slecht, komt er maar drieduizend man meer. Ik ben bang voor als het wat minder gaat.”

Danny amuseert zich dit jaar rot, want Antwerp doet het uitstekend als nieuwkomer in de eerste klasse. Natuurlijk zijn dit geen Wembley-tijden of is dit niet de kick van die avond in 1989 toen Antwerp thuis van Vitosha Sofia won met 4-3, terwijl het in de 89ste minuut nog 1-3 stond. “Maar dé wedstrijd van mijn leven was wel die keer dat we na 20 minuten 0-3 achter stonden tegen Beerschot en het toch nog 5-3 werd. Al is het dit jaar toch ook plezant hoor. Na dertien jaar in tweede klasse.” Twee avonden geleden nog 1-1 op Standard. “We zijn wel geflikt, maar ik heb toch veel pinten gedronken.”

Marc: “Als het ooit nog eens Antwerp-Beerschot wordt, ga ik. Een nonkel van me, ook een ferme Beerschot-man, heeft zijn hele leven geweigerd naar Antwerp te gaan. Maar dan mis je toch dé wedstrijd van het jaar. Twee weken vooraf kan ik niet slapen. Maar ik wil erbij zijn. Zoals altijd. Weet je dat ik op de dag van mijn trouw ook ben geweest? 15 februari 1992. Ze speelden thuis tegen Hasselt, ons feest was geregeld, maar tussen half 8 en 10 uur was ik weg. Het is erg om te zeggen, maar Beerschot gaat zelfs boven mijn kinderen. Behalve als er iets ergs zou gebeuren, natuurlijk. Maar verjaardagsfeestjes? Komaan.”

Dé club van het land

Soms valt het woord in Antwerpen weleens: fusieclub. Vooral de politiek heeft er grote woorden over. Want met dé haven en hét bedrijfs­leven verdient dé stad toch dé club van het land?

Danny: “Ai.”

Marc: “Niet met Antwerp.”

Danny: “Met geen enkele ploeg. Zot! En op Patrick Janssens heb ik nooit gestemd. Niet alleen omdat ik eerder rechts ben, maar vooral omdat hij zich openlijk outte als Beerschot-man. Onmogelijk.”

Marc: “Het zou enkel kunnen als je het doet zoals in Genk: als je een derde succesvolle club wilt oprichten. Maar hoeveel supporters zou je daarvoor nog hebben?”

Danny: "Hooguit vierduizend. Allemaal cinemasupporters. Mij zouden ze er niet zien.”

Marc: “De twee clubs hadden altijd een ander publiek. Beerschot was meer de ploeg van de rijken. En dat zie je 120 jaar later nog altijd. Op Beerschot komen nog altijd wat meer BV’s.”

Danny: “Al zijn Tom Waes en Erik Van Looy er nu ook wel.”

Allebei dragen ze een ketting rond de nek. Marc met het embleem van Beerschot, Danny met dat van Antwerp. Gekregen van zijn vrouw. Op Marcs arm staat een tattoo: ‘The Rats’. Ook op Danny’s beide onderbenen staat er telkens één: een bulldog en het logo van Antwerp. Hij draagt een T-shirt met daarop: 'Wij zijn geen ratten. Wij zijn terug. + 9/5/99.' De datum is de dag waarop Beerschot zijn nummer verloor en met Germinal Ekeren fu­sioneerde. De tekst komt terug in een nummer van Tourist LeMC: 'Wij zijn geen ratten/wij komen terug'. Zoek het even op YouTube en hoor de rapper zeggen: 'Ze hebben het gehoord tot op het Kiel'.

Liedjes over Beerschot zullen ook in Marc Janssens verzameling zitten. Hij vertelt dat zijn huis een paars-witte tempel is, dat Juan Lozano voor hem (hij zag Rik Coppens niet spelen) dé Beerschot-speler aller tijden is en hij herinnert zich die Bekerfinale tegen Brugge. “Op mijn verjaardag.” In 2013 kreeg hij de ‘Gouden Sjaal’ van Studio Brussel, als beste supporter. Danny won die bijna in 2014, maar is blij dat hij toen de duimen moest leggen voor Stijn Umans, de inmiddels aan kanker overleden supporter van Racing Genk. “Ik was blij voor die jongen.”

Dat niemand deze twee dus uitlegt hoe diep de liefde voor de club gaat. Voor de foto poseren ze bereidwillig. Lachend, vriendschappelijk. Maar Marc zal de rood-witte sjaal van Danny niet aanraken. En Danny niet die van Marc. “Er zijn grenzen.”

Tijdens de fotosessie even naar het toilet van café Bisschoppenhof. Daar hangt een sticker met daarin de bekende kop van een zanger en daarrond een knipoog naar zijn grootste hit: ‘My first, my last, my everything. Royal Antwerp FC.’ Jawel. Barry Red-and-White.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234