Zaterdag 31/07/2021

Het miskende oeuvre van een banneling

Jacques-Louis David, een van de centrale figuren in de expositie 'Brussel, kruispunt van culturen'

Vanaf het begin van de 19de eeuw vonden vele buitenlanders, onder wie tal van intellectuelen en kunstenaars, in Brussel een toevluchtsoord. Zij hebben de ontwikkeling van de Belgische kunst diepgaand beïnvloed. De Europalia-tentoonstelling in het Paleis voor Schone Kunsten, Brussel, kruispunt van culturen, overloopt tweehonderd jaar Belgische cultuurgeschiedenis met het vizier op de hoofdstad gericht. De expositie nodigt echter tegelijk uit om heerlijk te verdwalen in de anekdotiek. We bleven steken in de periode dat Jacques-Louis David hier woonde. Sinds enkele jaren geniet het Brusselse oeuvre van deze beroemde Franse schilder een herwaardering.

Het maakt de kunstgeschiedenis een stuk boeiender als je ze in de context van de tijd en de plaats van ontstaan kunt bekijken. Dat is wat de Europalia-expositie Brussel, een kruispunt van culturen doet. De bezoeker krijgt de mogelijkheid om zich in te leven in de omstandigheden waarin de gepresenteerde kunstwerken tot stand kwamen. In de door architect Koen Vansynghel bedachte opstelling kun je voortdurend verbanden leggen tussen de schilderijen en beelden aan de ene kant en, in de binnenbochten van dat parcours, allerhande documenten en kleinere objecten in vitrinekasten die een summiere kroniek vormen van het artistieke leven in Brussel.

Zeker tot omstreeks 1880 ontvangt het Brusselse kunstmilieu vooral impulsen die van buitenaf komen, vooral dan van Franse en Duitse kunstenaars, filosofen en schrijvers. Sommige ballingen komen alleen buiten om bij de bakker om de hoek een brood te kopen, en spelen geen rol in het sociale en artistieke leven in Brussel. Zo gaat dat nu eenmaal. Anderen daarentegen, zoals Jacques-Louis David, geraken al snel verweven in een netwerk van artistieke contacten. David, een van de befaamdste schilders van het Franse keizerrijk, moet Parijs ontvluchten tijdens de zogenaamde restauratie na de val van het keizerrijk (1814-'15). Hij vestigt zich in 1816 te Brussel, dat in plaats van de hoofdstad van het departement van de Dijle, samen met Den Haag de hoofdstad van het Koninkrijk der Nederlanden is geworden. Vele diplomaten, alsook de kroonprins, geven de voorkeur aan Brussel boven het wat stijvere Den Haag. De stad staat in de steigers en krijgt geleidelijk een neoclassicistisch uitzicht. David heeft het in Brussel best naar zijn zin en zal er blijven wonen tot zijn dood in 1825. In 1817 slaat de 69-jarige balling de uitnodiging van de Franse regering af om terug te keren naar Parijs en ook de aanlokkelijke aanbieding uit Pruisen om zich in Berlijn te vestigen negeert hij. De schilder kan in Brussel vele Franse vrienden ontvangen en de nieuwtjes over de ontwikkelingen in Parijs verspreiden zich bijna even snel in de Brusselse salons als in de Franse hoofdstad zelf. De Belgische schilder François-Joseph Navez behoort tot de artistieke vriendenkring van de kunstenaar die met doeken als De dood van Marat en De Sabijnse maagden onsterfelijkheid verwierf. De begaafde Navez is in 1813 bij David in Parijs in opleiding geweest en wordt bij het weerzien in Brussel een vaste gesprekspartner, met wie zijn vroegere leermeester van gedachten wisselt over zijn esthetische oplossingen. Want hoewel ons bevoordeelde oog daar meestal blind voor blijft, betoont deze academische, neoclassicistische schilder toch een drang tot vernieuwing in de uitwerking van zijn historiestukken. Een van die kleinere historiestukken die hij in Brussel borstelde, De woede van Achilles (1819), en het kort voor zijn dood voltooide Mars ontwapend door Venus en de Gratiën (1824), maakt nu ook deel uit van de expositie in het Paleis voor Schone Kunsten. Over het eerste werk schreef mevrouw David, die de gewoonte had de werken van haar man in haar correspondentie te becommentariëren: "De gelaatsuitdrukkingen zijn van een onbeschrijfelijke schoonheid, het gezicht van Clytaemnestra drukt op ongemeen mooie wijze tegelijk de angst en de hoop uit." Wat ze niet vermeldt is dat de afgebeelde personen operazangers en acteurs van de Muntschouwburg zijn. Misschien acht ze de associatie met de opera niet opportuun, aangezien het de bedoeling van de schilder is om in zijn uitbeelding van mythologische thema's waarachtige gevoelens tot uitdrukking te brengen. David woont achter de Munt en is goed bevriend met acteur-directeur Claude Wolf en de Franse steracteur Talma. De door Napoleon erg bewonderde Talma komt in 1820, na verschillende gastoptredens in Brussel, vast in dienst bij de Muntschouwburg. Door deze relaties heeft de schilder gemakkelijk toegang tot het gezelschap, waar hij het levend materiaal voor zijn mythologische composities zoekt. Het repertoire in de Muntschouwburg bestaat in die periode grotendeels uit de gezongen en gesproken stukken die in de Parijse schouwburgen opgeld doen. Hoewel onder het bewind van Willem I ook Hollandse en Engelse gezelschappen het Brusselse Grand Théâtre aandoen, kunnen ze het Brusselse publiek niet bekoren. Niet toevallig is het een romantische opera uit Parijs van de Franse toondichter Auber, De stomme van Portici, die het vuur aan de lont steekt en uiteindelijk leidt tot de Belgische onafhankelijkheid. Op die manier wordt de Munt een symbool van de Belgische nationale identiteit. Het zijn trouwens twee personeelsleden van de Munt, François van Campenhout en de Fransman Louis Dechez, die de Brabançonne schrijven.

Het oeuvre dat Jacques-Louis David in Brussel realiseerde, wordt in de meeste naslagwerken als eerder middelmatig afgedaan. Die stiefmoederlijke behandeling blijkt ook in de catalogus van de expositie De David à Delacroix uit 1974, waarin uit Davids Brusselse productie alleen Mars ontwapend door Venus en de Gratiën is opgenomen. Door de belangstelling die Britse en Amerikaanse musea de laatste jaren aan de dag leggen voor David, is in de visie op het werk van de oudere schilder langzaam een kentering gekomen. Zo betaalde de Londense National Gallery in 1994 bijna 190 miljoen frank voor het portret van burggravin Vilain XIIII, dat in 1816-'17 in Brussel werd geschilderd. Dat uitgerekend deze burggravin door David werd geportretteerd, met haar vijfjarig dochtertje, is niet verwonderlijk. Burggraaf Philippe Vilain XIIII was Napoleon erg genegen en werd in 1811 door hem in de adelstand verheven. Zijn vrouw, de Oostenrijkse Sofie Zoë, barones van Feltz, werd in 1780 in Brussel geboren. Zij was hofdame van de Franse keizerin Marie-Louise en hield Napoleons zoon, 'de koning van Rome', boven de doopvont.

Er zijn enkele brieven bewaard gebleven waarin de burggravin zich beklaagt over het urenlange poseren, uitgedost in rijkelijke gewaden, "alleen maar om mijn haar te schilderen". "Ik opperde dat het een gril van hem was om me daarvoor te laten kleden, maar hij hield vol dat het nodig was voor het algemene effect." De veeleisende David maakt het, ondanks zijn gevorderde leeftijd, ook zichzelf niet gemakkelijk. "Ik werk alsof ik nog dertig ben," zo schrijft hij kort voor zijn zeventigste verjaardag aan Antoine-Jean Gros, "ik hou nog evenveel van mijn kunst als toen ik zestien was, en, mijn waarde vriend, ik zal sterven met het penseel in de hand." Het portret van burggravin Vilain XIIII met haar dochtertje is in Brussel niet te zien. Het portret van graaf Henri-Amédée de Turenne, dat omstreeks dezelfde tijd tot stand kwam, is wel uit een Amerikaanse verzameling naar het PSK overgebracht. In de periode dat David aan deze portretten werkt, wordt hij zelf vereeuwigd door Navez. Als je dit portret vergelijkt met de gipsen buste die de Franse beeldhouwer François Rude van David maakte, dan moet je concluderen dat Navez niet goed heeft gekeken. In tegenstelling tot Navez heeft Rude geen moeite gedaan om de scheve kaak van de Franse meester te verdoezelen. Mogelijk is dit 'oneerbiedig' realisme te verklaren door het feit dat Jacques-Louis David al overleden was toen Rude deze buste in 1826 modelleerde. Interessant is evenwel ook dat François Rude en zijn echtgenote Sophie Frémiet, die als Franse ballingen aanvankelijk tot de vriendenkring van David behoorden, in onmin met de schilder raakten. De schilderes Frémiet maakte nog tijdens het leven van de meester een portret van Munt-directeur Wolf, dat ze met de naam van David ondertekende. In L'Oracle werd melding gemaakt van de vervalsing in een niet-ondertekend bericht. De aanklacht van het bedrog van Frémiet, die als een wat zielloze volgelinge van David kan worden beschouwd, werd nooit tegengesproken. Toch gaf de familie van David na diens overlijden Rude de opdracht een buste van de schilder te vervaardigen.

Behalve Frémiet had David in Brussel nog meer volgelingen. Afgezien van Navez en Joseph Paelink geeft de kring van schilders rond Jacques-Louis David echter geen Belgische kunstenaars voortgebracht die de middelmaat overstijgen.

Behalve beeldende kunstenaars spoelen in Brussel vanaf het begin van de 19de eeuw ook veel Franse schrijvers aan. Zij komen in de zuidelijke hoofdstad van het Koninkrijk der Nederlanden, waarvan de verfransing op dat moment is begonnen, niet in een literaire woestijn terecht. Aan de bedrijvigheid van uitgevers en boekhandelaars in Brussel hangt echter wel een kwalijk geurtje. Vele uitgaven die hier van de persen rollen zijn immers goedkope piratenuitgaven waar de schrijver zelf geen frank aan verdient. De clandestiene oplagen worden stiekem in heel Europa verkocht en hebben ongetwijfeld bijgedragen tot de faam van sommige Franse schrijvers die in eigen land kampen met de beperkingen die in de uitgeverssector van kracht zijn.

Sommige figuren uit het Brusselse boekencircuit gaan erg ver in hun piratenpraktijken. Zo laat de Brusselse boekhandelaar Meline uit een Parijs drukkersatelier de onverbeterde proeven stelen van Voyage en Orient van Alphonse de Lamartine, zodat hij het boek nog voor het verschijnen van de originele versie op de markt kan brengen. Deze praktijken zijn eigenlijk uitwassen van het beleid van koning Willem I. Volgens hem zijn intellectuele werken het gemeenschappelijk bezit van alle naties, zodat hij de reproductie ervan vrijlaat. Onder de vele piratenedities die vanuit Brussel worden verspreid, bevinden zich werken van grote Franse schrijvers zoals Honoré de Balzac, maar evengoed boeken van moderne Engelse schrijvers, onzedige en libertijnse teksten en politieke pamfletten. Na de Belgische onafhankelijkheid in 1830 zal de piraterij, onder druk van de Franse overheid, langzaam afnemen. Toch getuigen ook de reguliere Brusselse uitgevers, zoals Paul Vogler, van een in andere landen ongeziene durf. Vogler toont zich in 1847 bereid om, op kosten van de auteur, La Philosophie de la Misère van Karl Marx uit te geven. De Duitse filosoof, die ongeveer drie jaar in Brussel verblijft - de geboorte van zijn eerste zoon Edgar staat opgetekend in het register van de gemeente Elsene -, reageert met dit geschrift tegen het eerder dat jaar eveneens door Vogler uitgegeven boekwerk van de anarcho-socialistische denker Pierre-Joseph Proudhon, Misère de la Philosophie. Op de persen van dezelfde uitgever wordt trouwens ook het revolutionaire Duitse dagblad Deutsche Brüsseler Zeitung gedrukt. Friedrich Engels en Karl Marx zijn de bezielers van de krant die in januari 1848, ongeveer een jaar na de verschijning van het eerste nummer, wordt opgedoekt. Wellicht hadden beide heren het te druk met het schrijven van Het communistisch manifest in de herberg La Cygne op de Brusselse Grote Markt. 1848 is tevens een jaar van sociale onrust in Frankrijk en de rest van Europa, wat een nieuwe golf van schrijvers en kunstenaars naar Brussel stuwt. Dat zal de artistieke dynamiek in de stad een nieuwe impuls geven, die in de tweede helft van de eeuw ook vele Nederlandse schilders aantrekt. Aanvankelijk beschouwen de Franse kunstenaars Brussel nog als een doordrukje van Parijs, maar stilaan krijgt het artistieke leven hier een eigen gezicht. Ook de Muntschouwburg draagt daartoe bij met de programmering van onder andere de opera's van Wagner die, vanwege de Frans-Duitse vijandigheid, in Parijs niet welkom zijn. Veel gegevens die in dit stuk verwerkt zijn, kan de aandachtige bezoeker opvissen in summiere formuleringen in de eerste zaal van de expositie Brussel, kruispunt van culturen. De boeiende kroniek loopt in de expositie door met de aanwezigheid van de plein air-schilders op de salons, de belangrijke contacten van Courbet, enzovoort. Op een bepaald ogenblik in het tentoonstellingsparcours, vanaf het naoorlogse gedeelte, droogt de informatiestroom echter op. Er is een breuk met de wetenschappelijke ernst die het tentoonstellingsgedeelte over de negentiende eeuw kenmerkt. Naarmate we dichter bij vandaag komen verliest het concept van de tentoonstelling weliswaar wat van zijn betekenis. Door de toegenomen mobiliteit, de verhoogde tentoonstellingsactiviteit en de opkomst van internationale kunsttijdschriften, zijn de invloeden die kunstenaars ondergaan minder gebonden aan een welbepaalde geografische plaats. Niettemin wekt het laatste gedeelte van de tentoonstelling tevens de indruk dat Europalia de kunst van de laatste vijftig jaar minder au sérieux neemt. Het is jammer dat deze boeiende tentoonstelling de aansluiting met de actualiteit in Brussel gemist heeft.

Brussel, kruispunt van culturen, tot 5 november in het PSK, Ravensteinstraat 23 in Brussel. Alle dagen geopend van 10 tot 18 uur (woensdag tot 21 uur). Toegang: 300 frank.

Sophie Frémiet ondertekende dit portret van Wolf, directeur van de Muntschouwburg, met 'David'

'De woede van Achilles' (1819), van Jacques-Louis David.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234