Vrijdag 14/05/2021

Het leven voor de grote slachtingen

Nancy Kricorian schrijft poëzie, maar publiceerde alleen in tijdschriften. Uit de verhalen van onder anderen haar Armeense grootmoeder ontstond Zabelle, hoofdpersoon van de roman Armeense ogen. Kricorian las studies over de genocide die tussen 1915 en 1921 aan anderhalf miljoen Armeniërs het leven kostte, en verslagen van overlevenden. In een korte epiloog voert zij ook Zabelles ouders op. 'Ik wilde nog iets laten zien van het leven van voor de grote slachtingen.'

Adriaan de Boer

De weduwe Zabelle Chahasbanian begint geestelijk af te takelen. Ze is vijfenzeventig. Of zesenzeventig. Als Arsinee belt, haar boezemvriendin, begint Zabelle te fluisteren. "Ze komen eraan."

"Wie?", vraagt Arsinee.

"De Turken," zegt Zabelle. "Ze zullen de deur openbreken."

Arsinee probeert haar te sussen: "Hier in Watertown hebben we Fransen, Grieken, Italianen en Ieren, maar geen Turken."

Zabelle, wier leven Nancy Kricorian beschrijft in haar roman Armeense ogen, is in Armenië geboren, in Ras-Al-Ain. Op een dag stopt haar vader wat kleren in een zak en verlaat het huis. Moeder huilt in haar schort, grootmoeder zit aan haar wangen te trekken. Vaders broer is ook meegegaan, haar beide zoons zijn vertrokken. Niet lang daarna begint de rest van de familie bundeltjes in te pakken. Ook de vrouwen en de kinderen verlaten nu het huis. De ezel draagt zakken rijst, meel, bulgur en gedroogde vruchten.

"We volgden degenen voor ons en werden zelf gevolgd door degenen achter ons, alle Armeniërs in één lange rij. We deden afstand van onze kar toen we de bergen bereikten. We klommen over heuvels en bergen, daalden af naar diepe dalen en moesten daarna weer omhoog. 's Nachts was het koud, soms regende het pijpenstelen en zaten we met een deken over ons hoofd." De ezel gaat dood, ze kunnen alleen nog meenemen wat ze kunnen dragen. "Turkse soldaten op paarden schreeuwden en sloegen achterblijvers met de zweep om hen in beweging te houden. Koerden ruilden eten voor onze laatste munten en de oorbellen van mijn moeder."

Zabelle is een van de slachtoffers van de deportaties.

De slachtingen die het Ottomaanse bewind in 1915 begint aan te richten in Oost-Anatolië kosten anderhalf miljoen landgenoten het leven. Na een verblijf in een weeshuis in Istanbul, waar ze niet langer haar eigen taal mag spreken, wordt Zabelle uitgehuwelijkt. Met haar schoonmoeder vertrekt ze naar Amerika. Daar wacht kruidenier Toros Chahasbanian op haar. "In zijn ogen was geen spoortje van het venijn van zijn moeder te bekennen. Hij had een knap gezicht. Hij was oud, maar niet zo erg oud."

Zabelle brengt het grootste deel van haar leven door in Watertown, het stadje waar ook Nancy Kricorian opgroeide.

Kricorian: "Ongeveer een derde van de veertigduizend inwoners is Armeens. Watertown heeft drie Armeense kerken, vier Armeense bakkerijen en twee Armeense culturele centra. Ik ben grootgebracht in hetzelfde huis waarin mijn grootmoeder woonde, zij boven, wij beneden. Ik ging naar een gewone school, maar veel van mijn vriendinnen waren Armeens. Ik ken alleen wat keuken-Armeens: 'Geef me een schepje suiker'; 'Doe de deur dicht'; 'Ik ga dood!' Als kind weigerde ik die taal te leren, ik wilde Amerikaanse zijn.

"Pas toen ik ging studeren, besefte ik hoe weinig ik dat nog was. Ik zat op zo'n keurige blanke upperclass universiteit en voelde me er zeer Armeens en heel erg uit Watertown. Het is het normale patroon. De eerste generatie houdt sterk vast aan tradities, de tweede, die van mijn vader, wilde uit alle macht assimileren. Armeniër zijn was heel uncool. Zij kortten hun achternaam in of kozen een andere omdat ze hem voortdurend moesten spellen. Toen ik volwassen werd, begon mijn afkomst meer voor me te betekenen.

"Niet dat ik terug wilde naar het soort leven dat mijn grootmoeder had geleid, je neemt een soort symbolische identiteit aan. De meeste Armeniërs hebben een sterke band met de officiële kerk, de apostolische. Vroeger bezocht ik de Armeense evangelische kerk. Die werd in de negentiende eeuw gesticht door Amerikaanse zendelingen die de bevolking van Armenië wilden bekeren tot het protestantisme. Ik voel me op een andere manier, artistiek en intellectueel, verbonden met de cultuur. Ik ken veel Armeense kunstenaars en help het Armeense studieprogramma samenstellen van Columbia University."

Langs de oostkust liggen meer Armeense enclaves, maar Watertown, zuidelijk van Boston, is een van de oudste. Er was werkgelegenheid in de zware industrie langs de rivier en de grote rubberfabriek; Edison maakte er telefoons. Daar vonden de eerste Armeniërs een baan, nog voor de genocide. Na 1915 kwamen de vluchtelingen, de overlevenden.

"Zij vestigden zich bij voorkeur op plekken waar al landgenoten zaten. In Los Angeles wonen nu driehonderdduizend Armeniërs. Daar staan Armeense scholen en kerken, en een van de voorsteden, Glendale, is een jaren-negentig equivalent van het Watertown waarin ik ben opgegroeid, compleet met Armeense winkelcentra."

Aan de universiteit nam Kricorian deel aan oral history-projecten, in het kader waarvan zij lange gesprekken voerde met haar grootmoeder over het leven in het oude land. "Die vormden het zaad voor Armeense ogen." De feiten zijn historisch, de levensloop van Zabelle is grotendeels verzonnen.

"Haar verhaal is voor ongeveer een kwart gebaseerd op onze familiegeschiedenis. Ik schrijf over Mozes, de man die Zabelle ontmoet als ze in de overhemdenfabriek werkt. In stilte raken zij verliefd, een toekomst samen hebben zij niet. Toen mijn oom dat las, belde hij direct met mijn moeder: 'Wát? Heeft ma een verhouding gehad?' Mijn moeder moest hem echt tot kalmte manen: 'Het is een roman, Leon, geen biografie.'

"Ik heb die kuise romance erin verwerkt om te illustreren hoe ongelukkig die vrouwen konden zijn. Ze werden als wees uitgehuwelijkt aan onbekende mannen die vaak vijftien, twintig jaar ouder waren. Ik wilde laten zien dat de kaarten ook anders hadden kunnen worden geschud."

Ze kon, vanwege een baan, twee jonge kinderen en een echtgenoot die als scenarioschrijver en filmproducent vaak lang van huis is, nooit lang achter elkaar schrijven en deed zes jaar over het boek. In New York werkt ze als literaire scout voor vier Europese uitgeverijen.

"Ik lees Amerikaanse boeken, manuscripten en drukproeven, en vestig hun aandacht op wat de moeite waard kan zijn. Je zit uren te bellen met literaire agenten en redacteuren van Amerikaanse uitgeverijen. Het is belangrijk dat je goed in dat netwerk zit, de concurrentie is groot. Je praat met elkaar over van alles, maar nooit over het boek dat je aan het lezen bent. Soms verkoop je een boek aan het buitenland nog voor er in Amerika een uitgever voor is."

Er bestaat weinig Amerikaans-Armeense literatuur, het werk van Pulitzer Prize-winnaar William Saroyan uitgezonderd. My Name Is Aram uit 1940 gaat over Armeense kinderen die opgroeien in Fresno. "Heel melancholisch en met veel eenvoud verteld; een van mijn lievelingsboeken."

Ze heeft een paar Armeense generatiegenoten die ook fictie schrijven. "Veel is het nog niet. Over de genocide is meer geschreven." Een kennis bracht een Armeense krant mee uit Jerevan. "Daarin stond, onder de familiaire kop 'Nancy's eerste roman', een artikeltje over Armeense ogen. De betrokkenheid is groot."

In zes Amerikaanse steden bracht zij het boek persoonlijk onder de aandacht van de Armeense gemeenschap. "Telkens was mijn gehoor me dankbaar dat ik hun verhaal had verteld. Het is niet alleen die eerste misdaad, de moord op anderhalf miljoen Armeniërs, er is daarna drieëntachtig jaar lang over gezwegen. Dat houdt in dat de Turkse regering de genocide nog altijd ontkent.

"Als ik mijn lezing houd, merk ik dat de bijeenkomst na een minuut of twintig verandert in een therapeutische sessie. Je merkt hoe groot zowel het persoonlijke als het gemeenschappelijke, het nationale trauma is. De wonden zijn nooit geheeld. Als ik voorlees uit het eerste hoofdstuk, over de deportaties, dat vrijwel helemaal is gebaseerd op de lotgevallen van mijn grootmoeder als klein meisje in de Syrische woestijn, moet ik ook bijna vechten tegen de tranen. Je kunt het verdriet in de zaal bijna voelen."

In het boek zeg Zabelle: "We spraken niet over die tijd, maar het was alsof achter de muren van ons huis dode dieren lagen te rotten."

Nancy Kricorian, Armeense ogen, Vassallucci, Amsterdam, ongeveer 750 frank. © de Volkskrant/De Morgen

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234