Dinsdag 13/04/2021

Het moet naar de ziel gaan. Anders heeft het geen zin

Goed theater is nooit intellectueel. De ware kunst draagt altijd de complexiteit van de wereld in zich, maar ze moet altijd helder blijvenMijn stukken zijn een poging tot eerherstel voor de gewone man. Het zijn correcties op het beeld van die arme sukkelaar in zijn uitzichtloze situatie

Ták. Als een boem paukenslag klapt Arne Sierens in de handen. Midden in de uitleg over zijn werkproces veert hij overeind uit zijn tuinstoel en creëert op het terras vanuit het niets een imaginaire speelvloer. "Acteurs moeten elkaar aftasten. Ook als mens. We weten dat we theater aan het maken zijn, zodra we op het speelvlak gaan staan. Dat is niet meer het werkelijke leven. Maar waarom staan wij hier nu samen op het toneel? Dat is de kwestie."

Waarom? In zijn laatste en verrassend 'kleine' voorstelling Altijd prijs beantwoordt Sierens de existentiële vraag door boven het nauwe speelvlak een balk te hangen. Als aan een circustrapeze trekken de twee acteurs er zich aan op. "Voor die voorstelling hebben we dagelijks anderhalf uur zwaar getraind op soepelheid en beweging", herinnert hij zich. "Puur om tot een fysieke, mannelijke taal te komen van twee jonge kerels die met hun voeten in de wereld staan." Het is niet verboden in die particuliere gymnastiek de universele worsteling te zien van de kleine man om de kop boven water te houden.

Of dat lukt, weet je in de voorstellingen van Sierens nooit helemaal zeker. Op het einde hobbelen zijn personages de bühne af zoals ze erop terechtkwamen. Dat ze overleven, moet volstaan als happy end. "Shakespeare laat op het einde van zijn tragedies graag minstens de helft van de cast sterven, maar wat heeft dat te maken met mijn leven? Moord en zelfmoord blijven de uitzondering. Hamlet is dood. Bon, wat moet je daarmee als publiek? Het gaat toch net om dat voortleven met de blutsen en de builen."

Mimi: 'Ge zijt ne slechte mens. Zegt ze.'

Gabriël: 'Elk verhaal heeft twee kanten.'

(Uit 'Maria eeuwigdurende bijstand')

De 'mens in zijn volstrekte onvolkomenheid' is het immer weerkerende studieobject van de kunstenaar Arne Sierens, sinds hij met Mouchette (1990) zijn eigen en volstrekt unieke theatertaal heeft ontwikkeld. "Mouchette was losjes geïnspireerd op de gelijknamige film van Robert Bresson. Het gaat over een meisje van veertien dat een oudere man ontmoet. In de film pleegt ze zelfmoord door van een helling het water in te rollen. Ik aanvaardde dat einde niet. Mijn personages laten zich niet zomaar naar de slachtbank leiden. Ze slepen zich van het ene accident naar het andere, maar op het einde vegen ze het stof van hun jasje en gaan ze weer voort met overleven. Het harnas rammelt aan alle kanten, het hele dorp bekijkt hen scheef, maar toch bewaren ze hun trots. Mijn personages zijn helden. Heiligen."

Het was zus Inge die Arne Sierens na enige omzwervingen op dat pad bracht. "Arne ging het in het begin te ver zoeken", zegt ze. "Zijn inspiratie ligt bij het oosterse theater, zoals het Japanse kabuki, dat erg door de vorm bepaald wordt. Hij heeft daar veel van opgestoken, maar hij was onderweg vergeten dat zijn verhalen dichter bij huis liggen. Ik heb hem daarop gewezen en daar is dan eerst Mouchette uit gekomen."

Nog altijd geldt Inge als de bewaarengel die als eerste alle stukken van broerlief keurt en corrigeert. "Als hij mij stukken laat lezen, dan wijs ik hem op de dingen die hij niet mag vergeten. Het werk van Arne wordt gedreven door de kleinmenselijke details, niet door de grote verhaallijnen", legt ze uit. "Mijn enige belang is dat ik Arne af en toe bij de les houd. Arne raast maar door, en dan durft hij weleens iets over het hoofd te zien. Ik ben dan zijn wake-up call."

Bijna twee decennia na Mouchette is Sierens uitgegroeid tot een van de geroemdste en alleszins populairste theatermakers van het land. Het hart van het grote en internationale publiek veroverde hij door samen met choreograaf Alain Platel het drieluik Moeder en kind, Bernadetje en Allemaal indiaan te creëren (1995-'99). De buitenlandse faam werd bevestigd met recenter ambitieus werk, zoals Maria eeuwigdurende bijstand (2004) en Trouwfeesten en processen (2006). Altijd prijs wordt deze zomer heropgevoerd in Oostende op het festival Theater aan Zee, waarvan Sierens gastcurator is.

Ondanks die publieke erkenning blijft Arne Sierens een outsider in de theaterwereld, een outcast welhaast. Een bewust gekozen positie, beklemtoont hij zelf. "Ik heb in de grote huizen gewerkt, heb twee jaar in de machine van Blauwe Maandag Compagnie van Luk Perceval meegedraaid. Ik ging daar dood. Ze dwingen je om binnen een format te werken en dat kan ik niet. Dat Duitse fabriekssysteem van zes à acht weken repeteren en produceren, ligt me niet. 'Improviseren?', vroegen ze dan verbaasd. 'Schrijf dat stuk toch gewoon op voorhand. Dat is veel simpeler voor iedereen.' Tja."

"Ik zit nu op het punt dat ik geen concessies meer doe. Als ik het noodzakelijk acht dat het publiek rond een circuspiste zit, zoals in Trouwfeesten en processen, dan voer ik dat uit, klaar. Daarmee maak ik het mezelf erg moeilijk. Niet om stoer te doen, maar om mezelf te dwingen te blijven nadenken over mijn theater. Als je het publiek rond de bühne plaatst, heeft dat een effect op de acteurs. Ze kunnen niet in een hoekje kruipen, want er is geen hoekje. Het dwingt tot eerlijkheid, want je kunt je niet verstoppen. Dat verplicht de spelers tot een zekere onbeholpenheid, een menselijkheid in de beweging."

Moedeloosheid is er anders wel, over de theatercommissies die hem al herhaaldelijk de vleugels knipten. Toen de overheid in 2005 de subsidies voor het DAS Theater halveerde, moest Sierens noodgedwongen alleen verder. Samen met zijn fetisjacteurs Johan Heldenbergh en Marijke Pinoy richtte hij Compagnie Cecilia op. Zijn artistieke vriendschap met compagnon Johan Dehollander liep erop stuk. "Ik kan mijn goesting doen, maar ik betaal er letterlijk een zware prijs voor", beseft Sierens. "De middelen van Compagnie Cecilia zijn zeer schaars. Geld maakt geld, ook in het theater. Ik ben wel gedwongen om de budgettaire implicaties van mijn plannen zelf te kunnen inschatten. Dat komt voort uit die schaarste. Natuurlijk is dat stresserend. We moeten met te weinig mensen te veel doen. Ooit komt er een punt waarop het dan breekt. Gelukkig kan ik altijd bouwen op mensen als Barbara Wyckmans van HetPaleis, die me al tien jaar blijft steunen."

Tussen Sierens en de officiële kunstinstanties is weinig wederzijdse liefde verloren gegaan. "De theaterwetenschappers, oh wat haten ze mij. Zijn vinden het allemaal wat simpel. Theater moet niet reflecteren, theater moet in vervoering brengen. Als ik naar het toneel ga, wil iets te weten komen over mezelf. Mij gaat het om het medeleven, mededogen. En dan moet het een beetje vooruitgaan. Het circusnummer met de paardjes moet ook geen twintig minuten duren. Mensen mogen dikke boeken schrijven of voorstellingen van zes uur maken. Maar als ik het slaapverwekkend vind, denk ik gewoon: 'Vat dat samen in een kwartier en dan kom ik nog weleens terug.'"

De provocatie wordt met een schelle schaterlach ondersteund. Sierens is punk geweest en is dat in zijn hart altijd een beetje gebleven. Niet meer als de in kostuum gestoken en matig getalenteerde zanger van het Gentse bandje Perfectone, die dweepte met de New Yorkse noise van The Ramones, Wire en Suicide, maar wel als kunstenaar with a cause. "Ik wil het theater definitief onttrekken aan de onderwijzers. Kunst veredelt? Pff, en waarom? De grote theatertempels zijn nog altijd niet vrij van elitarisme. Het blijft een gesloten circuit: 'Wij maken kunst en gij zijt te dom om dat te begrijpen.'

"Ik kan enorm genieten van Bach, maar Queens of the Stone Age staat ernaast in mijn platenkast. Bach is een genie, maar ik keer mijn rug niet naar de mensen die dat niet helemaal begrijpen. Het gaat mij niet om het anti-intellectualistische statement, wel om goed theater en slecht theater. Goed theater is nooit intellectueel. De ware kunst draagt altijd de complexiteit van de wereld in zich, maar ze moet altijd helder blijven. Moeilijke kunst bestaat niet. De veellagigheid kan complex zijn, maar de uiting is altijd simpel."

Nooit moeilijk, altijd complex. Zoals bij zijn vele voorbeelden, van wie Sierens het werk naar eigen zeggen als een spons opslorpt. Het happeningtheater van Tadeusz Kantor, maar evengoed films van Fellini, Pasolini, Fassbinder of werk van Van Gogh en Warhol. Met vuur betrekt hij ze in de verantwoording van zijn eigen oeuvre. "Andy Warhols zeefdrukken van Marilyn Monroe zijn niet moeilijk. De bloemen van Van Gogh zijn voor iedereen leesbaar. Daaronder zit een complexiteit van lagen en spanningen, maar ook als je aan het esthetische oppervlak blijft, kun je ervan genieten. Dat probeer ik ook te bereiken in mijn theater. Een kleuter moet naar een voorstelling komen kijken en zich amuseren met de kleuren en vormen. Wie dieper graaft, zal meer vinden. In de taal, in de constructie van de voorstelling. Het moet toucheren."

Het is die wijsheid die Sierens in het oosterse theater vond en die hem tegelijk tot bescheidenheid noopt. "De eenvoud blijft een betrachting, het is nooit zeker of je dat stadium bereikt. Een keer om de tien jaar lukt het misschien eens om alles perfect helder te krijgen. Daar moet je je aan verwarmen als kunstenaar. Maar ook het worstelen op zich is zeer ontroerend. De mislukking maakt deel uit van het kunstenaarschap."

Achter dat streven naar eenvoud schuilt ook een politieke kant, die teruggaat op de afkomst van de theatermaker. Arne Sierens werd 49 jaar geleden geboren in de Gentse volkswijk Brugse Poort in wat we vandaag zonder twijfel een 'problematische opvoedingssituatie' zouden noemen. "Ik kom uit een traumatisch gezin", vertelt hij. "Mijn vader was bankbediende, maar tegelijk ook schrijver en geobsedeerd bezig met film. Hij nam me elke vrijdag mee naar de cinema. Dankzij hem leerde ik als snotneus Antonioni en Kurosawa kennen. Mijn moeder leed aan een zware neurose, op de rand van het gewelddadige." Een merkwaardige combinatie, waarvan Sierens nu zelf de ironie enigszins inziet. "Ik heb de kunstcontext meegekregen en tegelijk de reden om kunst te maken. Vorm en inhoud kwamen samen in ons gezin."

Om het werk van Sierens te verklaren, wordt gretig naar die sociale context gegrepen. Het is een reductie waar de kunstenaar zelf enige moeite mee heeft. "Ik wil de Brugse Poort niet hercreëren op het toneel. Het is mijn ambitie om met mijn theater een koevoet te schuiven onder de realiteit, maar je kunt de twee nooit doen samenvallen. Je kunt een leven niet letterlijk vertalen naar de bühne, want je krijgt nooit al die nuances en complexiteiten verwoord. Die nuances en complexiteiten probeer ik te pakken op mijn manier. Ik ga net naast het cliché staan, naast het vooroordeel."

Maar het is wel die stank van de verpaupering, dat geluid van een tafel die door het raam van een volkscafé wordt gegooid die het vuur onder de artistieke woede van Sierens brandende houden. "Die koleire, dat revanchegevoel dat 'ons soort volk' ook theater kan maken, dat zit er bij mij wel in, ja. Ik maak politiek theater. Au fond gaat het over de manier waarop we onze samenleving inrichten. Daar plaats ik vraagtekens bij, of uitroeptekens. Koningen en goden interesseren mij niet. Mijn stukken zijn een poging tot eerherstel voor de gewone man. Het zijn correcties op het beeld van die arme sukkelaar in zijn uitzichtloze situatie. Ik rebelleer tegen het cliché van de nietsnut voor wie massaal veel sociale woningen gebouwd moeten worden en die door de RVA opgejaagd moet worden om werk te vinden.

"We creëren onze eigen reservaten. De buurt waar ik vandaan kom, blijft achtergesteld, ondanks alle pogingen tot stadsvernieuwing. Er ligt nu een laagje groen of paars op de deuren, maar onder die verf gaat vaak dezelfde ellende van vroeger schuil. Er is nog altijd meer tbc in de wijk dan gemiddeld, de tanden zijn er nog altijd slechter dan vroeger. Vroeger waren de armeluizen Belgen, nu zijn het Albanezen, Roemenen en Marokkanen." Of Sierens dan niet het gevoel krijgt dat hij zich actief politiek moet engageren? Ach, ooit ging hij weleens op een lijst voor de gemeenteraadsverkiezingen staan, maar de politiek of het sociale werk zijn niet zijn wapens. "Uiteindelijk ben ik toch een kunstenaar. Kunst kan de wereld redden, jawel. Daar moet je in blijven geloven.

"Mijn werk is een ode aan de mens die aan deze maatschappij de middelvinger durft te tonen, ondanks alle ellende. Laatst was ik op een braderie. Liep daar een kerel met een megafoon: 'Kom naar de tent van de RVA!' Ik dacht dat ik hem een peer op zijn muil zou verkopen. Het was daar dus wel een feest, hé. In de krant lees je ook alleen dat paternalistische perspectief. Arme mensen kunnen per definitie niet voor zichzelf zorgen. Hun kinderen móéten geplaatst worden."

Winnetoe (komt op met Thierry): Hij was gitaar aan 't spelen in ne café.

Max: ''t Is ne muzikant.'

Winnetoe: 'Hij is tien jaar. 't Is drieën.'

(Thierry probeert zijn moeder Yolande recht te trekken)

Yolande: 'Thierrietje is een beetje dom. En mama is soms beetje een slechte mama'

(Uit 'Trouwfeesten en processen')

Soms schuurt het leven zo dicht tegen de kunst aan dat de kunstenaar er zelf ongemakkelijk van wordt. In Trouwfeesten en processen speelt Marijke Pinoy een prostituee die haar kind tot 's nachts op straat laat lopen. Uitgerekend op het moment van de première worden in Luik de meisjes Stacy en Nathalie vermoord teruggevonden. Arne Sierens: "Dat was slikken. De realiteit overtroefde de fictie. Het regende beschuldigingen aan het adres van de 'slechte moeder' die haar kinderen op straat liet lopen terwijl ze zelf op café zat. Die spanning voelde je in de zaal. Alsof die moeder er iets aan kan doen dat er daar een killer rondloopt. Op elk dorpsfeest in Vlaanderen lopen er kinderen tot 's avonds laat alleen rond. Zullen we gelijk alle buurtfeesten afschaffen? Altijd weer dat vermanende vingertje van de burgerij naar de basse classe."

Het is een moreel oordeel dat Sierens niet wenst te vellen in zijn theaterwerk. Ter inspiratie woont hij weleens een assisenproces bij. "Niets is er zwart-wit, alles grijs en nuance. Net daar leer je dat er niet zoiets bestaat als het absoluut goede of kwade. Met de beste bedoelingen worden de gruwelijkste moorden gepleegd. Niemand is vrij van die gevoelens. Als je nog maar voor een computer zit die blokkeert, dan zou je die al een rammeling willen geven. Op een proces kijk je in het hart van de mens. Daar kan geen enkele oude Griek tegenop. Een man kan tegelijk vader, broer, vriend en verkrachter zijn. Die oerelementen komen telkens terug."

Vader, moeder, kind en de miserie daartussen. Het oergezin blijkt telkens weer de afbrokkelende hoeksteen van zijn werk. Telkens weer komt Sierens uit bij wat hijzelf zijn 'stansvorm' noemt, zijn clan. Meer dan de culturele bagage die hij van zijn vader Frans meekreeg, speelt daar het trauma van de neurotische moeder op. "Elk stuk is toch weer een gevecht met mijn verleden en mijn afkomst, mijn trauma's en mijn demonen. Beschouw het als exorcisme. Er zit een wonde in mijn hoofd die permanent om genezing vraagt. Dat is mijn animale, intuïtieve kant."

Bij het overlijden van zijn moeder kwam dat allemaal in verhevigde vorm naar boven. Toen is er zelfs even professionele hulp aan te pas gekomen. "Theater is de plek waar het onmogelijke mogelijk wordt. Wat ik in de realiteit niet rondgedraaid krijg, lukt me daar wel. De moeilijke relatie met mijn moeder kan ik op het toneel een juiste plaats geven, in het ware leven valt me dat veel lastiger. In die zin is mijn werk therapeutisch." Een onverwachte aarzeling onderbreekt de monoloog. "Dat helpt. Soms. En als het mij niet helpt, hoop ik dat andere mensen in het publiek er wat aan hebben. Er zijn mensen die speciaal daarom komen kijken. Theater als een vorm van bezwering."

De nestwarmte die hij als kind soms vergeefs zocht, geeft hij graag voluit aan zijn acteurs. Niet toevallig werkt Sierens bij voorkeur met een kleine groep getrouwen. Zoals decorontwerper Guido Vrolix of de acteurs Marijke Pinoy, Johan Heldenbergh en Titus De Vooght. Allen delen ze diezelfde enigszins typisch Gentse liefde voor het volkse, waarin het absurde naadloos aan het schrijnende wordt gelast. "Zij kennen mijn obsessies", lacht Sierens. "Ik vraag veel van hen. Vijf maanden repeteren en dan nog eens honderd tot honderdvijftig voorstellingen spelen. Elke avond moeten ze opnieuw dat gevecht aangaan. We werken met tekens die interessant blijven om honderd keer te vertellen. Er moet altijd een factor drijfzand in het verhaal blijven zitten. Soms zit het er pas na de vijftigste keer boenk op."

Alleen zeer goede acteurs wagen zich zo ver van het begane pad. Al werkt Sierens evengoed met amateurs, kinderen en zelfs met een hond, zoals in Mijn Blackie (1998). "Bij mij mag je alles doen wat in je opkomt, je wordt daar niet op afgerekend. Maar op het einde van de rit ben ik de baas. Ik lever het verhaal en de acteurs mogen dat inkleuren en veranderen zoals zij het voelen. Ik krijg mijn verhaal altijd wel verteld. Als een Van Gogh bloemen aan het schilderen is en zijn gele verf is op, dan schildert hij toch gewoon blauwe bloemen?

"Je speelt een spel met je acteurs. Zoals een kind met een clownsmasker op plots alles durft, zo spreek je ook met je acteurs af dat alle verantwoordelijkheid bij het personage ligt. Niet de acteur is de gek, het is zijn masker. Het blijft een schizofrene situatie, want natuurlijk zit er achter dat masker een mens van vlees en bloed. Als Johan Heldenbergh een scène speelt, herken ik zijn vader daarin, maar ik ga hem daar niet op wijzen. Waar eindigt dat vaderportret en begint de fictie? Ik weet dat niet en ik wil dat niet weten. Wat telt, is dat je uiteindelijk het schild laat zakken, dat je na vier dagen wroeten plots die diepte vindt in jezelf. (lacht) Dan zit je op een therapeutische doorbraak."

Het pantser dat afgelegd wordt. Telkens weer werkt Sierens met zijn acteurs naar dat ene magische moment. "Het moet naar de ziel gaan. Anders heeft het geen zin. Dat is de maatstaf." Gemiddeld werkt Sierens vijf maanden aan een productie. "Op dag één leg ik films, boeken, krantenknipsels en een werkboek van dertig à veertig bladzijden vol losse schetsen op tafel. Daarop laat ik de acteurs improviseren. Met de dag ontstaat er zo een omkadering, een vernauwing naar het verhaal dat ik wil vertellen."

Het is de tactiek van de omtrekkende beweging. "Ik geef opdrachten, maar nooit resultaatgericht. We proberen intuïtief te werken, emotioneel. Die emotie kan liggen in een beweging, een houding in de ruimte of een zin die plots bovenkomt. Negen op de tien keren lukt dat niet, maar het is voor die tiende keer dat je het doet. Stapje per stapje komen we dan toch bij dat ene beeld dat aan je hart schuurt. Het moment waarop iedereen zegt: 'Fuck, wat was dat?'."

Het resultaat van de improvisaties verdwijnt in een dik zwart boek, waaruit de theatermaker zijn 'dramatisch verslag' distilleert. Een losse dialoog wordt een volwaardige scène, en scène na scène borrelt zo het verhaal op. De stukken - Sierens spreekt graag over "partituren" - lijken losjes gecomponeerd, maar ze vergen een enorme vormbeheersing en theatraal bewustzijn. Die verraderlijke eenvoud in taal en onderwerpskeuze deelt Sierens met literaire geestesgenoten als Louis Paul Boon, Gerard Walschap of recenter Dimitri Verhulst. "De helaasheid der dingen uit het leven gegrepen? Allicht wel", zegt Sierens met bewondering. "Maar om dat in een boek te krijgen moet je romantechnisch stuntwerk verrichten.

"Wij delen de neus voor een bepaald soort verhalen, die de onmogelijke samenloop van het echte leven in zich dragen. Vader zijn en het niet willen zijn. Een dochter die als een geslagen hondje toch achter je aan blijft lopen. Het is een voortdurend dansen van het universele met het specifieke. Zoals Márquez zegt: 'Hoe provincialer je bent, des te universeler word je in je kunst.' Als ik een beweging uit een film van Fellini naar Ledeberg wil verplaatsen, dan verhuist die context mee. Figuur en context zijn onlosmakelijk verbonden. Als ik een personage creëer, wil ik weten in welke straat hij loopt, welke muziek hij thuis speelt."

Bijna als een journalist doet Sierens aan research. In de rechtbank, maar evengoed bij de brandweer of in een boksclub. Om de relatie tussen de personage en haar dochter uit te klaren in Maria eeuwigdurende bijstand trok Sierens met actrice Marijke Pinoy naar een jeugdrechter. "We nemen die interviews niet op. Het draait om de grondtoon, het aroma, niet om de exacte woorden. We blijven tenslotte de narren in het kasteel, de clowns in het circus van emoties en wanhoop. Wij zijn de atleten van het hart. Maar net om de clown te kunnen uithangen, moet je hard trainen."

Sierens is er zich van bewust dat een kunstenaar-researcher al gauw ook een voyeur wordt. Een wereld wordt te kijk gezet. "Ik vind het heerlijk als er een foute reactie komt uit de zaal. Ik creëer geen meelijwekkende personages. Ze lachen met hun eigen ellende en dus mag het publiek meelachen. Het tragische zit ingebakken in het komische en omgekeerd. Mensen willen die miserie niet zien en toch blijven ze gefascineerd kijken. Mijn stukken zijn nu eenmaal stoompannen van emoties. Het publiek weet niet goed hoe zich te houden omdat het rechtstreeks aangesproken wordt. Het is mijn manier om de vierde wand op te heffen die de voorkant van de speelvloer scheidt van het publiek."

Ook daarom blijft Sierens liever weg uit het reguliere theatercircuit. Hij laat de bühne ombouwen tot een autoscooterarena (Bernadetje), een circusvlak (Trouwfeesten en processen) of een ijspiste (Maria eeuwigdurende bijstand). "Je bent dan verplicht om elders te gaan spelen. Geen grote zalen meer, geen associatie met schouwburgen, maar een ijspiste in een hangar met het publiek daar aan weerszijden rond. De eerste conventie is dat we niet gaan doen alsof het theater is en dat iedereen stijf en stil moet zitten. De mensen moeten op hun gemak zijn."

Er zo kunnen de demonen soms in een theaterzeteltje kruipen. "Als ik in een theaterzaal de speelvloer gelijkmaak aan het zaalniveau doorbreek ik bijna letterlijk een drempel. Toen we het Nieuwpoorttheater verbouwden, wilde ik expliciet geen stoelen in de zaal. Doe mij maar een oplopende zaal met betonnen trappen, zoals in een arena voor stierengevechten. Als er dan jonge gasten van zestien binnenkomen, kunnen ze gaan zitten zoals ze willen. Nu hebben ze in het Nieuwpoort toch stoelen gezet. Een moord op die zaal!

"Als er nog twintig man stond aan te schuiven kon je vroeger iedereen wat laten opschuiven. Zo creëer je de verbondenheid van een groep, zoals kinderen die knus tegen elkaar aan naar de poppenkast zitten te kijken. In de grote barakken met pluchen zetels krijg je nooit dat gevoel. Als ik daar kom, heb ik altijd het gevoel in een gevangenis binnen te treden. Kunst blaast er zichzelf op als een kikker. Rond mijn kunst geen prikkeldraad of bewakers. De theatermaker is de nar, niet de machthebber."

Een fijn lachje volgt als we de theatermaker wijzen op een bijzondere paradox in zijn werk. Hij, de man die zo graag de muurtjes tussen kunst en publiek afbreekt, is ook de man die graag muurtjes bouwt in zijn voorstellingen. Letterlijk dan, zoals de haag in Meiskes en Jongens (2005) of het betonnen muurtje in Mijn Blackie. Het is een kwestie van suggestie. "Als een personage vanachter een muurtje komt, wil het publiek weten wat er in godsnaam achter dat muurtje zit. Het niet tonen is spannender dan het tonen."

Tadeusz Kantor, het grote Poolse voorbeeld van Sierens, had daar een mooi beeld bij. "Neem een grootmoeder en een stoel op het toneel. Welke stoel? Een rode stoel? Een Ikeastoel? Ha nee, denkt het publiek dan, want mijn grootmoeder had zo geen stoel. De kunst is om een stoel te vinden die zo 'niets' is dat iedereen meteen denkt dat het de stoel van zijn grootmoeder is. Het is telkens opnieuw streven naar de 'nulstoel'. Die stoel, dat is de naakte grijze betonnen muur in Mijn Blackie. We hebben er dan een lege bierton bij geplaatst. In die ton zit het hele verhaal, want ineens wordt die muur de koer van een café. Je krijgt meteen de geur van verschaald bier in je neus, je voelt dat er gedronken, gefeest en uiteindelijk gevochten zal worden.

"Je moet de conventies van theater verschalken om tot beter theater te komen. Als ik mijn acteurs over een ijspiste stuur, zie je geen acteurs meer maar je buurvrouw die in de winter wegglijdt op straat. Zo kom je tot bewegingen die niets met theater te maken hebben, maar alles met de mens. Tegelijk is het puur theater. Want om zo'n ijspiste te leggen moet je met een halve fabriek op pad zijn, om water op het speelvlak te spuiten en dat 36 uur de tijd te geven om te bevriezen tot 8 centimeter. Laat daar dan wit tl-licht op schijnen en it's magic. Het is visionair realisme. Het overstijgt de werkelijkheid, de beijzelde stoep voor je eigen deur. Dat is het verslavende aan kunst: je maakt iets wat er tevoren nog niet was."

Estelle: 'Ge had altijd een zonnebril aan. Ik vroeg u dat: 'Waarvoor heb je die aan?' Ge zei dat je niet tegen de sneeuw kost. D'r lag geen sneeuw.'

Max: 'Dat waren dan de laatste stuiptrekkingen.'

Estelle: ''k Peinsde als kind: 't Gaat voorzekers subiet sneeuwen.'

(Uit 'Trouwfeesten en processen')

www.compagnie-cecilia.be

Arne Sierens is gastcurator van Theater Aan Zee, van 31 juli tot 9 augustus in Oostende.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234