Donderdag 02/12/2021

Het laatste oordeel van een omstreden expert

Kunsthistoricus Paul Verbraeken wordt in binnen- en buitenland geroemd als autoriteit inzake romantische schilder- en beeldhouwkunst. Als expert kent hij zijn gelijke niet wanneer het over Joachim Beuckelaer gaat. Maar in Gent en Antwerpen wordt de man dan weer uitgespuwd als een ordinaire oplichter met extreem-rechtse sympathieën. De synthese van zijn visie op de zaak-Beuckelaer: 'Nu het kalf verdronken is, staan de slagers met hun messen te zwaaien.' Is Verbraeken nu eigenlijk echt of vervalst?

Het valt me op als ik de bandopname beluister: kunsthistoricus Paul Verbraeken is niet alleen een gedreven maar ook een taalscheppend verteller. "Ik ben één grote achilleshiel", mijmert hij tijdens het gesprek in een Antwerps etablissement. "Wat ik ook doe, het wordt altijd verkeerd uitgelegd." Ook met zegswijzen springt deze kenner van oude meesters creatief om. Hoe zou Pieter Bruegel de Oude deze spreuk hebben gekonterfeit: "Nu het kalf verdronken is, staan de slagers met hun messen te zwaaien"? Onuitgegeven, maar wel een perfecte synthese van zijn visie op de zaak-Joachim Beuckelaer. Om dat te begrijpen moeten we in dit prille verhaal al meteen een flashback inlassen, zoals in een thriller met een vergezochte plot.

We schrijven dus 13 december 2000. Die datum zal de kunstgeschiedenis ingaan als de dag dat Robert Noortman bij Christie's in Londen 19,8 miljoen pond neertelde voor een vrouwenportret van Rembrandt. Nooit eerder werd voor een oude meester zo'n bedrag geboden, en de transactie haalde dan ook het wereldnieuws. Men zou er haast bij vergeten dat diezelfde kunsthandelaar uit Maastricht op diezelfde veiling nóg een interessante aankoop deed: vier doeken van de zestiende-eeuwse Antwerpse meester Joachim Beuckelaer voor 180 miljoen frank, naast de Rembrandt van anderhalf miljard lijkt het niet meer dan een schnabbel.

Maar in het Gentse Citadelpark zijn ze nog niet bekomen van die schnabbel. Achttien jaar lang hingen de vier Beuckelaers in het Stedelijk Museum voor Schone Kunsten. De Vier Elementen - in feite drie markttaferelen en één keukentafereel - waren niet meer uit de collectie weg te denken. Geen bezoeker of suppoost die nog lette op het onderschrift met daarop de boekhoudkundige specificatie: 'bruikleen'. Had het museum immers geen volledige zaal voor de monumentale reeks ingeruimd? Terecht eerbetoon overigens, want Joachim Beuckelaer was een virtuoos schilder van volkstaferelen die als een van de belangrijkste Vlaamse meesters uit de zestiende eeuw te boek staat. Groot was dan ook de consternatie toen de eigenaar eind augustus per aangetekende brief een einde aan de bruikleen maakte en de onverwijlde verkoop van zijn Beuckelaers aankondigde. Vergelijkingen met de Mosselpot van Marcel Broodhaerts waren niet van de lucht. Alweer dreigde ons land een belangrijk stuk erfgoed te verliezen. En net als bij de Mosselpot werd een reddingsoperatie op het getouw gezet. Vlaams minister van Cultuur Bert Anciaux en de Stad Gent kwamen respectievelijk met 50 en 20 miljoen over de brug, de Vrienden van het Museum en de Provincie Oost-Vlaanderen sprokkelden nog enkele miljoenen. Met de moed der wanhoop werd een schriftelijk bod van 75 miljoen uitgebracht, onvoldoende om tijdens de veiling zelfs maar een figurantenrol te spelen.

De ontreddering is groot. Volgens hardnekkige geruchten verhuizen de Beuckelaers naar een kasteel in Zuid-Frankrijk. Bevestiging moet niet worden verwacht, want Robert Noortman koopt meestal in opdracht van verzamelaars die anonimiteit zeer op prijs stellen. Een ding is wel zeker: het Gentse Museum voor Schone Kunsten is vier Vlaamse meesterwerken armer. Wat rest, zijn lege muren en bittere verwijten.

Maar terug naar Antwerpen. Den Dagelinckx ligt niet alleen op een steenworp van het Museum voor Schone Kunsten, de brasserie fungeert tevens als entree voor het bekende veilinghuis Mon Bernaerts. Een betekenisvolle locatie, zo zal spoedig blijken. Geen das maar wel een sportief hemd en een wollen sjaal, Paul Verbraeken ziet er jonger uit dan eenenvijftig jaar.

Wat weet ik van deze man? Dat hij als kunsthistoricus in dienst van de stad Antwerpen veelgeprezen tentoonstellingen heeft georganiseerd, bij voorkeur over thema's of kunstenaars waar nooit eerder een haan naar kraaide. Dat hij in binnen- en buitenland als autoriteit inzake romantische schilder- en beeldhouwkunst wordt erkend. En niet onbelangrijk: dat hij als expert zijn gelijke niet kent wanneer het over Joachim Beuckelaer gaat. Het was Paul Verbraeken die in 1985 in het Gentse Museum voor Schone Kunsten de erg succesrijke Beuckelaer-tentoonstelling organiseerde. Veel goeds kun je dezer dagen in het Citadelpark over Paul Verbraeken niet vernemen. Toch moet zelfs zijn bitterste vijand toegeven dat het zijn verdienste is dat Gent achttien jaar lang met de reeks volkstaferelen van Beuckelaer heeft kunnen pronken. Het was immers Paul Verbraeken die de Antwerpse eigenaar ertoe wist te bewegen De Vier Elementen aan het Gentse museum uit te lenen. Wat staat er verder nog op mijn steekkaart? Dat hij als ambtenaar van de Stad Antwerpen anderhalf jaar geleden loopbaanonderbreking heeft genomen, na een zoveelste botsing met de hiërarchie. Dat hij alle collectioneurs, galeriehouders en kunsthandelaars van België en omstreken bij de voornaam kent. Dat hij in die kringen wordt geroemd om zijn neus voor onbekende of verloren gewaande meesterwerken. Zo haalde hij onlangs in Madrid een madonna met kind van Jacob Jordaens van onder het stof, zeer tot genoegen van zijn reisgezel en vriend Mon Bernaerts, die het werk voor een prikje kon kopen. De Jordaens werd intussen al verkocht, er zou een bedrag van 14 miljoen frank mee gemoeid zijn.

Wat ik ook weet omdat Dany Vandenbossche het me aan de telefoon heeft verteld: Paul Verbraeken is een Vlaams Blokker. "Dat is een publiek geheim", aldus Vandenbossche, Vlaams parlementslid en voorzitter van de Vrienden van het Museum. "Verbraeken is goede maatjes met Emille Verrijken, een notoir Blokker en verzamelaar van oude kunst uit Antwerpen." De Gentse SP'er heeft het vertrek van de Beuckelaers uit zijn fiere stede nog niet verteerd. Volgens hem is niet zozeer de eigenaar maar wel Paul Verbraeken de kwade genius achter de onverwachte verkoop. "Paul en de eigenaar zijn twee handen op één buik", zegt Vandenbossche. "Hij is het die ons voor het blok heeft gezet. Paul kende de financiële toestand van het museum erg goed, hij was jarenlang voorzitter van de vzw Promotie van het Museum. Hij besefte beter dan wie ook dat we niet in een handomdraai zo'n smak geld op tafel konden leggen. De verkoop kon trouwens niet slechter vallen. We hadden pas een tekening van Fernand Khnopff aangekocht, de kassa was leeg." Maar waarom zou Paul Verbraeken het Gentse museum zo'n rotstreek leveren? "Persoonlijke vetes", antwoordt Vandenbossche. "Het heeft alles te maken met die echtscheiding. De ex-vrouw van Verbraeken werkt nog altijd in het museum. En natuurlijk speelt geld een rol. Mij maak je niet wijs dat hij zelf niks aan de verkoop heeft verdiend."

Vlaams Blok-sympathieën? "Kijk", stuift Paul Verbraeken op. "Dat is weer zo'n typische roddel waarmee ze mijn reputatie proberen te breken. Natuurlijk ken ik Emille Verrijken. Die man is een van de allergrootste verzamelaars van zestiende- en zeventiende-eeuwse kunst. In dit vak kun je niet om hem heen, hij is trouwens altijd bereid om werken uit te lenen voor tentoonstellingen. Zo heb ik hem ook leren kennen. Dat hij bij het Blok was, dat wist ik niet eens. Politiek interesseert me niet, ik vraag jou toch ook niet voor wie je stemt. Ik durf trouwens niet meer aankloppen bij Verrijken. Als ze me nog één keer in zijn gezelschap betrappen, strooien ze gegarandeerd rond dat ik zelf in het bestuur van het Blok zit. Zelfs in het buitenland word ik door die kwakkel achtervolgd. Je weet toch waarom de National Gallery haar bod op de Beuckelaers heeft ingetrokken? Ze waren in Londen gebrand op de aankoop, er lag een enveloppe van 200 miljoen klaar. Alleen wilden ze eerst duidelijkheid over de herkomst van de Gentse Beuckelaers. Nu moet je weten dat er een hiaat zit in de pedigree. Het staat vast dat die werken oorspronkelijk uit de collectie van de Farnese komen. Voorts weten we met zekerheid dat ze in 1902 in Firenze werden verkocht en dat ze in 1982 opnieuw boven water zijn gekomen. Over de hele periode ertussen tasten we echter in het duister. Volgens mij hebben ze gedurende die tachtig jaar in een kasteel ergens halverwege Bergen en Namen gehangen. Eigenlijk ben ik daar heel zeker van, alleen staat het nergens op papier en kan ik het dus niet bewijzen. De National Gallery wil echter waterdichte garanties, meer bepaald over de oorlogsjaren. Begrijpelijk, want ze hebben al tientallen betwiste werken aan de muur hangen, stukken die al dan niet door de nazi's uit joodse collecties werden geroofd. Wat wil nu het geval? Dat de vorige eigenaar zijn Beuckelaers in 1982 heeft gekocht via een zekere meneer Reding, een Brusselse veilinghouder die tijdens de oorlog met lieden als Goebbels en Göring zou hebben gehandeld. Toen werden ze bij de National Gallery pas echt wantrouwig en besloten ze mijn antecedenten na te trekken. Logisch, want ik trad niet alleen op als specialist inzake Beuckelaer maar ook als bemiddelaar voor de eigenaar. Je kunt het vervolg wel raden. Ze gingen hun licht opsteken in Antwerpen, ik weet bijna zeker dat hun bron zich in het Rubenshuis bevindt. Nu moet je weten dat die van het Rubenshuis mijn bloed wel kunnen drinken. Dus wat kregen die Britten over mij te horen? Pas toch op met die Verbraeken! Die zit in extreem-rechtse kringen, die doet gemene zaken met louche handelaars. Geen wonder dat ze hun bod meteen hebben ingeslikt. Twijfelachtige oorlogsjaren, een handelaar met nazi-connecties en een expert met extreem-rechtse sympathieën, je zou voor minder panikeren."

Bittere vijanden in Gent, gezworen tegenstanders in Antwerpen, nooit gedacht dat een kunsthistoricus zoveel weerstand kon oproepen. Paul Verbraeken heeft er een goede uitleg voor: de fatale verstrengeling van beroepsleven en privé-sores. "Het is allemaal begonnen met mijn echtscheiding in 1994", zegt hij. "Mijn echtgenote heeft gezworen mij te breken. Vraag me niet waarom, maar veel vrienden en collega's hebben haar kant gekozen. Zij zijn het die mijn naam door het slijk sleuren. Met resultaat, want de National Gallery is geen alleenstaand geval. Professionele contacten worden om onverklaarbare redenen stopgezet, collega's weigeren me in het openbaar de hand te schudden, ik krijg geen enkele uitnodiging meer voor een culturele manifestatie. Vooral in Gent is het erg, daar word ik behandeld als een schurftige hond."

Ver van mij om me in ontspoorde huwelijken te mengen, maar de echtscheidingsperikelen geven wel voedsel aan de door Dany Vandenbossche geformuleerde hypothese dat de verkoop van de Beuckelaers in feite een vereffening van oude rekeningen is. "Larie", hoont Paul Verbraeken. "Het klopt dat ik een intieme vriend ben van de vorige eigenaar, maar ik heb niets te maken met zijn beslissing om de Beuckelaers te verkopen. Wil je de waarheid kennen? De eigenaar is doodziek, hij weet dat iedere dag zijn laatste uur kan slaan. Stel je in zijn plaats. Die man heeft vier Beuckelaers en drie zonen. Hoe gaat hij die verdelen zonder iemand te kort te doen? De reeks opsplitsen wil hij niet, dat zou kunsthistorisch vandalisme zijn. Dan maar de hele zwik aan één zoon schenken en de andere twee compenseren? De man is rijk, maar niet zo rijk dat hij twee keer 180 miljoen op tafel kan gooien. Daarom heeft hij beslist de Beuckelaers te verkopen, hij wil zijn erfenis in schoonheid regelen, voor het te laat is. Dat ze in het museum nu moord en brand schreeuwen, is bespottelijk. Ze hebben kansen genoeg gekregen om de Beuckelaers tegen een vriendenprijs te verwerven. Want die eigenaar is een echte mecenas, hij was het museum tot op het laatst gunstig gezind. Ik heb het wel honderd keer tegen Robert Hoozee (de conservator van het Gentse Museum voor Schone Kunsten, ER) gezegd: doe die man toch een aanbod. Maar nee, het leek alsof de eigenaar al blij mocht zijn dat hij zijn Beuckelaers in bruikleen mocht geven. Het toppunt was wel de viering van 200 jaar museum en 100 jaar Vrienden in 1997. Een dubbele verjaardag, ze wilden een groots gebaar stellen. Ik dacht, nu gaan ze eindelijk die Beuckelaers kopen. Maar wat gebeurt er? Ze laten hun oog vallen op een witmarmeren borstbeeld, voorstellende de Gentse bisschop Anton Triest. Vraagprijs: 80 of 120 miljoen, ik wil er van af zijn. Feit is dat ze zoveel geld niet bijeen kregen. Dus besloten ze toch maar een bod uit te brengen op De Vier Elementen. Weet je hoeveel ze wilden betalen? Vijfentwintig miljoen, als belediging en bewijs van ondankbaarheid kon dat wel tellen. Want de eigenaar wist maar al te goed dat Hoozee in alle stilte de Beuckelaers had laten schatten bij Hoogsteder, een kunsthandelaar uit Den Haag. Minimaal 100 miljoen, had die gezegd." Alweer die kloof tussen feiten en interpretaties. Robert Hoozee bijvoorbeeld verwijst dit hele verhaal naar het rijk der fabels (zie kaderstuk).

Dit wordt een van die vraaggesprekken met een therapeutische meerwaarde voor de geïnterviewde. Alles moet eruit, ook zijn teloorgang als gemotiveerd ambtenaar bij de dienst cultuur van de Stad Antwerpen. De val voltrok zich in verschillende bedrijven. Eerst werd hij van het Hessenhuis naar het Rubenshuis verbannen. "Naar de keuken", preciseert hij. "Ik kreeg een tafeltje bij het koffieapparaat. Daar heb ik zes maanden met mijn vingers zitten draaien. Het was een schande, maar het ergste moest nog komen." Het ergste kwam tijdens een vergadering met zijn superieuren bij Eric Antonis. Het verdict: mutatie naar de stadsbibliotheek waar hij als gevierd tentoonstellingsmaker boeken zou inschrijven. Verbraeken kan de motivatie voor zijn carrièrewending nog woord voor woord navertellen. "'Paul', zeiden ze, 'uw bekwaamheid staat buiten kijf. Maar met u valt niet samen te werken'." Waarop hij terstond loopbaanonderbreking nam. "Eric Antonis heeft me diep ontgoocheld", zegt hij. "Aanvankelijk dacht ik: wat een frisse verschijning, eindelijk iemand die een nieuwe wind laat waaien in het Antwerpse cultuurleven. Hij steunde me ook wanneer ik weer eens overhoop lag met de bureaucratie. Jammer genoeg heeft ook hij zich tegen mij gekeerd."

Misschien heeft hij te hard op de tenen van de Antwerpse cultuurschepen getrapt. Zoals die keer toen Eric Antonis plannen smeedde om het Vleeshuis tot een stadsmuseum te verbouwen. Op zich geen slecht idee, alleen maakte de brandweer bezwaar tegen het gebrek aan vluchtwegen in het geklasseerde monument. En dus vonden de architecten er niets beters op dan de bezoekers met een glazen lift langs de achtergevel aan te voeren, tot afgrijzen van Paul Verbraeken, die een zitje had in de ad-hocwerkgroep. "Stel je voor", zegt hij. "Het Badhuis aan de overkant moest dienen als onthaalcentrum. Vandaar zouden de bezoekers met zestig tegelijk in een bak stappen die zich dwars door de gevel van het Vleeshuis boorde. Een aanslag op het patrimonium zonder voorgaande, maar dan moest je de voorstanders bezig horen: dat glas stond voor openheid en transparantie, die lift zou een symbool van vernieuwing worden, de tweede bevrijding van Antwerpen leek nabij. Misselijk werd ik ervan, ik heb er alles aan gedaan om dat plan te dwarsbomen." Perslekken bleken een probaat actiemiddel, en uiteindelijk zag Antonis zich genoodzaakt de hele verbouwing af te blazen.

Eigenlijk heeft hij zijn hoofd zelf op het kapblok gelegd. Zijn optreden als expert tijdens de veiling van de jezuïetencollectie bij Mon Bernaerts was voor Eric Antonis een brug te ver. Verbraeken had zich afgegeven met het kapitaal, en een groter verwijt valt in museale kringen niet te incasseren. "Typisch Belgisch", zegt hij, "hier hanteert men een duaal wereldbeeld. Aan de ene kant heb je de musea, aan de andere kant de galerijen, veilingen en verzamelaars. Beide werelden mogen elkaar niet raken, er moeten waterdichte schotten worden opgetrokken. In het buitenland ligt dat helemaal anders. Als daar een specialist van een museum door een veilinghuis wordt vraagt, dan beschouwt het museum dat als een groot compliment. Ik heb mezelf niets te verwijten. Het is niet omdat ik mijn kennis ten dienste stel van handelaars en verzamelaars, dat ik me laat corrumperen. Mon Bernaerts is nu wel een vriend, maar vroeger zag hij me absoluut niet zitten. Ik was die vervelende man die op zijn veilingen kwam vertellen dat zijn schilderijen vervalsingen of kopieën waren."

Honger lijden zal deze gevallen ambtenaar niet doen, en tijd om zich te vervelen heeft hij al evenmin. Experts in oude kunst zijn immers veelgevraagd reisgezelschap. Weekendje Parijs, Madrid, Lissabon, Warschau, meestal vliegt en verblijft hij op kosten van een handelaar of verzamelaar die zich tijdens de jacht van deskundig advies wil bedienen. En nee, hij durft het op zijn communicantenziel te zweren, hij wordt er niet voor betaald. "Het is een eerlijke ruil. Zij betalen mijn reis, ik bied mijn kennis aan. Geld interesseert me niet, het speuren naar ontdekkingen is mijn passie. Het idee dat je een meesterwerk aan de vergetelheid kunt onttrekken, dat is de uitdaging. Sommige van mijn ontdekkingen hangen nu in Amerikaanse en Europese topmusea."

Hij kan het niet ontkennen. Had hij gewild, hij had in Madrid de zaak van zijn leven gedaan. Want waarom moest hij zo nodig Mon Bernaerts tippen over de ware auteur van de madonna met kind? Was hij een week later in zijn eentje naar Madrid teruggereisd, hij zou nu vele miljoenen rijker zijn. "Je bent niet de eerste met die opmerking", zegt hij. "Stommerik, zeggen de mensen, hoe kun je zo naïef zijn. Maar ik zei het toch al, loyaliteit is voor mij belangrijker dan geld. Weet je wat voor mij een mooie beloning is? Gisteren zijn Mon en ik die Jordaens gaan afleveren. De koper is een rasechte Antwerpenaar die zich pijn heeft gedaan om dat schilderij toch maar in zijn stad te houden. Die man was in de zevende hemel, hij heeft ons als prinsen ontvangen."

Ach wat, denk ik bij mezelf, ik zou het ook niet aan de neus van de belastingcontroleur hangen, de man is tenslotte verwikkeld in een pijnlijke boedelscheiding. Veel interessanter dan deze pecuniaire aangelegenheden is volgende kwestie: hoe herken je een authentieke Jordaens te midden van een hoop rommel in een Spaans kunstdepot? De vraag wordt met een tegenvraag beantwoord. "Hoe herken je de geur van selder in de keuken? Omdat je in je leven al vaak selder hebt geroken. Vraag aan een eskimo hoe selder ruikt, en hij zal het antwoord schuldig blijven. Zo is het ook met kunst, je moet er oog voor hebben en je moet er constant mee bezig zijn. Meestal hoef ik maar één centimeter van een doek te zien om uit te maken wie de schilder is. Een van mijn allermooiste ontdekkingen heb ik gedaan in galerij Meulemeester op de Zavel. Het was toeval, in het voorbijgaan viel mijn oog op een werk in de etalage. Ik herkende het op slag: een Laatste Oordeel van Pieter Aertsen, de leermeester van Joachim Beuckelaer. Als een magneet werd ik naar binnen gezogen. Geen vergissing mogelijk, het ging zelfs om een erg vroeg werk van Pieter Aertsen. Weet je wat mijn laatste twijfel wegnam? Het lijkt een banaal detail: alle engeltjes hebben vleugels. Maar alleen de engeltjes van Pieter Aertsen hebben vlindervleugels. Dat Laatste Oordeel is nog altijd in mijn bezit, het is zowat het enige grote werk dat ik ooit van mijn eigen geld heb gekocht.

"Maar details kunnen ook de hand van de vervalser verraden. Enkele jaren geleden werd ik door de antiekbeurs van Brugge als expert ingeschakeld. De sensatie van de beurs was de stand van een steenrijke Amerikaan die met zijn privé-jet uit New York was komen overvliegen. Ongelooflijk wat die man allemaal in de aanbieding had. Er hing een Jan Steen, een Rembrandt, het kon niet op. Van één doek kon ik mijn ogen niet afhouden: een boslandschap met watermolen van Meindert Hobbema, een tijdgenoot van Rembrandt. Hier klopt iets niet, dacht ik, het ziet er te mooi uit. Ik heb in mijn leven al voor heel wat Hobbema's gestaan, ik voelde dat er iets mis was maar ik kon het niet onder woorden brengen. En ik maar kijken en die Amerikaan maar zwaaien met zijn certificaten. Hij moet gedacht hebben, wat probeert dat onnozel Belgisch expertje nu te bewijzen. En dan komt het moment dat hij zichzelf de das omdoet: hij toont me een monografie van Meindert Hobbema met een reproductie van het bewuste boslandschap. Het was een standaardwerk uit het begin van de vorige eeuw met illustraties in koperdiepdruk die uitzonderlijk rijk aan details zijn. Meteen wist ik wat er scheelde. De rook komt uit een andere hoek uit de schoorsteen, een hoek van 45 in plaats van 53 graden. En bij nader inzien: die kruinen moeten niet naar links maar naar rechts overhellen. Ik heb dat doek meteen laten wegnemen, het was een levensgevaarlijke vervalsing."

Allemaal stof voor het boek dat hij aan het schrijven is. Vervalsingen in de kunst, of de kunst van het vervalsen, hij heeft nog geen werktitel gekozen. "Het zal niet alleen gaan over het ontmaskeren van vervalsingen", zegt hij. "Wat me fascineert, is de filosofie van de kunstvervalser. Waarom schildert iemand met een puntgave techniek oude meesters na, liever dan een eigen oeuvre te ontwikkelen? Bij Van Meegeren is het zo klaar als een klontje. Die begon valse Vermeers te produceren uit woede omdat zijn eigen werk door de kritiek werd versmaad. Maar Van Meegeren is lang niet de interessantste kunstvervalser." Als zijn boek klaar is, maken we een nieuwe afspraak. Rest ons vandaag enkel nog een portret te maken. We lopen naar het Antwerps Museum voor Schone Kunsten, naar het borstbeeld van oud-burgemeester en kunstmecenas Van Ertborn, die in 1841 de basis voor dit museum legde door 150 werken, waaronder heel wat topstukken van Vlaamse Primitieven, aan zijn stad Antwerpen te schenken. Of hij het ook heeft gehoord? Dat Eric Antonis een deel van zijn collectie aan de Vlaamse Gemeenschap wil verpatsen om het begrotingstekort van de metropool aan te zuiveren? "Jawel", kopt Paul Verbraeken de voorzet gretig binnen. "En ik vind het een grof schandaal. Je kunt ook je eigen moeder verkopen. Wedden dat ze bij 't Stad niet eens meer weten wie Van Ertborn was?"

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234