Maandag 12/04/2021

'Het museum moest een maatpak zijn'

kunst

museumdirecteur jan debbaut tussen eindhoven en londen

Jan Debbaut (53) is een gelukkig man. Om twee redenen. Twee weken geleden kon hij zijn nieuwe Van Abbemuseum in Eindhoven openen en woensdag stond in De Morgen te lezen dat hij per 1 september director of collections wordt van de vier Britse Tate-musea, een absolute topfunctie in een van de grootste musea ter wereld. 'De meeste musea voor hedendaagse kunst tónen alleen maar werk, en op een nogal slordige manier als je het mij vraagt. Ze tónen, maar eigenlijk begint het werk dan pas.'

Eindhoven

Van onze verslaggever

Eric Rinckhout

'Een van de beste musea voor hedendaagse kunst in Europa", schrijft de Britse krant The Guardian over het Van Abbemuseum in Eindhoven. Het is niet eens overdreven. Jan Debbaut (°Temse 1949) is er al veertien jaar lang directeur en heeft bijna geruisloos gewerkt aan een schitterende collectie.

"Na veertien jaar is het niet slecht dat er een jongere directeur aan het roer komt. Die kan opnieuw beginnen, met zijn eigen generatie kunstenaars en met andere prioriteiten. Zo is het museum altijd geweest. Opeenvolgende conservatoren, Edy de Wilde, Jean Leering, Rudi Fuchs en ikzelf, hebben het altijd anders aangepakt. Daardoor kan zo'n museum in een provinciestad al vier generaties lang leidinggevend zijn in zijn keuze van jonge generaties kunstenaars.

"Bij momenten geeft mijn overstap naar de Tate wel een wee gevoel. Soms vraag ik me af wat ik aan het doen ben. Het is alsof je uit de puberteit komt, voor het eerst het ouderlijke huis verlaat en op eigen kamers gaat wonen. Je wilt dat, want je bent het thuis beu, maar tegelijk vraag je je af of het wel lukt en wie de was gaat doen."

Wordt de overstap naar de Tate moeilijk?

Debbaut: "De conjunctuur is natuurlijk zeer moeilijk. Het is geen florissante periode voor musea, zeker niet voor de grote. De Tate heeft meer dan duizend man personeel in dienst en is conjunctuurgevoelig: ze is gratis toegankelijk en moet veel geld zelf genereren. Ik onderschat het managementsfacet en de hardheid ervan gedurende de volgende jaren niet. Het is niet een eenmanspraktijk van een advocaat in een dorp die echtscheidingen doet, maar een grote law firm waar de aandeelhouders afrekenen. Je moet presteren. Dat is ook de uitdaging. Na veertien jaar Van Abbe heb ik alles meegemaakt, ik hebt geleerd van mijn fouten. Het is ook de vraag of ik nog over de lat raak, dat doet mijn adrenaline stromen."

Wat wordt uw taak in de Tate?

"Mij interesseert het om met collecties bezig te zijn. Ik ben er niet gelukkig mee dat de aandacht voor musea van moderne kunst almaar meer verschuift naar het museum als tentoonstellingsfabriek in een soort entertainmentindustrie die almaar zakelijker en bedrijfsmatiger gelegitimeerd moet worden: aantallen bezoekers, budgetten, sponsoring. Ik bedoel dat niet moralistisch: niet omdat mensen zich niet zouden mogen vermaken in een museum, wel omdat ik vind dat het een reductie is van iets veel rijkers. Men praat nu over de tentoonstellingen die ik heb gemaakt maar niet over de driehonderd kunstwerken die ik heb aangekocht en die hier niet meer weggaan. Die blijven hier voor de volgende generaties.

"Vandaar ook mijn gevecht voor een nieuw museum omdat de verzameling niet getoond kon worden, hoewel het een van de betere collecties van West-Europa is. Nu zegt iedereen dat het een fantastische verzameling is, maar dat wist ik veertien jaar geleden ook al, ik kon ze godverdomme alleen niet tonen. Daarom heb ik ook gevochten voor een bepaald soort architectuur: een architectuur die dienend moet zijn, want het gaat er niet om wat mooie werken in een sensationeel gebouw op te hangen."

Heeft de Tate zwakke punten?

"Ik moet mijn huiswerk nog maken, maar in het beeld dat ik van de Tate heb, zie ik sterkere en zwakkere punten. De studie en ontsluiting van de collectie is een facet waar nog veel vorm aan kan worden gegeven. Of de synergie met het Courtauld Institute, de absolute top in kunsthistorisch onderzoek, en met kenniscentra als Oxford en Cambridge.

"Ook het verzamelen van hedendaagse kunst kan beter. Toen de Tate Modern opende was er een etage met een virtuele collectie: het ging om werk dat de Tate wilde maar niet kon kopen. Die tentoonstelling kon ik zo uit de kelder van het Van Abbemuseum fluiten, die werken heb ik de laatste tien jaar aangekocht. Al die kunstenaars had ik hier met drie, vier van hun betere werken. Daar heb ik het met Nicholas Serota (algemeen directeur van de Tate, ER) over gehad. En dat heeft zeker meegespeeld in mijn aanstelling. Serota wil iemand naast zich die gewend is om zelf te verzamelen op wereldniveau en die met hem die verzameling kan coachen. Serota komt daar, naar eigen zeggen, nu niet aan toe."

Hoe hebt u de voorbije jaren die sterke collectie in Eindhoven opgebouwd?

"De verzamelmethode is een integrale aanpak tussen tentoonstellingen, publicaties en aankoopbeleid. De conservator die een tentoonstelling voorbereidt over een kunstenaar is op een bepaald moment de best geïnformeerde persoon. Die heeft zich enkele maanden of een heel jaar ingewerkt en kent dat oeuvre door en door. Op dat moment ontwikkelt die conservator een heel sterk gevoel voor kwaliteit en herkent sleutelwerken. Ik heb geleerd bij aankopen zeer goed te luisteren naar de conservatoren en een aankoop te zien als het residu van de tentoonstelling. De expositie gaat voorbij maar het kunstwerk blijft.

"Als je zulke aankopen met een zekere regelmaat doet, ontstaan er ensembles die op zich weer ideeën voor tentoonstellingen genereren. Als je Pietje en Jantje hebt, begin je Jefke te missen, en zie je zijn rol in de ontwikkeling van Jantje en Pietje. Het is een soort organisch groeimodel, ik vertrek nooit vanuit een theorie of een dogma. In het Van Abbe is die wisselwerking duidelijk te zien, en dat is het wat de Tate mist. Ze wil te veel doen en mist daardoor van alles. In de collectie van Van Abbe zit een zekere consistentie die niet gepland maar gegroeid is. Dat is zoals postzegels verzamelen: 'Die postzegel mis ik nog.' Maar ook: 'Andorra doe ik niet.'

"Maar ik weet niet of mijn methode op de schaal van de Tate ook te handhaven is."

Zou u ervoor pleiten om de Tate-collectie Europeser te maken?

"Misschien moet er een verfijndere blik op Europa komen. Maar de Tate is het nationaal museum voor Britse kunst. Het is pas recent dat zij de Britse kunst niet langer willen isoleren, dat getuigde van een soort xenofobie die niet meer van deze tijd is. Maar blijft het een museum waarin de internationale kunst een context aanreikt? Of wordt het een museum voor internationale kunst? Dat zijn accentverschillen die richting geven aan het verzamelen.

"Serota weet ook dat ik een enorm netwerk heb in Engeland, ik heb veel Britse kunst verzameld, drie generaties lang. Toen ik assistent van Fuchs was, maakte ik tentoonstellingen van Richard Long tot Gilbert & George. Die generatie ken ik al twintig jaar en dat zijn vrienden geworden. Ik heb mijn eigen generatie leren kennen door te werken met Tony Craigg en Richard Deacon en op café te zitten met Bill Woodrow en Anish Kapoor. Dan ben ik fel in de jongere kunst gedoken met een Douglas Gordon, Fiona Banner en Georgina Starr. In die zin is het verzamelen van Britse kunst mijn natuurlijke biotoop, ik kom daar niet in een vreemde wereld.

"Toch ga ik een Brits perspectief moeten ontwikkelen. Volgende week opent er een Max Beckmann-tentoonstelling in de Tate. Hebben zij een Beckmann, kennen zij zijn context, hebben ze die context? Ik weet het niet. Ik zal dus nog veel moeten studeren. Want what you see is not always what you get. We zijn hier bijvoorbeeld aan het werk met de Belgische kunstenaar Didier Vermeiren. Ik zeg hem: 'Nu nog Engeland veroveren.' Blijkt dat de Tate drie grote beelden van Vermeiren bezit. Ik heb ze daar nog nooit gezien."

U verlaat Eindhoven met een tevreden gevoel, het museumis af.

"Ik ben uitermate tevreden over het gebouw. Het is de eerste keer dat ik het ensemble zie, ik kon het nooit opstellen. Ik zie nu ook dat het werkt. We hebben vier keer meer oppervlakte dan vroeger, maar we zaten ook al lange tijd niet meer in dit museum. Zeven jaar hebben we in een fabriekje gezeten dat ons door Philips werd aangeboden. Die industriële ruimte heeft wel wat veroorzaakt: je kon daar moeilijk met traditionele media werken of een schilderijententoonstelling opzetten. Rond 1994-'95 waren Van Warmerdam en Gordon de jonge leeuwen die werkten met film en video-installaties. Zij konden zo'n gebouw als inspiratiebron gebruiken. Oorspronkelijk had ik daar een pseudomuseum van gemaakt met zaaltjes en gangen. De laatste tentoonstelling was van Aernout Mik en toen waren de muren de tentoonstelling zelf, de ruimte was één grote installatie (hij tekent serpentineachtige lijnen op een plattegrond). In die ruimte ontstond werk dat nooit in een museum zou kunnen ontstaan.

"Door met die generatie te werken heb ik gevoeld dat de rol van het museum verschoof. Het museum moet zich continu kunnen aanpassen aan de behoeften van de actuele cultuur. Die generatie had minder behoefte aan het museum als reproducent van het afgewerkte product, maar meer als de producent zoals bij films. Het museum is niet de acteur, de scenarist of de regisseur, maar maakt het mogelijk om een idee te realiseren. En de kunstenaar wordt regisseur.

"Die opvattingen hebben geleid tot een wijziging van de eisen voor het nieuwe museumgebouw. De eerste poging om een gebouw neer te zetten was stukgelopen op juridische problemen. Voor de tweede poging ben ik opnieuw met architect Abel Cahen om de tafel gaan zitten. Ik heb gelukkig de architect zelf mogen kiezen, dat is uitzonderlijk. Daardoor is dat museum een maatpak geworden, geen confectie. De architectuur is nergens brutaal, en dat voelen de bezoekers. Het museum is 'juist'.

"De toren is een echt architecturaal gebaar dat niet dienend is maar dwingt tot reactie. Dat is de provocatie: hier kan kunst in situ gebeuren. Als het lukt is het kunstwerk specifiek voor Eindhoven en geeft het het museum zijn eigenheid. De studio beneden is daarentegen een fabriekshal, een schuur, een atelier. Daar kan een artist in residence rotzooien, hij stoort het publiek niet. Een kunstenaar die mij in het café wat tekent op een bierviltje moet daar meteen aan de slag kunnen en mij morgen het resultaat kunnen tonen. Tegelijk moet iemand er ook drie maanden in alle rust kunnen werken.

"Zo schept het museum arbeidsvoorwaarden, dat is zijn nieuwe rol. Het gaat niet alleen om de Picasso aan de muur. Als je dan ook nog je educatieve taak ter harte neemt en aan kunsthistorische research doet, zoals je in onze Lissitzky-afdeling kunt zien, heb je een echt postmodern museum. Van de pure l'art pour l'art van Jan Vercruysse tot het pure atelier van Jason Rhoades in de kelder tot de minutieuze presentatie van El Lissitzky. Dat is mijn credo. De meeste musea voor hedendaagse kunst tónen alleen maar werk, en op een nogal slordige manier als je het mij vraagt. Ze tónen alleen, maar eigenlijk begint het werk dan pas."

'De expositie gaat voorbij maar het kunstwerk blijft''Het museum schept arbeidsvoorwaarden voor de kunstenaar, dat is zijn nieuwe rol'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234