Woensdag 16/06/2021

Het korset van de werkelijkheid

In april 1939 stond At Swim-Two-Birds van Flann O'Brien (pseudoniem van Brian O'Nolan, 1911-1966) een week lang boven aan de Dublinse top-tien van bestsellers, waar het Gone With the Wind kortstondig de loef afstak. Maar al gauw kwam het grote lezerspubliek erachter dat dit niet was wat een groot lezerspubliek van een bestseller verwacht. Even prompt werd het boek weer vergeten. Mogelijk had de oorlog daar ook wel iets mee te maken. O'Brien zou later beweren dat Hitler zo'n hekel had aan dit boek dat hij een oorlog begon om het te torpederen.

Hoe dan ook, wat O'Brien zelf in dit heerlijk ontaarde boek hekelt, is de dictatuur van de alwetende verteller. De goddelijke status van de auteur wordt al van het begin af geproblematiseerd, wanneer de ik-figuur drie verschillende openingsscènes bedenkt, die elk overeenkomen met een ander boek in het boek: "Eén begin en één einde voor een boek was iets waar ik me niet mee kon verenigen.

Die ik-figuur is een Dublinse student die bij zijn oom inwoont. Hij schrijft een verhaal over de auteur Dermot Trellis. Deze literaire despoot schrijft op zijn beurt een moralistisch boek "over de zonde en het daaraan verbonden loon". Hij maakt daarvoor gebruik van tweedehandspersonages uit boeken van collega-schrijvers of uit de Ierse mythologie, onder meer Finn MacCool en de waanzinnige koning Sweeny. Daarnaast creëert Trellis ook karikaturen zoals de verdorven Furriskey en de beeldschone Sheila Lamont. Dat doet hij volgens de beproefde methode van de "estho-autogamie", waarmee personages op volwassen leeftijd ter wereld komen. Hij maakt Sheila zo mooi dat hij zich aan haar vergrijpt. Ze brengt een kunstenaar (meteen als jongeman) ter wereld, die ze Orlick noemt.

Deze onwettige nakomeling van Trellis is de protagonist van het derde boek in het boek. Zolang zijn geestelijke verwekker wakker is, moeten alle personages naar zijn pijpen dansen, maar zodra Trellis slaapt smeden ze het vermetele plan om Orlick als tegengif een verhaal te laten schrijven waarin de oude Trellis op een gruwelijke manier aan zijn einde komt. Uiteindelijk blijft hem dit einde bespaard doordat zijn dienster per toeval de bladzijden van het manuscript waarop de muitende personages gecreëerd zijn verbrandt, zodat ze niet meer bestaan.

Al deze verhalen lopen met opzet flink uit de hand en worden voortdurend onderbroken door cursief gedrukt commentaar. Wanneer de verteller zegt dat hij geen Rockefeller is ("om de geringheid van mijn middelen duidelijk te maken"), volgt daarop als een duidingsmagazine na het journaal meteen de verklaring dat het hier om een stijlfiguur gaat die synecdoche wordt genoemd. Met dit soort interventies naait O'Brien zijn lappendeken aan elkaar en vestigt hij tegelijk de aandacht op de stiksels. Het doelwit van deze metaroman is het naturalistische streven om een illusie van werkelijkheid te scheppen. Wanneer Trellis achter zijn dienster de trap oploopt, valt zijn oog op de rand van haar korset, die een kleine ribbel onder haar rok vormt. Daarop volgt de bedenking: "Het behoort tot de functie van een dergelijk kledingstuk het figuur te verbeteren en de illusie te geven van een sierlijk gevormd lichaam. Als het tijdens de vervulling van zijn taak zijn aanwezigheid verraadt, gaat de uitwerking grotendeels verloren." Precies op dat verlies is O'Brien uit. Wat hij daarbij wint, is een veel scherper besef van waar hij mee bezig is. Voortdurend wijst O'Brien op de kunstmatigheid van wat zich afspeelt in het hoofd van de naamloze student. Uiteindelijk gaat het om niet meer dan uitweidingen naar het voorbeeld van zijn voorganger Tristram Shandy. O'Brien citeert erop los zonder ooit pedant te worden. Zo zijn er twee randfiguren die Timothy Danaos en Dona Ferentes heten, naar Timeo Danaos et dona ferentes ('Ik vrees de Grieken, ook al brengen zij geschenken'), een ironische allusie op het paard van Troje uit de Aeneis van Virgilius.

Deze en andere verwijzingen naar de antieken zijn meer dan waarschijnlijk bedoeld als commentaar van de 28-jarige O'Brien bij het werk van James Joyce, meer bepaald de Homerische structuur van Ulysses en de ambities van Stephen Dedalus aan het einde van A Portrait of the Artist as a Young Man. Als mythologische achtergrond kiest O'Brien voor het Ierse alternatief, onder meer door het oude verhaal van koning Sweeny in zijn tekst te monteren. Volgens de Ierse mythologie werd koning Sweeny vervloekt door Sint-Ronan, zodat hij in de waan verkeerde dat hij een vogel was. Een van de plekken waar hij heenvliegt, is Swim-Two-Birds; vandaar de titel. Wanneer de waanzinnige Sweeny uit een boom valt, snelt zijn zoogbroeder toe om hem met kluisters te ketenen en hem weer bij zinnen te laten komen.

Terwijl Stephen Dedalus breekt met kerk, vaderland en familie, lijkt de naamloze student bij O'Brien aan te sturen op een verzoening met zijn oom (die deze drie instituten belichaamt). Maar het effect is hetzelfde: beide jongemannen lopen het gevaar te dicht bij de zon te vliegen en net als Icarus naar beneden te storten om verzwolgen te worden door een deinend en schuimkoppig conformisme.

Zowat elk literair experiment is een vergelijkbaar lot beschoren. Nadat O'Brien het naturalisme de genadesteek had toebracht, liet de kritiek deze roekeloze Icarus eerst zijn vleugels verbranden en hem vervolgens in de vergetelheid storten. Toen hij daar in de jaren zestig weer uit opgevist werd, was dat ten dele om zijn vernieuwingen in te lijven in de minder onbezonnen literatuur van het Daedalustype. Dertig jaar nadat O'Brien zijn boek op drie verschillende manieren liet beginnen, rondde John Fowles Het liefje van de Franse luitenant af met drie verschillende ontknopingen. In het fameuze dertiende hoofdstuk heeft Fowles het onder meer over auteurs die niet langer de goden zijn van de Victoriaanse voorstelling, maar die hun personages hun vrijheid gunnen. Dat Het liefje van de Franse luitenant niet meer in het korset van de werkelijkheidsillusie zit, is grotendeels te danken aan de eloquente manier waarop Flann O'Brien met de veters van dit rijglijf heeft gespeeld.

Flann O'Brien, At Swim-Two-Birds, vertaald door Bob den Uyl onder de titel Tegengif, verschenen in 1974 bij uitgeverij Meulenhoff.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234