Woensdag 26/01/2022

Het mes in de lade

Het heeft iets amusants en deprimerends tegelijk: te zien hoe een cliché dichter bij de werkelijkheid aansluit dan je zou willen. Het maakt van een bezoek aan de Salzburger Festspiele een schoolreisje met een bittere nasmaak, het gevolg van te veel kitsch in te korte tijd. Met de woorden van Ten Oorlog-regisseur Luk Perceval: 'Ik wist dat het erg was, maar zó erg...' Welkom in Oostenrijk, het land waar onder impuls van Gerard Mortier de rijke conservatieven het vuur na aan de schenen wordt gelegd in hun geliefde schouwburgen. Breekt er volgend jaar eindelijk een oorlog uit in Salzburg?

Steven Heene

Excuse me, are you the assistant of Peter Sellars?" Een Amerikaanse met een ouderwetse strohoed kijkt me vragend aan van achter haar donkere brilglazen. We staan op enkele meters van de lift naar het Pressebüro, waar ik zonet een stapeltje nuttige en (nog veel meer) overbodige informatie over de Salzburger Festspiele kreeg. Het is vrijdagmiddag halfdrie, zo'n dertig graden en naar Oostenrijkse maatstaven uitzonderlijk warm. Neen mevrouw, ik ben journalist, u verwart mij wellicht met Jan Goossens, een landgenoot. Teleurgesteld druipt de dame af, terug naar de schaduw van het aanpalende Toscaninihof. Is ze een bewonderaarster van Sellars? Op de Festspiele weet je maar nooit: hier worden internationale grootheden uit de culturele sector met de regelmaat van een Zwitserse klok uitgejouwd, een gevolg van het contrast tussen de in smoking en Lederhosen gestoken normen en de vernieuwing die onder impuls van artistiek directeur Gerard Mortier langzaam doorsijpelt - een moedige politiek die aan de oorsprong ligt van mijn verblijf.

Ook dezer dagen in Salzburg te gast zijn regisseur Luk Perceval, zijn Nederlandse vriendin en actrice Ariane van Vliet en acteur Jan Decleir. Hun reisbestemming is het bureau van de Künstlerischer Leiter Mortier, de plaats waar morgenvoormiddag een contract wordt getekend voor een samenwerking tussen Het Toneelhuis uit Antwerpen, het Deutsches Schauspielhaus uit Hamburg en de Salzburger Festspiele. Samen coproduceren zij een Duitstalige versie van Ten Oorlog die volgende zomer (op 25 juli) hier in première gaat en die misschien Endlich Krieg! zal heten. Misschien, want hoewel Mortier sterk aandringt op deze voor het Duitstalige publiek behoorlijk controversiële titel, gaan Perceval en hertaler Tom Lanoye daar niet helemaal mee akkoord. In afwachting geeft Mortier blijk van zijn bekende ondernemingsgeest: op de folders voor de Festspiele van 1999 prijkt al Endlich Krieg! met een korte toelichting over de Shakespeare-interpretatie van Perceval en Lanoye: 'Zwölf Stunden braucht Luk Perceval für seinen genialen, packenden Schnelldurchlauf durch die Theatergeschichte.' Daarnaast een afbeelding van een gebalde vuist die zich een weg bokst door een massieve muur. Cis Bierinckx, productieleider op de Festspiele en rechterhand van Mortier, kan een glimlach niet onderdrukken: "Gerard is vastbesloten het de conservatieve elite op het festival niet gemakkelijk te maken. Endlich Krieg! is daarvoor een gepaste titel en sluit bovendien als kreet perfect aan bij Ten Oorlog."

In dit sprookjesachtige dal rond de rivier de Salzach, waar je nog elke dag The Sound of Music Show kunt meemaken (voor 560 shilling aangevuld met een Sound of Music-menu en een video over de échte Maria von Trapp), zal de oorlogskreet van Perceval en co inderdaad een ander soort echo opwekken, dat lijdt geen twijfel. De Vlaamse bewerking van de koningsdrama's lijkt nu al het buitenbeentje van de Festspiele '99, tussen Doktor Faust van Busoni, Don Carlo van Verdi, Die Zauberflöte en Don Giovanni van Mozart, het muzikale genie dat ooit als baby in Salzburg in slaap werd gewiegd. Dat laatste wordt overigens verheerlijkt tot in de plaatselijke snackbar toe. Om de frappantste voorbeelden te geven: voor een broodje met Mozartrella-kaas (sic) kun je terecht in een van de steegjes rond Mozarts geboortehuis; voor de zoetekauwen is er behalve de beroemde Mozartkügel (een bolronde combinatie van chocolade en marsepein) de coupe Zauberflöte, een giftig uitziende ijsbeker met blauwe curaçao (!) als een van de ingrediënten. Het is een ontdekking die ik doe op de Mozart Platz, en ik had het kunnen weten, want naderhand blijk ik, het stapeltje festivalinformatie nog steeds onder de arm, beschutting tegen de middaghitte te hebben gezocht in café Glockenspiel, waar 's avonds de bekendste operetteliederen vrolijke meestampversies krijgen op viool en piano. Om het Oostenrijkse plaatje compleet te maken: de diensters dragen hier nylonkousen en Birkenstocks, de sandalen die elke elegantie van de voet vakkundig verpletteren.

Voor Decleir blijven deze nationale schoonheidsidealen voorlopig verborgen: hij komt net van filmopnamen op het eiland Molokaï en heeft een jetlag van jewelste, na een vlucht via de Verenigde Staten die meer dan twintig uur in beslag nam. Op Molokaï speelt Decleir een rol in Father Damien, of het verhaal van pater Damiaan zoals regisseur Paul Cox het in beeld wil brengen. Decleir heeft naar eigen zeggen vragen bij de kwaliteiten van het script, vertelt met loden oogleden over de "Babylonische spraakverwarring" die er in de multicontinentale filmcrew heerste en beschrijft zijn vuurdoop als piloot van een sportvliegtuigje. In het hotel dooft het vuur in onze verteller snel, en we spreken af om 's avonds opnieuw te verzamelen. Dan ook staat de eerste festivalvoorstelling op ons programma: Soon van de Amerikaanse filmregisseur Hal Hartley. Op uitnodiging van de Festspiele maakte Hartley zijn debuut in het theater - een voorstelling die wordt gespeeld in Hallein, enkele kilometers buiten Salzburg. De zaal heet Perner-Insel en is nog maar een recent onderdeel van het festival; volgend jaar staat Decleir hier op de planken als Richard III en luisteren Oostenrijkers, Duitsers en Italianen naar een doorwrocht epos over families en bloedbanden - Slachten zoals de productie misschien zal heten. Perceval: "Dat woord heeft de twee betekenissen: geslachten en slachten. Maar we denken ook aan Für Gott und Vaterland of aan Wir brauchen Lebensraum."

In afwachting kan gerust worden gesteld dat het twee uur durende Soon minstens zo lang lijkt als een hele dag theater. De voorstelling die volgens Hartley "vrijelijk is gebaseerd op de geschiedenis van het Christelijke Apocalyptische Evangelisme in de Verenigde Staten", bevat in werkelijkheid teleurstellend weinig diepgang, een constatatie die vroeg kan worden gemaakt en die gaandeweg leidt tot irritatie, naarmate de vrouwen en mannen op het podium voor de zoveelste keer een pose aannemen met een staafmicrofoon. Hartleys waterige motiefje bestaat erin de personages telkens een andere interpretatie van de bijbel te laten ontdekken, maar zijn humor tussen de regels is flauw en het wachten op de ondergang van de wereld sleept veel te lang aan. Laat maar komen die Ruiters van de Apocalyps, lijkt ook een groot deel van het publiek te denken, waarbij mijn buurvrouw een gezicht opzet alsof ze weigert zich nog langer te spiegelen in deze cynische plas dieetcola - the choice of the wrong generation.

"Boe!" "Boeoe!" "Boeoeoeoeoe!" Je zou haast denken dat een deel van het festivalpubliek met graagte het einde van de voorstelling afwacht: om volmondig uiting te kunnen geven aan het zorgvuldig opgekropte ongenoegen. Is dit wat kwatongen het Messer griffbereit in der Schüblade noemen, het mes grijpensklaar in de Oostenrijkse lade? Perceval maakt zich allang geen illusies meer: de kans is reëel dat hij hier volgend jaar op het einde van zijn marathon getrakteerd wordt op een fluitconcert van hardnekkige zittenblijvers, of zouden de twaalf uren theater er voor hen iets teveel aan zijn?

Want het moet gezegd: het publiek van de Salzburger Festspiele gaat gráág naar het toneel, of dat nu een ouderwets theatraal entertainment dan wel een lekker schandaaltje oplevert. Nog los van het feit dat ze duizenden shillings voor een kaartje hebben moeten betalen, begint het enthousiasme al bij het zich mogen optutten naar eeuwenoude tradities: de mannen in smoking, de vrouwen in jurken met pofmouwen en veel blinkende accessoires. En voor welke voorstelling kan zoiets beter dan voor een productie van Robert Wilson, die andere Amerikaan die sinds jaar en dag de Europese braderijen en festivals afschuimt met zijn peperdure, door computer geperfectioneerde precisie-ensceneringen? Het wordt onze tweede afspraak: Dantons Tod naar Büchner in het relatief kleine Landestheater, het geografisch middelpunt van Salzburg.

Ook nu weer wordt snel duidelijk dat enige irritatie onvermijdelijk zal zijn, hoewel het publiek deze keer vastberaden lijkt om daar anders over te denken. Velen lijken zich zowaar nog te kunnen warmen aan Wilsons koude hap, en je moet hem alvast nageven dat er bij deze titel van de productie geen sprake is van misleiding: terwijl Hartley zijn publiek aan het lijntje hield met Soon (Weldra), koos zijn landgenoot voor duidelijkheid zoals die op deze hoogte wordt geapprecieerd: Danton zal sterven en ondergaat zijn lot - alleen lijkt ook de voorstelling zelf door de regisseur ten dode opgeschreven.

Perceval en Decleir zijn in elk geval die mening toegedaan, en we besluiten de muffe mausoleumlucht van het Landestheater te ruilen voor het aroma van verse koffie in Café Bazar aan de waterkant, maar het duurt nog een tijdje eer de verontwaardiging doorgespoeld is. "We zitten hier nu al twee dagen, het wordt tijd om baldadig te worden," bromt Decleir.

Vervolg op pagina 23Vervolg van pagina 21

Als je als Wilson zo extreem voor de vorm kiest, moet het ook perfect zijn. En toch heb ik de hele tijd naar rimpels in het doek en vlekken op de vloer zitten kijken. Had jij dat ook?" Perceval knikt. "Bedroevend slechte pantomime," luidt zijn oordeel, en dan, niet zonder sarcasme: "Gerard heeft mij in een plaatselijke krant aangekondigd als de Belgische avant-garderegisseur Luk Perceval. Als je voorstellingen als deze gaat bekijken, zou je dat bijna gaan geloven ook."

Een gesprek komt op gang over de plannen voor volgend jaar. Gisteren werd onder meer het huis bezocht waar Perceval en co gedurende zes weken zullen verblijven: een soort berghut in Hallein waar tot vandaag Hal Hartley zijn toevlucht vond, ver van het boegeroep en van de halsstarrige behoudsgezindheid. Perceval: "Ik ben zó content dat we niet in Salzburg zelf zitten. Ik wist dat het hier erg was, maar dat het zo'n vaart zou lopen... Eerlijk gezegd ben ik toch wel een beetje geschrokken. Het festival en zijn omgeving doen haast negentiende-eeuws aan, met baljurken en zo. Het deed me denken aan die hele Oscar Wilde-traditie."

In januari beginnen de repetities, aldus Perceval, dan trekken hij en Decleir naar Hamburg, naar het Schauspielhaus. Perceval: "Het is een uitstekend gezelschap. Marthaler heeft daar nog gewerkt. Maar het zijn normale mensen gebleven, geen all-stars, hoewel ze door Theater Heute toch al drie keer tot gezelschap van het jaar zijn uitgeroepen. De gesprekken met hen lopen trouwens al een tijdje: we waren al jaren op zoek naar een project dat voor mij de moeite waard was om ginder te gaan maken. Zo is het begonnen: zij kwamen kijken naar Ten Oorlog in Rotterdam en van het een is het ander gekomen. Daarna werd aan Mortier gevraagd of hij met de Festspiele een Duitstalig Ten Oorlog wou coproduceren, want zelfs naar Duitse normen is dat een heel dure onderneming. De eerste versie heeft ons al zo'n 200 miljoen frank gekost.

"Als je dan bekijkt wat zich hier aan toneelcultuur heeft ontwikkeld... Het is zo cynisch: al dat geld, dit dure entertainment, die oogverblinding, de 'topnamen'. Het is erg spannend om hier een voorstelling te presenteren die zich heel direct tot het publiek richt, van de toeschouwer ook meer vraagt dan zich alleen maar in zijn mooiste kleren te komen showen. Gerard heeft in ieder geval het plan opgevat om te breken met de oude tradities, met het oude sterrencircus. Zelf heb ik de indruk dat de coryfeeën van de voorbije decennia - genre Wilson, Zadek - uitgepraat zijn. Wat wou die Wilson ons daarnet in hemelsnaam vertellen? In dat opzicht begrijp ik wel waarom Gerard zo gebrand is op Endlich Krieg! als titel: het zal wel met zijn Krieg te maken hebben."

Hoe ziet Perceval zijn regie van Ten Oorlog met Duitse acteurs? "Een van de sleutelbegrippen is: met lege handen spelen. Dat zal sowieso voor een accentverschuiving zorgen, aangezien er andere mensen op de planken staan. We hebben in Hamburg bijvoorbeeld geen Richard II met het volume, letterlijk en figuurlijk, van Wim Opbrouck. Het zijn stuk voor stuk goeie acteurs, maar om te beginnen al van een andere leeftijd. In Duitsland moeten acteurs veel langer wachten eer ze de kans krijgen om bij een stads- of nationaal theater aan de slag te mogen. Doorgaans worden ze eerst naar de provincies gestuurd, om daar de stiel te leren.

"Bij wijze van voorbereiding heb ik enkele maanden het Duitstalige toneel gevolgd. Zo is mijn overtuiging versterkt dat, in tegenstelling tot vroeger, het Nederlandstalig toneel lichtjaren voorop ligt op dat in Duitsland, Frankrijk en zeker ook Engeland. Daar is het allemaal zeer braaf geworden, probeert men te beantwoorden aan wat ik de burgerlijke zelfgenoegzaamheid noem. Ik geloof dat er bij ons een veel persoonlijker uitdrukking is gevonden voor het toneel, een manier zeg maar om ons het repertoire eigen te maken."

Van de oorspronkelijke cast blijft alleen Decleir over. Heeft dat een speciale reden? Decleir: "Wat ik begrepen heb is dat dat vanuit Hamburg gewenst was, dat ook Mortier dat graag zou hebben. En ik heb er zin in, om op hoge leeftijd te avonturieren. Ik heb mij voorgenomen om mij in een klooster terug te trekken en daar mijn tekst te leren."

Perceval: "De mensen van Hamburg hebben vanaf het begin gezegd: Ten Oorlog heeft zo'n lange ontstaansgeschiedenis, het zou mooi zijn mocht een deel daarvan doorstromen in de Duitse versie, alsof de fakkel echt wordt doorgegeven. Er werd wel gevraagd om geen actrices mee te nemen, omdat er sowieso al weinig vrouwenrollen in zitten en zij hun eigen actrices ook werk willen bieden. Mijn geliefde kon dus al niet mee.

"Wat Jans aanwezigheid betreft: ik heb véél Duitse acteurs aan het werk gezien, onder wie de zogeheten sterren. Ik was erg gecharmeerd door Jozef Bierbichler, maar die speelt al King Lear volgend seizoen. Richard III is ook een zeer moeilijke rol: het is Hitler die je graag moet zien, de acteur moet haat en liefde tegelijk kunnen opwekken. Uiteindelijk was de keuze vrij snel gemaakt: er is maar één Risjaar Modderfokker en da's Jan."

Vreest hij geen breuk tussen verschillende acteerstijlen? "Niet echt, want dat heb je evenzeer in Vlaanderen. Dat heeft vooral te maken met acteurs die niet genoeg worden afgepeld - dan krijg je al snel een technische manier van spelen. Wat mij veeleer zorgen baart, is wat ze in het Duits de Lustigfraktion noemen. De laatste jaren bestaat er in het Duitse toneel de neiging om alles overdreven te relativeren, Brecht in het belachelijke te trekken, Shakespeare onnozel te vinden enzovoort. Het is zelden geestig, want meestal resulteert dat in Duitse humor met slagroomtaarten. Maar in het Schauspielhaus hebben ze mij verzekerd dat ze dat grondig beu zijn. Ik vroeg hen of ze van mijn kant niet te veel documentatie vreesden, maar ze kijken naar eigen zeggen juist uit naar een regisseur die wél op voorhand weet wat hij wil vertellen. Ze willen zo graag weer op het toneel staan vanuit het ernstig nemen van een inhoud. Dat is bij de Blauwe Maandag Compagnie altijd onze leidraad geweest: hoe kun je als acteur je personage verdedigen? Ik haat het woord geloofwaardigheid als het op acteren aankomt. Ik vind dat dat binnen het normeren van acteren eigenlijk overgewaardeerd wordt. Men neemt het zo vaak in de mond: is iets geloofwaardig of niet? Ik vind het leven a priori niet geloofwaardig, laat staan dat ik toneel geloofwaardig zou vinden. Het komt er juist op neer ervoor te zorgen dat iemand zich vrij voelt op het toneel, wat je hier duidelijk mist: acteurs lijden aan ademnood. En dus ga ik op zoek naar het spanningsveld tussen vrijheid en inhoud."

En hoe moet het intussen met Het Toneelhuis, nu de vader van het project al vreemdgaat? Perceval: "De bedoeling van zo'n grote structuur is juist dat de papa misbaar is (lacht). Nee serieus, ik vertrouw erg op de kundigheid van mijn medewerkers. Ik heb ook van het begin af gezegd: ik wil Het Toneelhuis zo structureren dat niet elke verantwoordelijkheid op mijn schouders terechtkomt. Dat zou alleen maar verstikkend zijn. Ik wou het dus niet aanpakken zoals Gerardjan Rijnders in Toneelgroep Amsterdam: die man moet op elk beslissingsniveau aanwezig zijn.

"Ik maak me geen illusies: we moeten met Het Toneelhuis nog een aantal tropenjaren door. Maar op dit moment loopt het uitstekend - er zijn al verschillende productiecellen bezig. Bovendien heb ik een overeenkomst met Hamburg dat ik wekelijks terug naar België kan vliegen, om eventuele branden te blussen. Ik hoop uiteraard dat dat niet nodig zal zijn."

Steven Heene

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234