Vrijdag 20/05/2022

Het kapotte huis

Met z'n vieren waren wij de zoveelste drie musketiers - het hing van de dag af wie d'Artagnan was. Schermend met onzichtbare degens maakten wij de straten onveilig, liepen met wijde passen achteruit, botsten tegen voetgangers aan. Ze foeterden, maar dat kon ons niets schelen, we hadden geschaafde knieën en een avontuurlijke geest. Michel wist dat hij ten laatste volgend jaar naast zijn vader in een drukkerij moest gaan werken. Popaul, zijn jongere neef die omdat zijn ouders gescheiden waren bij Michel woonde, zou er later zeker ook aan de slag kunnen.

Jean-Pierre zou het kleine metaalatelier van zijn vader overnemen, vlak achter de hoek van de straat waar we allemaal woonden. Zijn moeder had niet graag dat hij zoveel met ons optrok maar was nog banger dat de buren het pretentieus zouden vinden als ze hem niet buiten liet spelen. Toen ze het woord musketiers hoorde, probeerde ze hem te paaien met de Nelson-bibliotheek van zijn vader, en wilde hem lekker maken door te zeggen dat ze het boek bezaten waar in stond wat de musketiers twintig jaar later deden. Maar dat kon Jean-Pierre niet schelen, en grimmig keek ze toe hoe we weer onverstaanbare kreten uitstootten en verdwenen in een parallelle wereld naast de volwassenen. Ze vreesde dat krankzinnigheid op de loer lag. Soms, in de grote vakantie, was er ook een Franse jongen uit Rouen, die hier kwam om aan te sterken. Altijd liep hij gekleed in een lange asgrijze schort die hij ma blouse noemde. Steeds had hij het zorgelijk over geld. We respecteerden zijn somberheid. En dan was er nog Harry, maar het zou niet lang duren voor die zijn haar liet permanenten en naar het Vreemdelingenlegioen trok - in die volgorde.

De straten rondom, enkele braakliggende terreinen, en het officiële gemeentelijke speelplein met dat maffe kasteeltje achteraan was ons actieterrein, onze kantelen en prairies. Maar het liefst trokken we altijd, al was het verboden, naar de kapotte huizen aan de Ninoofsepoort. Ze waren gebombardeerd tegen het einde van de oorlog, wisten we van horen zeggen, omdat de Duitsers het kanaal Brussel-Charleroi wilden treffen, en nu stonden ze er nog altijd, om mysterieuze redenen niet afgebroken. Vooraan was een hoge schutting, maar achteraan kon je de ruïnes gewoon betreden. Het waren er twee, en misschien zelfs drie, door de bommen tot een vreemde manier in elkaar gekronkeld, met een overvloed aan mysterieuze en onlogische gangen, kleine kamertjes met het behang nog tegen de stukken muur, trappen die overal en nergens naartoe leidden. Het was allang niet meer na te gaan welke rommel echt uit de oorlog afkomstig was en wat mensen er later waren komen gooien: bokalen, flessen, matrassen, voedselresten. Er lagen uitwerpselen van dieren en mensen, en dronkemannen kozen de wegzakkende benedenverdieping uit om te komen overgeven. Het balde zich allemaal samen tot een geur waar we niet misselijk van werden, maar waar we van dachten dat het ook de geur van angst was geweest, door de bewoners geproefd net voor de bommen vielen, toen de sirenes hadden weerklonken en ze geen tijd meer hadden gehad om naar een schuilkelder te rennen.

Iedere keer weer zochten we naar menselijke resten en skeletten. Soms werden we benaderd door een lijzig sprekende man die vroeg of we niet met hem meegingen, naar de diepste gewelven onder het huis, we zouden er veel plezier beleven. Hij wilde niet zeggen waaraan, dat konden we alleen maar zelf ondervinden. We lachten hem uit en trokken de mysterieuze brandladder op. Vanaf een doorkijkverdieping hielden we in het oog hoe de kerel tussen de stinkende smurrie masturbeerde, en we grinnikten om zijn gigantisch schokkende schaduw.

In onze straat woonde Albert, een korte vlezige jongen. Zijn vader, ook kort en dik, maar met een baard, dreef een handel in gedroogd exotisch fruit. Later hoorden we dat hij een Pool was. Alberts moeder was een deftig geklede Duitse vrouw die boven iedereen uittorende. Hij ging niet naar onze school, maar vertrok vroeger en kwam later terug, met een boekentas waar altijd een peperduur liniaal uit stak. Steeds haastte hij zich, schuw, als om ik weet niet welke ontmoeting te ontlopen. Had iemand anders hem eerst getreiterd, dan hadden we hem wellicht in bescherming genomen, maar nu irriteerde hij ons alleen maar, altijd in die marineblauwe kleren, altijd die schraapachtige gang als van een ontsnapt hobbelpaard.

"Hé Albert," riepen we en liepen op hem toe. "Waarom heet je eigenlijk Albert?" Jean-Pierre deed een extra duit in het zakje. "Ja, bestaat dat eigenlijk, Albert in het Duits?" Albert begon meteen al te schokken en in elkaar te krimpen. We sloten hem in. "We gaan op je gezicht slaan, weet je, Albert. Misschien zelfs je ogen uitkrabben. Wat denken jullie ervan, jongens?" We draaiden ons naar elkaar toe en confereerden over zijn nakend vreselijk lot. Het was fascinerend, en wij vonden het abject, hoe hij zich zonder enige controle totaal overgaf aan zijn angst. Hij gilde, kermde, snokte en snikte, tot tranen en snot over zijn kin liepen. Hij weerde ons af met korte bewegingen, en dat maakte Popaul soms echt woedend. "Wil je ons slaan?", beet hij Albert toe. "Nee! Natuurlijk niet!", fluisterde die. "Nooit." Hij bleef schaduwboksen met zijn angst. "Hé jongens!", riep ik plots. "Hij lijkt op een filmster! Keizer Nero in Quo Vadis!" Dat vond Jean-Pierre een goede verrassing, en Michel lachte: "Kijk, ik geef zo meteen de keizer een trap!" Maar dat deed hij niet. Eigenlijk raakten we hem bijna nooit. Na een kwartier murmelden we medelevend: "Je wilt zeker naar huis?", en toen trokken we de zakdoek uit zijn broekzak, betten zijn tranen, veegden zijn snot op. Klagend knikte hij en holde met spastische bewegingen tot aan zijn deur.

Zijn vader wantrouwde ons diep, maar zijn moeder vond het eigenlijk best dat we vaak met hem omgingen.

"Vooruit", grijnsde Michel, "jij kent Duits, vraag het maar." Ik belde aan. "Entschuldigung..." Ik vroeg of Albert met ons mocht buiten komen spelen. Ze keek me welwillend aan. Misschien wist ze wel dat mijn moeder ook een Duitse was, maar daar werd nooit iets over gezegd. Er was ten slotte een standenverschil. "Waar gaan jullie dan spelen?", vroeg ze vriendelijk. Albert stond in de deuropening en hield zich vertwijfeld aan een overgordijn vast. "O," deden we, en zogen de paradijselijkste veilige speelhoekjes uit onze duim. "Gaan jullie ook naar het speelplein?", informeerde ze. "Want weten jullie, dat heeft ooit aan een graaf toebehoord. Iemand van adel. Later heeft die het in zijn testament aan de gemeente nagelaten, en nu kunnen jullie er spelen." Het was een mooi verhaal, maar wat hadden we eraan? Als we daar aanvallen op de burcht deden en schermden boven de slotgracht, kwam de zure conciërge ons telkens wegjagen.

"Kom, Albert," besloot ze genereus. "Kom bij je vrienden."

Wanneer we het dan toch eens te bont hadden gemaakt, hem ruw in onze spelletjes hadden aangepakt, bracht ik hem terug naar huis en wees op zijn bebloede ellebogen en knieën. "Entschuldigung," mompelde ik. Ze monsterde haar zoon en lachte. "Zo wordt hij een echte jongen!"

Albert was doodsbang van het kapotte huis, als we er naast het kanaal naartoe liepen, huilde hij de hemel toe, klemde zich wanhopig vast aan de reling, liet zich op de grond vallen, tot we er hem binnen moesten dragen. Bevend stond hij in die immer zondags lijkende kleren tussen het vuil, en we riepen hem troostend toe: "We waarschuwen je wel als er ratten zijn! Wah! Wat een reusachtige! Wat een monster." Hij stond daar maar te bleren en werd onnozel van angst. Het begon ons te vervelen en die ene avond besloten we het anders aan te pakken. Het was een van die examendagen vlak voor de grote vakantie, als het slechts halve dagen school is en de ouders de tel kwijtraken in de uurroosters. Als voorschot op de komende twee vakantiemaanden lieten ze hun kinderen dan maar met rust.

"Wat wordt het al donker, hé Albert?", begonnen we. "Toch gaan we je hier houden tot middernacht."

"Nee... Toe... Nee, alstublieft...", pleitte hij. We joegen hem naar boven. Met verrassende behendigheid klauterde hij de verroeste sporten van de brandladder op. Het was de angst die hem vleugels gaf, want bij elke verdieping die hij voorbijkwam slaakte hij een gil, zelfs zonder naar beneden te durven kijken. Ten slotte arriveerden we op het dak - dat eigenlijk niet het dak was, want dat was weg, maar gewoon de derde of vierde verdieping. Zo hoog waren we nog nooit gekomen, wel ons hoofd buiten het gat gestoken, maar het zag er telkens te wijd, te onheilspellend uit, met een nijdige wind over het gammele, gebarsten beton. We deden voorzichtig enkele passen, om de metalen staven heen die op vele plaatsen uit de vloer staken. Misschien waren we langer beneden gebleven dan voorzien, want het was donker, en de maan stond er al. "We moeten naar huis", zei Jean-Pierre nuchter.

"Daar woon ik", wees Popaul. "En daar jij." Albert durfde niet te kijken. Hij had zich laten vallen en hield zich nu vast aan zijn eigen billen. "Mama!", krijste hij.

"Natuurlijk zul je je huis nooit meer terugzien."

Michel had een idee. "We laten je gaan als je een skelet kust. Zul je het doen?" Albert keek niet meer op. Michel staarde voor zich uit, hij peinsde er niet over om weer af te dalen en met wat bijeengesprokkelde beenderen weer naar boven te klauteren. "Het is toch waar", mompelde hij. "Het is toch de schuld van de Duitsers dat hier doden zijn gevallen."

"Anders komen de geesten hem halen!", riep Popaul. "In plaats van vliegtuigen geesten!" Dat was goed gevonden, we scandeerden het luid na, brulden het Albert toe, die nu zijn hoofd had verstopt tussen zijn knieën. "En joden!", brulde Popaul. "Geesten van catastrofejoden, magere joden!"

Plots sprong Albert rechtop en spurtte naar de ladder. Hij verraste ons allemaal. "Pas op!", riep Michel. "Bravo!"

Misschien was Albert te bruusk geweest, maar voor hij de brandladder bereikte, brak het beton af en zweefde hij even in het ijle, zijn voet tastte naar de lichtjes wiebelende ijzeren staven, zijn armen gingen over en weer als een schaar. Toen verdween hij in het gat. We hoorden hem tegen iets botsen, het geluid van scheurende kleren. Hij gilde, maar niet lang, zeker geen drie verdiepingen.

Behoedzaam slopen we naar het gat, wie eerst de brandladder had bereikt klemde zich daaraan vast, en we hielden elkaar in een stevige greep bij de hand. We tuurden de duisternis in. "Wat een snul", zei Michel. "Hij heeft een trede gemist."

De uren die volgden, zelfs de dagen, verliepen gedempt. Een politieman bracht ons naar huis, maar ik kan me niet herinneren dat we ondervraagd werden. Kort daarop werd het kapotte huis helemaal onbenaderbaar, omheind, en een paar weken later werd het afgebroken. Vanuit onze ramen in de huizen die aan elkaar paalden keken Jean-Pierre en ik of er iets gebeurde aan de woning van Albert; we zouden dan een signaal geven door drie keer tegen de muur te bonzen. Maar alles bleef rustig. Tot onze opluchting kwam er ook geen katafalk. We wisten niet waar iedereen was.

Lange tijd speelden we geen musketier meer, sinds we elkaar daarboven zo strak hadden vastgehouden gingen we nu meestal onze eigen weg. Het was toeval dat we die ene keer weer samen waren, uit voorzichtigheid namen we altijd een andere weg om naar het speelplein te gaan, zelfs Jean-Pierre liep het huizenblok om wanneer hij zijn vader het middagmaal moest gaan brengen. Maar aangezien er niks gebeurde, werd onze onverschilligheid groter en stonden we daar, toen de deur plots open ging en Albert zijn moeder buitenkwam. Ze droeg rouwkleding en een sluier, ze keek op ons neer. Haar hoofd zwenkte traag over ieder van ons en haar blik die niet kon zien bleef op mij gericht. De woorden, vervormd door haar rouwsluier, hoorde ik: "...und immer Entschuldigung."

Ze stapte weg. Opgelucht stoven we de straat uit. "Heb je dat gezien!", hijgde Michel. "Ze draagt een sluier!"

"Omdat dat moet in Duitsland!", antwoordde ik kortaf.

Op de plaats van het kapotte huis staan nu reclameborden. In deze door werkloosheid aangetaste buurt grimlachen die even karnavalesk. Het kanaal wordt nog relatief druk bevaren, maar de meeste depots eromheen zijn allang gesloten. Het water lijkt nu overdag donkerder dan wanneer je er vroeger 's avonds langs liep. Ik moet toegeven, als ik me over de afgebladderde reling buig zie ik niet mijn weerkaatsing, het water heeft de kleur van haar sluier.

Pierre Platteau

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234