Zaterdag 16/01/2021

Het levenin galop

Tal van schilders hebben zich dicht bij de Middellandse Zee gevestigd. Vanwege het klimaat, uiteraard, maar vooral vanwege het gulle licht. Onder hen Nicolas de Staël (1914-1955) en Pierre Bonnard (1867-1947). Bernard Dewulf ging enkele van de plekken terugzoeken waar deze schilders gewerkt hebben. Vandaag De Staël, die de laatste winter van zijn betrekkelijk korte leven doorbracht in Antibes en zich daar uiteindelijk, in totale wanhoop, te pletter gooide op de stadsmuur. Over twee weken is Bonnard aan de beurt. Hij bewoonde een prachtig huis in de buurt van Cannes en schilderde er onder meer schier eindeloos zijn vrouw. Bernard Dewulf

Antibes, semi-mondain kuststadje aan de Côte d'Azur, tussen Cannes en Nice. Het is juni en het zomert half. Ik zit op een van de vele stukjes strand die hier in de Baie des Anges als uit de rotsen verschijnen. Om mij heen liggen halfnaakte, zonnende lichamen, maar ik heb nog alles aan. Ik ben niet echt om de zon gekomen, al is die natuurlijk altijd welkom. Vanaf dit strand heb ik een goed uitzicht op een huis dat zich wat hogerop, net achter de oude stadswal, bevindt. Om dat huis ben ik hier. Het is niet als de andere, veelal typische Zuid-Franse woningen, met hun golvende rode daken. Het heeft een plat dak en de tweede verdieping heeft een balkon dat niet uitsteekt maar in het huis ingewerkt is.

Naar dat huis zit ik nu al, te midden van de nietsvermoedende strandbezoekers, een hele tijd te kijken. Ik heb gewacht tot het licht volledig was om er enkele foto's van te maken. Het moet er stralend op staan, al is daar niet echt reden toe. Dat kijken is haast dwangmatige bezigheid, die gepaard gaat met een vreemde spanning: de stille, absurde hoop dat het iets zal bewerkstelligen. Er schuilt een drang naar bezwering in, het verlangen dat er met dat stomme, voor iedereen om mij heen betekenisloze balkon iets gebeurt. Misschien hoop ik wel op een verschijning.

Vanaf dat balkon, of vanaf het dak, heeft vijftig jaar geleden, op 16 maart 1955, de schilder Nicolas de Staël zich op de remparts van Antibes gegooid. Hij was 41, liet vier kinderen en ruim duizend schilderijen na. Al jaren wil ik die plek zien, in het volle besef dat er allicht niet veel te ontwaren zal zijn. Zopas ben ik er voor het eerst langsgekomen, onvermijdelijk met een krop in de keel. Met de jaren heb ik alles gelezen waar ik maar de hand op kon leggen om te begrijpen waarom de schilder gesprongen is. Maar men kan een zelfmoord net zo min helemaal doorgronden als onze levensdrang.

Tot mijn verbazing hing op het huis een plaket. Nergens in mijn lectuur, noch op het alziende net, was daar sprake van geweest. Ik ging er al van uit dat niemand er ooit aan had gedacht. Maar iemand had dus wel degelijk de goedheid gehad, en ik was die onbekende weldoener dankbaar. 'Le peintre Nicolas de Staël 1914-1955 habita cette maison où il mourut le 16 mars 1955'. Grijs-zwarte letters op een wittige steen. Ik stond er voor en las de letters telkens opnieuw, als bad ik een rozenkrans. Misschien is dat soort lezen wel een vorm van bidden, de profane versie van de devotie die de ware pelgrim bezielt.

Hoe hem samen te vatten?

Geboren in 1914 in Sint-Petersburg uit een adellijk geslacht, met het gezin op de vlucht moeten slaan voor de revolutie, in enkele jaren tijd wees geworden, overgebracht met zussen naar een pleeggezin in Ukkel, bij Brussel. Een zo gelukkig als mogelijke jeugd doorgebracht en al vroeg de stellige overtuiging: ik word schilder. Roepnaam: Kolia. Daarna jaren van reizen, dwalen, kijken, tekenen, langzaamaan ook schilderen. Bohémien én aristocraat. Een eerste keer getrouwd, een dochter, een vrouw die sterft, opnieuw getrouwd, drie kinderen. Intussen schilderen, reizen, dolen, schilderen - het liefst niet bij daglicht. En: armoede. Soms bittere. Gaat in de bioscoop tekenen omdat het daar warm is. Uiteindelijk toch jaren na elkaar in Parijs. Een begin van succes, maar ook tegenstand. Schildert abstract in een tijd dat Frankrijk daar niet klaar voor is. Vriendschappen met schrijvers en enkele verwante kunstenaars. Ook notoir fabulator en mythomaan. Intussen dus: reizen, dolen, schilderen - nu wel bij daglicht. Succes, zelfs een levende mythe, in beperkte kring. Verschillende tentoonstellingen. Dan plotseling: grote bijval in de Verenigde Staten. Het geld komt binnen, het gezin kan eindelijk een fatsoenlijk bestaan leiden, maar de schilder verlaat zijn dierbaren. Zijn aanvallen van somberheid nemen toe, hij verschuilt zich in een atelier in Antibes "pour trouver la grande lumière", werkt als een bezetene, maakt in zes maanden tijd enkele honderden schilderijen. En dan springt hij.

Dat is een mogelijk verhaal. Het is geen fictie, het is een bloemlezing uit 'feiten', maar onvermijdelijk klinkt het, in een aantal opzichten, romantisch. De kunstenaar en de armoede, de kunstenaar als bezetene, de kunstenaar en zelfmoord - Nicolas de Staël heeft nogal wat romantische clichés belichaamd. Ik wil er nog aan toevoegen: sigaretten en drank, enkele vrouwen. Manisch-depressief. Cholerisch. Zenuwlijder. Enzovoort. Tot de romantische luchtbel openspat. En er een fascinerende man en, vooral, een belangrijk schilder overblijft. Een man die, daar is geen twijfel over, voor één ding leefde: het schilderen. Het schilderen, zoals hij zelf heeft gezegd, "om me te helpen leven".

Het is niet eenvoudig zich op een zonnig strand in een baai vol tevreden licht voor te stellen hoe het daar 's winters is. Begin najaar 1954 betrekt De Staël het atelier-appartement in Antibes. Hij ziet er uit over de hele baai en op het wat sinister ogende, immense Fort-Carré, een overblijfsel uit Antibes' militaire geschiedenis. Dat hij Antibes uitkoos, heeft te maken met het licht en de afzondering, maar ook met de nabijheid van Jeanne, de getrouwde vrouw die hij toen overspelig liefhad en in menig fraai naakt heeft vereeuwigd. Dat hij gesprongen is, heeft waarschijnlijk ook met Jeanne te maken, zij distantieerde zich allengs van hem en zijn dominante, onvoorspelbare karakter. Maar fataal is hem vooral zijn eigen schilderkunst geworden.

Het moet een vreemde, intense, wanhopige winter zijn geweest, in dit nu zo toeristisch belegerde Antibes. Een winter van discontent, van een wisselende strijd met het eigen onvermogen en de grenzen van de schilderkunst.

Zelf vond hij dat hij pas in 1942, iets voor zijn dertigste, werkelijk was beginnen te schilderen. Het is het moment waarop hij zich helemaal in de abstractie begeeft, al had hij een hekel aan de term - voor De Staël was het verschil tussen abstract en figuratief onzin, schilderen is voor hem altijd beide geweest. Het is ook oorlog en de armoede is navrant. Met vrouw, kind en stiefkind probeert hij te overleven. Nu en dan verricht De Staël een klus, maar hij wil schilderen. En hij leeft, in de woorden van een vriend, "in galop".

Zijn werk ontwikkelt zich, met een boutade gezegd, van dun naar dik naar dun - zelfs zeer dun op het einde. Van een lyrisch lijnenspel naar het werk waar hij nog altijd het bekendst voor is: zijn vaak grote abstracte, dik geplamuurde doeken, in vaak gedempte, grijze, bruine tonen. En daarna: de verschijning van de kleuren, vooral in landschappen en stillevens, maar ook in schilderijen over voetbal, of in naakten. Het laatste doek van De Staël is een reusachtig werk met vele vierkante meters van niets dan hevig rood.

Dat werk, Le Concert, heeft hij niet gemaakt in het huis waar ik op het strand naar zit te kijken. Het kon er, met zijn 6 bij 3,5 meter, niet in, en ook niet uit. De Staël heeft het opgezet in een vervallen toren verderop in Antibes, die nu verdwenen is. Hij heeft het niet afgewerkt. In de dagen voor zijn dood, zeggen biografen, heeft hij er zowat dag en nacht aan doorgeschilderd - vele tientallen liters verf zijn er in gegaan. Door de reusachtige afmetingen is het zelden te zien, het is opgeslagen, waarschijnlijk opgeróld, en onzichtbaar voor het publiek, in het Musée Picasso in Antibes, dat zich enkele passen van het vroegere atelier bevindt.

Eén keer heb ik het gezien, op een tentoonstelling. Het is een onmogelijk, onmenselijk schilderij, gemaakt door iemand die zich, op dat moment, een reus waande. Het zegt veel over De Staëls mateloze ambitie, zijn hoogmoed en zijn heilige geloof in de schilderkunst. Maar het is ook een doek als een levensbelangrijke vraag: toont het het rood van de waanzin, van de wanhoop, of van een allerlaatste vreugde-uitbarsting, van een ultieme gooi naar het ultieme werk?

Het is groter dan het leven. En dat is helemaal wat De Staël wilde: de ruimte van het volledige leven, en zelfs meer, bestrijken. Hij haatte het te moeten slapen, reed als een gek, zwom in elke zee die hij maar kon bezoeken, verstikte zijn vrienden, zag zijn doeken almaar groter, wilde al de soorten levens leiden die men kan: het snelle, het trage, het stille, het meeslepende, het gezinsleven en het kunstenaarsleven. Maar leven en schilderkunst waren net zo goed zijn muren. Het is geen toeval dat hij doeken heeft gemaakt die hele wanden bedekken, dat hij vele tientallen canvassen met dikke lagen verf heeft bedekt, als een metselaar, dat zijn laatste doek een muur van stilte is, die vreemde stilte vóór de muziek. Hij wilde grenzeloos bestaan, maar zelfs zijn schilderijen waren omwallingen - echter, zoals hij zelf heeft gezegd: "De ruimte in een schilderij is een muur, maar alle vogels ter wereld vliegen er vrij rond. Op alle diepten".

Ik moet aan die woorden denken, terwijl ik maar zit te kijken naar dat balkon. Zo hoog is het niet. Van daar af heeft hij dus de diepte gekozen, maar nu ik ze voor me zie, begrijp ik niet dat iemand dood kan vallen van die geringe hoogte. Misschien is hij als een vleermuis gesprongen, hoofd naar beneden. Misschien is hij op het dak geklommen, of verheft het balkon zich toch voldoende voor een gewisse dood.

Het zijn zinloze overwegingen. Sommigen denken nog altijd, ondanks alle bewijzen van het tegendeel, zoals enkele afscheidsbrieven, verbrande correspondentie en veel aanwijzingen waaruit achteraf bleek dat hij afscheid had genomen van zijn omgeving, dat het een ongeluk was. De architect die in een zijdeel van de gelijkvloerse verdieping van het huis al vijfentwintig jaar zijn kantoor heeft, was zo vriendelijk mij te vertellen dat het daar op dat balkon 's winters héél hevig kan waaien. Hij zag mijn verwarring en glimlachte. Hij had er ooit gestaan, zei hij, maar nu gunt er een afgunstige oude vrouw van een amateur-schilder - "een prutser" fluistert hij - noch De Staël noch diens bewonderaars ook maar iets. Vooral geen blik vanaf de laatste plek waar de schilder nog levend was.

Ik heb net op het strand de gedienstige anekdotiek genoteerd, en ik heb ze maar voor waar aangenomen aangezien niemand kwam opendoen na mijn aandringen op de enige bel aan de voorkant van het huis. Het is al de tweede keer in twee dagen tijd dat ik gedwarsboomd ben door een oude, chagrijnige vrouw.

In 1947 vindt De Staël in Parijs eindelijk het gedroomde atelier. Na jaren te hebben moeten wroeten in te enge ruimten heeft hij nu eindelijk zijn 'kathedraal'. In de rue Gauguet, aan de rand van Montparnasse, in het hart van een modernistisch huis, betrekt hij een zeer lichtrijke ruimte van 8 meter hoog - een renaissancistische afmeting. Al snel begint hij aan grotere werken en langzaam dringt het overvloedige noorderlicht van het atelier door in de doeken.

Dat licht en die ruimte wilde ik zien. Ook in Parijs was het gisteren half zomer.

De rue Gauguet, een korte impasse, ligt er mooi verlicht bij. Nr. 7 bevindt zich aan het eind en staat in de steigers. Het huis wordt opnieuw geschilderd, en ik vraag mij, naderend, af of dat te maken zou hebben met de vijftigste verjaardag van zijn dood. Ik ken het pand van oude foto's, de steigers maken het nu bijna onherkenbaar. Ik wil naar binnen, maar de grote deur van glas en staal is potdicht. Dan kijk ik naar de namen op de bellen, en even slaat mijn hart over. Bovenaan staat 'Françoise de Staël'. Ik kan het niet meteen geloven - hier woont dus nog zijn vrouw, een snelle berekening leert mij dat ze nu precies tachtig is. Haar, en hun kinderen, heeft hij achtergelaten. Dat zij nog leefde, was mij onbekend. Voor ik het terdege besef, heb ik op de bel gedrukt. Even later klinkt een krakend, ver geluid uit de parlofoon op, de versleten versie van een stem die hij zo goed moet hebben gekend. Ik zeg wie ik ben en waarom ik gekomen ben, om het atelier te mogen zien. Maar zij is beslist: "Monsieur, je ne peux pas vous recevoir". Dan een klik en de stem is weer verdwenen, weer opgesloten ergens in dit grote huis.

Ik besef meteen dat ik tegen deze taaie waakhond niet opgewassen ben. Dan maar op een andere manier. Ik klop op de deur, en blijf kloppen. Tot een van de werklieden opendoet, en ik nog eens mijn uitleg doe. Dat ik alleen maar, heel even, een blik wil werpen in dat atelier. S'il vous plaît. Hij weet van niets, ik haal boeken boven en foto's en vertel in zeven zinnen leven en werk van mijn reisdoel. Ik zie een licht in hem aangaan. Plotseling beseft hij wie hier woont en voor wie hij werkt. Ja, hij kent madame wel, hij heeft vaker voor haar geklust. Maar hij kan mij niet in het atelier binnenlaten, hij heeft alleen een sleutel van de buitendeur. Wel wil hij, op mijn vraag, nog eens aanbellen. On sait jamais. Madame, zegt hij aarzelend, er is hier iemand. Maar nog voor hij zijn zin kan afmaken, kraakt en piept de stem: "Je n'en ai rien à foutre de ce monsieur". Ik kan, vrij vertaald, de pot op.

De lieve man heeft mij daarna verzekerd dat het, althans van buiten af gezien, inderdaad een immense ruimte is. Dat ze dus, ja, nog bestaat en dat er, jazeker, véél licht binnenstroomt. En dat ze leeg lijkt. Ik heb hem vriendelijk bedankt, heb hem een ansicht gegeven met een foto van De Staël erop, en ben dan maar verslagen door de bijna zomerse Parijse straten gaan dwalen. Zoals het hoort: in de richting van het graf.

Er zijn prachtige foto's gemaakt van De Staël in zijn buitenmaatse atelier. Zelfs met zijn 1,96 meter lijkt hij er erg kwetsbaar. Vele tientallen, vaak grote doeken staan er gestapeld, en we zien de schilder bezig met truwelen en potten, zelfs emmers verf. Hij laat de ezel in de steek, zet nu zijn doeken tegen de muur en schildert vaak op zijn hurken, of liggend. Zijn espadrilles lijken 's avonds op het doek waaraan hij bezig was. Schilderen wordt nu meer dan ooit een zeer fysieke bezigheid - hij gebruikt de truwelen, paletmessen en borstels, zoals hij zelf zegt, "als een zweep". De doeken worden almaar dikker, de ene laag op de andere. Huidlagen. Muur over muur. Vele tientallen schilderijen maakt hij zo: gemetselde vlakken, waarin almaar meer het zo begeerde licht doordringt. Hij noemt zichzelf een 'klassieke' schilder, die zich expliciet distantieert van zijn meeste tijdgenoten. Zijn voorbeelden zijn onder anderen Rembrandt en de vereerde, geniale Courbet.

Zijn dochter Anne herinnert zich uit die tijd: "Het leven bestond uit die avonden dat hij naar beneden kwam, moeder onderbrak in haar bezigheden en haar aan het dansen kreeg, terwijl hij met zijn diepe stem Russische liederen zong. (...) Dat waren voor ons momenten van grote vreugde". Maar het was ook vaak anders. Zowel het leven als het werk van De Staël is wispelturig. Hij heeft meesterwerken gemaakt en rommel geschilderd, de ene dag kon hij zijn geluk niet op, de andere dag verwenste hij in een Franse colère alles en iedereen. Achteraf beschouwd lijkt het haast onvermijdelijk dat hij moest eindigen zoals hij het gedaan heeft.

Een vriend omschreef De Staëls leven als "een lange strijd om zich de werkelijkheid eigen te maken en zich aan haar aan te passen". En zijn ziel "was als het holst van de nacht waaruit regelmatig hevige vlammen opflakkerden". De Staël zelf verwoordde zijn grondeloosheid als volgt: "Wanneer mijn schilderkunst goed wordt, voelt het altijd alsof er een groot deel toeval mee gemoeid is, als een duizeling, alsof ik gewoon even geluk heb gehad. Dat drijft me altijd weer tot vreselijke wanhoop."

Het wás geen toeval. De Staël heeft wonderlijke schilderijen gemaakt - zowel kleine schitterende, rudimentaire landschappen als zeeën van vele grijzen, zowel enkele heftige naakten als stillevens die haast letterlijk het licht naar zich toe zuigen. In zijn beste werk zit alom heftigheid, en overgave aan de dingen. En, vooral, het eeuwige zoeken. Hij was geen virtuoos, hij heeft zijn leven lang de verf, de vlakken, het licht, de lijnen en de kleuren moeten bevechten. "Men moet op de vuist gaan met het doek", zei hij zelf. Daarom ook heeft veel van zijn werk iets stugs, weerbarstigs. De sporen van continue tegenstand.

In zijn laatste maanden heeft De Staël zijn werkwijze resoluut veranderd. Van het ene uiterste in het andere. Van de specie naar het vloeibare. De ezel kwam opnieuw in gebruik. Hij lengde zijn verf dermate aan dat ze bijna aquarel werd. De truwelen werden vervangen door katoenen sponzen. Daarmee wilde hij een ijlte in zijn verf bereiken die hem nog dichter bij het licht bracht. Dat luistert nog nauwer dan de dikke materie van voorheen. De Staël was helemaal in de ban van zijn nieuwe methode en maakte soms, volgens zijn eigen zeggen "in explosies", meerdere schilderijen per dag. Hij verdiepte zich ook in het tarot, de kabbala en de alchemie. Lang niet alles uit die laatste, waanzinnige maanden is sterk. Zijn sponsjes bewogen zich op de rand van de kitsch, en gingen er regelmatig over. Maar hij heeft er tegelijk enkele van zijn allermooiste doeken gemaakt.

Tussen de twee uitersten echter, tussen het robuuste van voorheen en het ijle, zwevende van die laatste maanden, was er blijkbaar geen tussenweg. In enkele maanden tijd had De Staël zijn nieuwe stijl, zijn mogelijke uitweg uit zichzelf, uitgeput. Ik kan het me moeilijk voorstellen op dit goedmoedig verlichte strand met het rustige geluid van een kabbelende branding, maar de immer beukende zee en het "vale licht" dat hem ergert als "een pingpongbal" begonnen pijnlijk op zijn gemoed te werken. In enkele brieven uit de laatste weken geeft De Staël uiting aan zijn volstrekte wanhoop. Hij noemt zichzelf "een hopeloze idioot", en hij meent het. Hij werkt vaak dag en nacht, en wie hem in die tijd nog ziet, heeft later getuigd van zijn volkomen uitputting. Dat hij dan toch nog probeert een schilderij te maken van bijna 20 vierkante meter, ook dat is moeilijk te vatten.

Ik probeer me in te denken hoe zijn laatste dagen moeten zijn geweest: tussen gitzwart en felrood. Obsessief bezig met zijn laatste grote gebaar, met die immense zwarte piano op Le Concert, zo schrijft zijn biograaf, "dacht hij een ballade terug te horen die zijn moeder vroeger zong in Sint-Petersburg". Hoe biografen zoiets weten, is mij altijd een raadsel. De hele woensdag 16 maart, "teruggetrokken in zijn appartement van triest beton", wacht hij. Maar er komt niets meer. Hij verbrandt intieme correspondentie, schrijft drie afscheidsbrieven. Rond tien uur 's avonds gaat hij volgens de enen naar het dak, volgens anderen naar het balkon. En hij springt. Naar de stenen van de rue du Revely.

Zo is het verhaal, waar niemand bij was, overgeleverd. Ik neem ook dat maar voor waar aan - er is geen ander verhaal voorhanden. Wat zeker is: in een van zijn afscheidsbrieven schrijft De Staël: "Ik heb niet de kracht om mijn doeken af te maken". Ik ben geen schilder, maar als een schilder zoiets overkomt, als een schrijver zijn boeken niet kan afmaken, een componist zijn muziek, wat moeten zij dan nog doen? Léven?

Ik was dus naar het graf gewandeld, kriskras door de mild beschenen stad. Zes dagen na zijn dood is Nicolas de Staël bijgezet, op het Parijse Cimetière de Montrouge, in het graf van zijn eerste vrouw, Jeanine Guillou. Op het strand van Antibes, stilaan uitgekeken op dat onbevattelijke huis, blader ik voor de zoveelste keer in de laatste bladzijden van de biografie. "Langzaam lieten de grafdelvers zijn kist zakken naast haar zijde." En dan staat er iets waar ik blijkbaar al die keren overheen gelezen heb: "zonder epitaaf". De schilder is dus naamloos in zijn graf gelegd. Pas jaren later, lees ik vervolgens in een kleine, door mij verwaarloosde noot, heeft Françoise, de tweede vrouw, de taaie waakhond van zijn atelier en de bezorger van zijn verzameld werk, "een steen met een discreet kruis erop" laten aanbrengen op het graf - het graf van haar man en een andere vrouw. Ineens begreep ik helemaal waarom ik uren voordien, aan dat grote huis, als nieuwsgierige vreemdeling, de pot op kon. Mijn komst raakte aan oude wonden.

Een graf is een graf. Wat dáárover nog verteld? Het heeft een mooie, sobere steen, met inderdaad het discrete kruisje en niets dan twee namen en vier data. Het ligt nu in het lommer van een plataan, maar het heeft daar niet altijd gelegen, dat is duidelijk. Om God weet welke reden is het ooit verplaatst naar de rijen van het sterfjaar 1982. Ook dat zou ik opgehelderd kunnen willen weten, maar het is genoeg geweest. Hij ligt in het lommer - uit het licht, het moeilijke licht dat hem vroegtijdig zijn leven heeft gekost.

Ik pak mijn spullen op, kijk nog eens werktuigelijk op naar het huis, en dan weet ik precies waar ik heen wil. Café Félix, een inmiddels wat groezelig etablissement op de drukke, toeristische boulevard d'Aiguillon, waar De Staël in zijn laatste maanden elke donderdag ging lunchen.

Zal ik het vandaag donderdag laten zijn of niet? Zal ik mijn aanwezigheid laten rijmen of niet? Maakt het iets uit? Ik zal er zo meteen, bij een glas op zijn moeizame leven en zijn wonderlijke werk, eens diep over nadenken.

In De Staëls beste werk zit alom heftigheid, en overgave aan de dingen. En, vooral, het eeuwige zoeken

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234