Vrijdag 22/11/2019

Café De Welkom

"Het leven is één lange zoektocht naar vrijheid"

Mike O'Connor aan de toog in Overijse. Beeld Jonas Lampens

Mike O’Connor is geboren in een onooglijk plaatsje in County Clare in Ierland en drinkt nu bier aan de toog in Overijse. Tussen het begin in Ierland en het einde in België ligt een oorlog in Borneo en gevaar voor eigen leven. Mike wilde avontuur en kreeg ook avontuur. 'Ollekebollekeknolleke.’

Er is weinig dat zo veel schoonheid in zich draagt als de verrassing. Het moment waarop aannames, veronderstellingen en verwachtingen van tafel worden geveegd en duidelijk wordt dat wat een mens denkt niet overeenkomt met wat de werkelijkheid zegt. 

Dat gebeurt in café De Welkom in Overijse. Een café zoals er zoveel bestaan, met een buitenmuur in gebroken wit, rode luifels boven de ramen en oude golfplaten die het zonlicht op het terras in duizend stukken breken. 

De cafébaas is jong. Op zijn schouder ligt een natte handdoek en zijn rechterarm rust op de tapkraan, zoals het cliché voorschrijft.

"Goeiedag. Bonjour.’"

Mannen met snorren spelen biljart en dames aan de kleine tafel verbrokkelen hun speculooskoek, trekken het potje melk open en blazen kleine golven in hun koffietas. "Hardgekookt eitje, 1 euro", hangt aan een steunbeer. 

De toog is leeg, op één man na. Die zit in de uithoek, heeft zicht over het café en knikt gedag. Zijn kleren zijn die van zeventigers die ’s morgens een beige pantalon en vaal hemd krijgen aangereikt van hun vrouw. Op zondag dragen ze een colbert.

Barman Kevin vertelt over zijn droom, gidsen in Canada. En ach, waarom niet, hij droomt ook van de Prinses Elisabeth-basis op Antarctica. Dixie Dansercoer kwam onlangs in De Welkom en gaf Kevin een dik boek met foto’s van pinguïns en sneeuwtoppen. 

Nu komen de muren van De Welkom dagelijks dichterbij en wil Kevin bomen zien en beren en forellen en elanden en open velden en de witte kop van de Amerikaanse zeearend, maar het blijft vooralsnog bij een man die vloekt om een gemiste rode bal. Die brengt een verse laag groen krijt aan op z’n keu, wenkt naar de barman en geeft een rondje. 

Kevin geeft de schijnbaar eenzame man aan de toog een verse pint. Die heft z’n glas op, en dan openbaart de verrassing zich, op een moment dat je de moed een beetje verliest. De man, met een glimlach en een vettig Iers accent: "Ollekebollekeknolleke."

*

Mike O’Connor blijkt hij te heten en Mike vindt dat zijn verhaal het vertellen niet waard is. Hij staat een beetje weigerachtig tegen een babbel.

"De wereld heb ik niet veranderd, helaas. Al heb ik mijn best gedaan."

Wel heeft hij die wereld gezien, en overal pikte hij woorden op.

’Ik ben een jollyglot, met noties Frans, Nederlands en Duits. En ik spreek een mondje Maleisisch, Indonesisch en ook wat Borneaanse woorden. Maar so what? Ik weet maar één ding: dat het leven één lange zoektocht naar vrijheid is.’"

"Maar voor je het weet, ben je 72 en drink je pilsjes in café De Welkom in Overijse. En dat is een goede zaak."

"Ik ben afkomstig van County Clare, een niemendal aan de westkust van Ierland. Zo ongeveer ter hoogte van Dublin, maar dan aan de andere kant van het land. Niks was daar te beleven als kind, niks. In 1944 werd ik geboren, op het moment dat de Tweede Wereldoorlog op zijn laatste poten liep in Europa. Ik was zes jaar en herinner mij de vreugde van de vroege jaren vijftig. Toen er weer hoop was op een betere toekomst, wat die ook mocht inhouden.

"Zelf wist ik niet wat aan te vangen met het leven. County Clare was geen inspirerende plek voor kinderen. Er was geen ruimte voor verbeelding. In County Clare lag een bal op de straat. Daar kon je op trappen. En dat was het zowat. Geen televisie, geen telefoon, heel af en toe een beetje radio en voor de rest de grote leegte. 

"Het onderwijsniveau was niet hoog, mijn interesse evenmin. Op mijn vijftiende verliet ik de school en trok naar een metaalfabriek. In 1960 was dat. Ik zou het leven in handen nemen. Zes weken heb ik de fabrieksarbeid volgehouden. Vreselijk. Een hond in een kennel, dat was ik.

"We verhuisden naar Groot-Brittannië, naar de rand van Londen. Daar werkte mijn vader bij een producent van sigarettenmachines, grote constructies waar aan de lopende band sigaretten uit rolden. Korte tijd later stond ik er zelf aan de band. Horrible

"’s Zomers stonk het in die grote loodsen met hun gekartelde daken naar de weeë geur van zweet en sigaretten. Er waren amper ramen in die fabriek. Op een dag zag ik een paar arbeiders het dak op kruipen om de enige resterende ramen groen te verven, opdat het zonlicht niet zou binnendringen en de warmte buiten bleef.

"Ik propte er weken lang stalen ringetjes in een machine, voelde me een kip in een broeikast, en dacht: ’Is dat het dan? Is dit dat zogenaamde leven?’ 

"Het veel te zware werk en de dodelijke monotonie beu rukte ik me los. Ik nam ontslag uit de sigarettenfabriek, stapte de bus op en zou mijn leven een andere richting uit sturen. Op weg naar huis keek ik door het raam en zag een groot bord langs de weg. Daarop stond in grote letters: ’JOIN THE ARMY’."

*

"Vrijheid! Avontuur! Weg uit County Clare! Een paar dagen later stond ik aan de poort van de kazerne, als vrijwilliger in het Britse leger. Parachutist, dat wilde ik worden. Er waren geen vacatures en het leger is ook geen pretpark waar je zomaar binnen kunt, dus duurde het een tijd voor er in Londen op de deur werd geklopt en een militair me een brief overhandigde. Ik maakte nu officieel deel uit van het Britse leger. Het leven kon beginnen. 

"Ik had nog geluk ook. Het leger experimenteerde steeds vaker met helikopters in oorlogsvoering en zette extra in op parachutisten. Kwam er alsnog plek vrij. De trainingen waren hard en zwaar. Dat was schrikken, maar het was beter dan een warme fabriek zonder ramen. 

"Voor ik de lucht in kon, oefenden we valtechnieken op de weg. Ze gooiden je in de laadbak van een truck. Terwijl die op snelheid kwam, ging de laadklep open en werd je uit de truck gegooid. Zo leerde je doorrollen op de grond.  

"Het leger leidde me de wereld rond. We gingen op trainingskamp naar Kenia, oefenden onze manoeuvres in Duitsland, nabij Berchtesgaden, op de Obersalzberg, jawel, de woonplaats van Adolf Hitler. Mooie tijd was dat, een tijd waarin ik me geen vragen stelde en me liet meevoeren op de dynamiek en het enthousiasme van het leger. Ik was jong, krachtig en kneedbaar, klaar voor het grote werk. 

"En dat kwam er snel. Alle training werd in de jaren 60 omgezet in mijn eerste echte missie met het Britse leger. De jungle wachtte. Borneo, here I come."

*

Terwijl de snorren elk nog één bal over hebben en de dames hun koffie al hebben doorgeslikt, vertelt Mike O’Connor over een oorlog in Azië, over Koesno Sosrodihardjo, Sukarno genoemd, de president van het sinds 1949 onafhankelijke Indonesië. Een man die flirtte met Mao in China, Tito in Joegoslavië, Nasser in Egypte en Castro in Cuba.

In 1962 breidde hij Indonesië uit en haalde Nieuw-Guinea binnen, toen nog onder Nederlands bewind. Dat volstond niet voor Sukarno. Hij wilde meer en keek naar het westen. Het naburige Maleisië had onlangs de onafhankelijkheid bemachtigd en dat zinde Sukarno niet. Hij startte een guerrillaoorlog – de ’Konfrontasi’ – tegen Maleisië en ook tegen Brunei, het toenmalige Britse protectoraat op het nabijgelegen eiland Borneo. 

Bij een aanval van rebellen op olievelden in Brunei schoten de Britse troepen in actie om het protectoraat te verdedigen. Groot-Brittannië stuurde extra troepen naar Zuidoost- Azië. Onder hen: Mike O’Connor, anno 2017 stamgast van café De Welkom in Overijse.

"Ik voelde de adrenaline op weg naar Borneo. Je kunt nog zo veel trainen, als zich plots een oorlog aandient, denk je toch even na. Aangekomen in het protectoraat Brunei werden we bijgestaan door de befaamde Gurkha Brigade, de Nepalese elite-eenheid die deel uitmaakte van de Britse krijgsmacht. Die leidden ons snel de jungle in. 

"Zo ging het leven toen, blijkbaar. Op zoek naar vrijheid en avontuur stond ik eerst sigaretten te rollen in een fabriek in Londen, om daarna gewapend de jungle van het eiland Borneo in te trekken om de aanvallen van Indonesische rebellen neer te slaan. Daar lig je dan op de grond, in een bloedheet bos, bijgestaan door een groep Nepalezen en bang voor een hinderlaag. I lived my life.

"In de jungle stootten we op inheemse stammen. Die stonden daar met hun mond vol tanden. Wij ook, overigens. Daarom leerde ik gauw een paar Borneaanse woorden, om me enigszins verstaanbaar te maken in de brousse. De enige blanken met wie die stammen eerder in contact kwamen, waren Ierse missionarissen. Dat moet akelig geweest zijn, oog in oog met gewapende militairen.’"

"Het was een spannende tijd op het eiland Borneo. Er vonden dagelijks Indonesische aanvallen met mortiervuur plaats. En ook al kan zo’n mortier de dood betekenen, na verloop van tijd wen je aan de situatie. Alsof die bombardementen deel uitmaakten van het decor. Het is niet zo dat mijn leven iedere dag in gevaar was. Ik lag niet de hele tijd schietend op de wakke grond van de jungle. 

"We leidden ook de inheemse bevolking op om de Indonesiërs af te houden. Een hele klus was dat. De hearts and minds van de locals win je niet zomaar. Die mensen waren doodsbang en hadden niets om zich te verdedigen. We bouwden zelfs een dam om wat elektriciteit op te wekken. En leerden wij in Europa maandenlang hoe je een helikopter moet bedienen, dan leerden zij dat in een paar dagen tijd. Maar het is ons wel gelukt de Indonesiërs te weerstaan.

Beeld Jonas Lampens

"Maar nogmaals: ik heb de wereld niet veranderd. Ik was een militair en deed mijn job. Wrede dingen gezien, ja. Ik hoef die niet te beschrijven. Maar ook veel plezier gehad. Een serie als Band of Brothers, die is realistisch. Voor je kameraden ga je door het vuur. Een vriend van me werd in zijn kont geschoten bij een hinderlaag in de jungle. Drie kogels, recht in zijn zitvlak. We noemden hem sindsdien ’asshole’. Hij kreeg later gelukkig een speciale medaille. (lacht) 

"Een van onze trainingskampen in Duitsland heeft me een historisch moment ontzegd. Het was op 21 juli 1969. Ik had nachtdienst op onze basis en kreeg telefoon uit een nabijgelegen stad. Een paar Britse soldaten maakte ruzie in een Duitse bar, waarna ik werd opgetrommeld, samen met de militaire politie. Diep in de nacht kwam ik terug op de basis. Iedereen sliep al. Had ik net de landing op de maand gemist.

"Ach, als ik die mannen terugzie op reünies, dan blijft dat bijzonder hartelijk. Zelden of nooit dacht ik aan Londen, en ook niet aan County Clare. Ik miste het verleden niet en genoot – in zekere zin – van het leven. En toen kwam België in mijn leven. (lacht) We zijn er bijna."

*

"Het gebeurde op een veerboot richting Dover. Na een trainingskamp ging ik terug naar huis, kocht een hamburger en een pint aan de bar en zocht een plekje aan het raam van de ferry. Daar zaten twee dames. ’Mag ik bij jullie zitten?’, vroeg ik. De dames bleken Franstalig en ik begreep niets van wat ze zeiden. Ik werd verliefd op het ene meisje, maar trouwde met het andere. We zijn nog altijd samen. 

"Mijn vrouw is Belgische. Na de avonturen in Zuidoost-Azië verliet ik het leger. Ik had er een blitzcarrière op zitten en trok de wereld van de beveiliging in. Veel kan ik daar niet over zeggen. Ik stond in voor de bewaking van hoge piefen, laat ik het daar op houden. Moeilijk hoor, dat verplichte zwijgen over je job, ook tegen je vrouw. 

"Maar goed, we zijn 40 jaar verder, onze kinderen wonen in Brussel, wij in Terhulpen en ik ben een tevreden man. Wat mij rest, is een glas bier in De Welkom en een wandeling met een van onze vijf honden. En lopen, dat ook. Ik ben Grandmaster van de Brussels Manneken Pis Hash House Harriers, een sociale loopclub. Maar mijn knieën hebben het begeven en het is hier goed zitten in Overijse.’"

"Heb ik je dan toch mijn hele verhaal verteld. Ollekebollekeknolleke. Geef ons nog een pintje."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234