Zaterdag 21/09/2019

Het leven eenstrijd

De tijd dat Richard Yates (1926-1992) het prototype van een vergeten writer's writer was, lijkt alvast in ons taalgebied tot het verleden te behoren. Een speciaal soort voorzienigheid, daterend uit 1969, is alweer het vijfde boek van hem dat in het Nederlands verschijnt. Het vijfde meesterwerk.

Terugblikkend op A Special Providence, zoals de oorspronkelijke titel van de roman luidt, slaakte Richard Yates in 1992 diepe zuchten. "I don't know what happened", gaf hij te kennen. "It was the second novel thing, I guess. That book took seven years, and it had to be torn out of me." In tegenstelling tot zijn debuut Revolutionary Road, werd A Special Providence na verschijning allesbehalve onder unanieme lofprijzingen vanwege de critici bedolven, en de weg die het naar het lezerspubliek vond, of had moeten vinden, bleek alras een doodlopende steeg te zijn.

Midden jaren zeventig sprak trouwens ook Yates zelf zijn onvrede met de roman uit. 'Builders', het in Eleven Kinds of Loneliness opgenomen verhaal waarmee het boek zijn hoofdpersoon Robert Prentice deelt, was óók geheel autobiografisch, verklaarde de schrijver, maar beantwoordde niettemin aan de vormelijke eisen die een literaire tekst nu eenmaal stelt. A Special Providence niet. Met name de toon van de roman vond hij niet afstandelijk genoeg. Hij had verzuimd zijn materiaal de stralende glans van fictie te geven. Want zoals elke Revelezer weet: echt gebeurd is geen excuus.

In 1944 nam Richard Yates dienst in het leger om in Frankrijk te gaan vechten en liep er tuberculose op. Op deze periode is Een speciaal soort voorzienigheid gebaseerd. Yates beschrijft met verve de uitputtende marsen van de soldaten door een chaotische wereld waarin bombardementen, hinderlagen en bijgevolg ook dodelijke slachtoffers aan de orde van de dag zijn, en bewijst in één moeite door dat morele excessen in een oorlogssituatie niet iets van de jongste tien jaar zijn. "De meesten bleven zo ver mogelijk bij de lijken vandaan, maar Krupka leek zich ermee te vermaken. Hij schopte ze tussen hun ribben en ging boven op hen staan (...). 'Hé', riep hij. 'Wedden dat jullie allemaal te schijterig zijn om op een van deze schoften te gaan zitten eten?'" Waarop hij het dan maar zelf doet.

Toch moet de roman het minder hebben van de gevechtsscènes en specifieke oorlogsgruwelen - hoe spectaculair en schitterend beschreven ook - dan van de psychologische karakterisering van de beide hoofdpersonages.

Robert Prentice is een typische Yatesprotagonist: een kinderachtig pretentieuze meeloper, een aansteller, een zielige poseur, die er op de een of andere manier desondanks in slaagt de volle sympathie van de lezer weg te dragen. Misschien omdat hij het alles samen allemaal toch echt wel goed bedoelt? Omdat de wijze waarop hij door zijn jonge bestaan stuntelt ons medelijden wekt? Of toch vooral omdat hij eigenlijk - je mag er gewoon niet aan dénken - uitermate herkenbaar is?

Net als bij Yates zelf het geval was, scheidden de ouders van Prentice toen hij pas een paar jaar oud was en groeide hij op zonder vaderfiguur, wat zeggen wil: zonder iemand die hem duidelijk maakt wat het betekent om een man te zijn. De zoektocht naar een mannelijke identiteit loopt als een rode draad door Yates' gehele oeuvre, en wie bijvoorbeeld Cold Spring Harbor heeft gelezen, weet dat betreffende queeste niet zelden in de richting van het leger leidt. Kleren maken de man, en dat geldt zeker voor een soldatenuitrusting. Waarbij de ironie - zeg maar gerust de humor - er vanzelfsprekend in bestaat dat wie hardnekkig tracht een man te worden, te zijn of te imiteren, blijk geeft van een bepaald onmannelijke en zelfs als infantiel te kenschetsen persoonlijkheid, - regelmatig valt het dan ook voor dat Prentice tot zijn eigen afgrijzen en angst in tranen dreigt te zullen uitbarsten.

Bij gebrek aan een echte vader spiegelt Prentice - die weleens "onder de indruk van het timbre van zijn eigen stem" pleegt te komen en voor wie een nieuw stel laarzen ook meteen een nieuwe manier van lopen tot gevolg heeft - zich onder meer aan filmhelden. Voordat hij in het leger gaat, komt hij een tijdje aan de kost als magazijnbediende: "Hij voelde zich mannelijk en op een aangename manier proletarisch als hij elke avond met zware stappen in zijn werkkleding naar huis liep, hij zag zichzelf als hoofdrolspeler van een inspirerende film over de strijd om het bestaan van de armen." Maar vooral op het nochtans bijzonder realistisch aandoende strijdtoneel in Europa probeert hij zijn rol als onverschrokken actieheld zo goed mogelijk te spelen: "Na een paar tellen stootte hij met de loop in voorwaartse richting en brak het vensterglas eruit, niet zozeer omdat hij wist dat hij dan beter zou kunnen mikken maar omdat soldaten achter een raam dat in de film altijd zo deden." Helaas, hoe jammer toch, 'zo goed mogelijk' is lang niet goed genoeg, en uiteindelijk heeft Prentice geen andere keuze dan zich erbij neer te leggen dat hij over weinig uitzonderlijke gaven beschikt, en dat de blik van de anderen waarmee hij zichzelf steevast meet, in werkelijkheid al te vaak met irritatie en deernis gevuld is. Al zijn pogingen om indruk te maken ten spijt, is dit op een gegeven ogenblik nog zijn enige troost: "hij mocht dan de slechtste soldaat van de sectie blijven, hij slaagde er dan toch maar in nooit meer de aandacht op zich te vestigen."

Hysterische moeder

De tweede hoofdpersoon van het boek is een al even typisch Yatespersonage als Robert Prentice. Het is zijn moeder, Alice, een even eenzame als egocentrische, naar liefde snakkende, mislukte doch verbeten kunstenares, die zacht gezegd wel van een natje houdt, eeuwig en altijd geldzorgen heeft en in voldoende mate naar hysterie neigt om er niet voor terug te schrikken tijdens ruzies godbetert een hartaanval te ensceneren. Ook zij slijt haar dagen in de behoorlijk vermoeiende waan 'anders dan de anderen' te zijn en neemt elke gelegenheid te baat om de wereld - en natuurlijk in de eerste plaats de mannelijke helft ervan - van haar uitgelezen kwaliteiten als mens, vrouw en beeldhouwster te overtuigen. Het succes dat zij zodoende boekt valt evenwel genadig uitgedrukt niet anders dan als wisselend te omschrijven, en de indruk die zij maakt is doorgaans even armoedig als haar jurk, "die nieuw noch helemaal schoon was en, zo wist ze bijna zeker, onder haar armen zichtbaar vochtig."

Een speciaal soort voorzienigheid bestaat uit drie delen en een epiloog, en het is geen toeval dat het tweede deel, dat in de jaren dertig speelt en waarin Alice en haar jonge zoontje Robert centraal staan, veruit het beste is. Yates heeft immers de oorlog niet nodig om zijn stelling hard te maken dat het leven een strijd is, en dat het gezin soms best de vergelijking met een slagveld kan doorstaan. In die zin zou je het zelfs een tikje dubieus kunnen vinden dat het boek verschenen is in de reeks 'Oorlogsdomein' van De Arbeiderspers. Meer dan over die tussen landen, immers, handelt het boek over de oorlog tussen mensen, - tussen moeders en zonen, tussen mannen en vrouwen, tussen soldaten die, let wel, tot hetzelfde kamp behoren.

Was Yates' vertwijfeling over A Special Providence in de jaren zeventig terecht? In geen geval. Heeft hij betere boeken geschreven? Dat wel. Veel betere boeken, zelfs.

Ver te zoeken zijn de schrijvers, echter, dood of levend, die dat laatste met hem gemeenschappelijk hebben.

Richard Yates
Een speciaal soort voorzienigheid
(Oorspronkelijke titel: A Special Providence)
Vertaald en van een nawoord voorzien door Marijke Emeis
De Arbeiderspers, 'Oorlogsdomein', 363 p., 27,50 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234