Woensdag 24/07/2019

Het kamertje waar boeken worden geboren

Van alle boeken die vanaf morgen op de 81ste Boekenbeurs zullen liggen, werden er flink wat geschreven in een zogeheten schrijversresidentie. Je afzonderen van de wereld om in alle rust aan je oeuvre te werken: is dat even pedant als het klinkt? Stef Selfslagh nam de proef op de som en trok zich terug in de Amsterdamse Schrijversresidentie aan het Spui.

Een stuk over schrijversverblijven kun je maar op één plaats schrijven: een schrijversverblijf. En dus val ik Maaike Pereboom van het Nederlandse Letterenfonds net zo lang lastig tot ze me de sleutels overhandigt van de Amsterdamse Schrijversresidentie: een prachtig appartement op het Spui, waar onder meer David Van Reybrouck, DBC Pierre, Saskia de Coster, John Green, Yves Petry en Maud Vanhauwaert al flarden van hun oeuvre kwamen pennen.

Nadat ik de flat met gepaste nieuwsgierigheid heb betreden en mijn jas, tandenborstel en Swiffer naar hun respectievelijke kamers heb gebracht, taxeer ik het bureau in de woonkamer. De rugleuning van de bureaustoel is ongewoon hoog: tureluurs gedraaide schrijvershoofden kunnen wel wat steun gebruiken, moet de interieurdesigner van dienst gedacht hebben.

Het parket onder de schrijftafel vertoont sporen van slijtage: hét bewijs dat de schrijvers die hier verbleven wel degelijk aan hun gelegenheidsbureau hebben plaatsgenomen. Of ze daar vervolgens literatuur hebben bedreven dan wel Call of Duty hebben gespeeld, weten alleen zij.

Uit respect voor de échte schrijvers die hier komen werken, leg ik mijn laptop op de keukentafel in plaats van op de schrijftafel. Ik bedien me dan wel van hetzelfde alfabet als romanciers, een letterkundige ben ik niet. Bovendien wantrouw ik meubels die er al te nadrukkelijk uitzien als een bureau. Zal vast iets te maken hebben met mijn onverwerkte verleden als kantoorslaaf.

"In de Amsterdamse Schrijversresidentie hebben al veel grote auteurs gewerkt", had schrijfster Maud Vanhauwaert me voor mijn vertrek gezegd. "Toen ik er zelf verbleef, ben ik op zoek gegaan naar hun restanten. Ik had gehoopt op een huidschilfer of een haartje. Maar het enige wat ik vond, waren wierookstokjes en een paar zakjes wiet." (lacht)

De wierookstokjes zijn ondertussen verdwenen, stel ik vast. Maar de zakjes wiet zijn nog lang niet leeg. Aan Jeroen Olyslaegers (die hier volgend jaar komt schrijven): check de bovenste lade van de grote keukenkast. Graag gedaan.

Omdat ik mezelf een deadline heb opgelegd ('Voor ik weer naar België ga, móét mijn stuk klaar zijn'), klap ik zonder verwijl mijn laptop open. Ik verzaak aan mijn gebruikelijke inleidende rituelen - Instagram checken, Twitter inspecteren, de horlepiep dansen - en begin meteen te schrijven. Dit om precies te zijn:

Mentale cocon

Schrijversresidenties bestaan in verschillende maten en gewichten. Alleen al in België kun je - dankzij organisaties als Passa Porta, De Buren en de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde - kiezen tussen een flat in Brussel, een torenpaviljoen in Gent en het voormalige woonhuis van Stijn Streuvels in Ingooigem. In sommige residenties worden enkel buitenlandse schrijvers toegelaten, andere zijn ook bestemd voor inheemse auteurs. Op sommige plaatsen verblijf je moederziel alleen, op andere krijg je het gezelschap van collega-scribenten.

Maar één ding hebben álle schrijversresidenties met elkaar gemeen: ze willen voor hun logés een plek zijn waar de beslommeringen van het dagelijkse leven niet binnen geraken. Waar deadlines niet langer vijanden zijn, maar bondgenoten. Waar literatuur behalve een vak ook een manier van leven is.

"Ik zou perfect een literaire nomade kunnen zijn", zegt Saskia de Coster, die al in Amsterdam, Berlijn, Rome, New York en Winnipeg ging schrijven. "Van residentie naar residentie trekken en al reizend een repertoire bij elkaar schrijven: het is een aantrekkelijke gedachte. Schrijversverblijven zijn voor mij geen noodzaak - ik heb ook al bij de kapper columns geschreven -, maar ik kan me er wel beter concentreren dan thuis. In een schrijvershuis komt mijn zoontje mij niet vertellen dat zijn piemel bloedt of zijn knuffel onvindbaar is. Ik kan er ongestoord in mijn mentale cocon blijven zitten."

Maud Vanhauwaert (Parijs, Amsterdam, Lublin) laat een gelijkaardig geluid horen. "Schrijversresidenties zijn de enige plaatsen waar ik nog echt tot schrijven kom", zegt ze. "Thuis maken de verplichtingen van het leven mij vaak wat futloos. Op verplaatsing ben ik alerter. Al geeft zelfs het isolement van een schrijversresidentie mij niet de rust waar ik soms naar verlang. Waar ik ook werk: ik kan maar niet achter mijn bureau blijven zitten. Na tien minuten vind ik gegarandeerd dat ik even gitaar moet gaan spelen of een brood moet gaan kopen."

Voor Bart Moeyaert zijn schrijversresidenties vooral interessant omdat hij er collega-auteurs kan ontmoeten. "Een paar jaar geleden logeerde ik samen met andere schrijvers in het Ledig House in de staat New York. 's Avonds aten we altijd samen. Dan hoorde ik mijn collega's vertellen hoe zíj precies te werk gingen. Hun verhalen hebben mijn drang naar perfectionisme getemperd. Ik merkte dat Sloveense dichters en Portugese schrijvers met dezelfde problemen worstelden als ik. Dat had iets geruststellends."

Yves Petry was al gastschrijver in Amsterdam en Montreal. Hij ziet een schrijversverblijf in het buitenland als een plek waar hij zichzelf tijdelijk van zijn strenge arbeidsethos kan verlossen. "Ik probeer in een residentie niet méér maar net minder te schrijven. Ik werk thuis al hard genoeg. In het buitenland neem ik liever de tijd om mezelf eraan te herinneren dat de wereld groter is dan hij aan mijn bureau soms lijkt. Dat komt mijn werk óók ten goede, zij het onrechtstreeks."

Isolement vs. vertier

Het woord 'schrijversresidentie' draagt ganzenveerromantiek in zich. Het roept beelden op van fluwelen gordijnen, kandelaars met druipende kaarsen en een zachtjes knetterend haardvuur. Niks daarvan echter in de Amsterdamse Schrijversresidentie. De meubels en lampen die er staan, zijn van de hand van jonge, Nederlandse designers. In zowat elke ruimte hangen kleurrijke kunstwerken van schrijver-schilder Henk van Woerden. En de grote ramen laten royale hoeveelheden nazomerlicht binnen. Gezelliger kan het voor de slaven der letteren niet worden.

Toch verlaat ik mijn schrijfhok al na anderhalf uur: hoog tijd om even binnen te wandelen bij de buren van boekhandel Athenaeum, naar verluidt de beste boekenwinkel van Nederland. Hier liggen - alle hemels boven de zevende nog aan toe - 35.000 boeken naar kopers te lonken. Vind als schrijver maar eens de moed om daar je eigen gooi naar onsterfelijkheid aan toe te voegen, denk ik al slenterend tussen de rekken.

Wat later drink ik koffie aan de toog van café De Zwart, het schrijverscafé aan de overkant van de straat, waar A.F.Th. van der Heijden onder de bewonderende blikken van literaire groupies grote glazen Grolsch kwam drinken. Vanuit het café heb ik een prima zicht op het appartement waarin mijn laptop op me wacht. Ik maak mezelf wijs dat ik vanavond wel wat langer zal doorwerken en bestel nog een tweede koffie.

'Een schrijver op reis', schreef literair journalist Dirk Leyman ooit in Ons Erfdeel, 'is een snel uit balans te brengen wezen. Hij moet zijn concentratie bevechten op een waaier aan verleidingen: het café, de stad, de liefde, de luxe.'

Ik vraag Saskia de Coster of zij zich tijdens residenties moet verdedigen tegen de verlokkingen van de buitenwereld. "Nee", antwoordt ze. "Mijn zin om te schrijven is dan zo groot dat ik maar naar één ding verlang: helemaal in mijn verhaal duiken. In Rome ging ik op de middag weleens wandelen. Maar de rest van de tijd zat ik keihard te werken in mijn spartaans ingerichte kamertje van de Academica Belgica."

Maud Vanhauwaert had in het Poolse Lublin evenmin moeite om zich op haar werk te concentreren. Al had dat veeleer te maken met het ontbreken van andere mogelijkheden tot vertier. "Het was er koud, regenachtig en deprimerend. Ik ben dan maar over eenzaamheid en troosteloosheid beginnen schrijven." (lacht)

Thuis best

In mijn schrijversflat staat een grote papiermand: het real life-equivalent van de delete-toets. Ik controleer of er geen weggegooide kladjes in liggen, maar helaas: alle sporen van redactionele arbeid zijn verdwenen.

Het neemt niet weg dat hier al mooie stukjes literatuur zijn geconcipieerd. The Fault in Our Stars van John Green. 30 nachten in Amsterdam van Etienne van Heerden. Held van Saskia de Coster. Mochten de goede lieden van het Nederlandse Letterenfonds ooit besluiten om in dit appartement niet langer schrijvers te stationeren, kunnen ze er nog altijd een literair bedevaartsoord van maken.

Op het Spui speelt een straatmuzikant saxofoon. Het warme timbre van zijn instrument wordt aangelengd met het gesnerp van voorbijrijdende trams en het gewauwel van rondwaggelende dronkaards. Toch belet de stadskakofonie mij niet om te schrijven: over anoniem lawaai hoeft je brein niet na te denken.

De vraag is echter niet: kan ik hier schrijven? De vraag is: kan ik hier béter schrijven? Sneller? Zwieriger? Mijn conclusie, na een paar uur werken: niet echt. Een changement de decor reanimeert wel je zintuigen, maar vergroot niet per se je concentratievermogen. Laat staan je literaire potentieel.

Volgens de Engelse schrijfster Louise Welsh is aan een verblijf in een schrijversresidentie zelfs een risico verbonden: 'What if the writing mojo remains at home, fixed in the fabric of the author's home town?', vraagt ze zich op de website van literatuurhuis Passa Porta af.

Lize Spit herkent zich in de woorden van Welsh: na residenties in Parijs en Berlijn moest ze besluiten dat ze liever thuis schrijft dan op verplaatsing. "Als ik in mijn eentje in het buitenland ben, loop ik verloren in een dag. Dan blíjf ik maar doorwerken en eet ik drie keer per dag cornflakes. Thuis komt mijn vriend me om vijf uur in mijn oor fluisteren dat ik even moet stoppen. Dat heb ik nodig."

Ook bestsellerauteur Herman Koch is niet geneigd zijn literaire domicilie in Amsterdam nu en dan in te ruilen voor een blokhut in Hongarije. "Het woord 'schrijvers-residentie' doet me te veel denken aan een bejaardentehuis met een rieten dak. Het hele concept heeft iets pruikerigs. Maar belangrijker: ik heb helemaal geen afzondering nodig. Ik schrijf maar een paar uurtjes per dag, de rest van mijn tijd neem ik gretig aan het stadsleven deel. Mijn zinnen verzetten, is een essentieel onderdeel van mijn schrijfproces. Ik moet kunnen vergeten wat ik geschreven heb om het de dag nadien met een helder hoofd te kunnen bijschaven.

"Op retraite gaan is natuurlijk niet slecht voor de concentratie. Maar echte schrijvers kunnen overal schrijven. Desnoods in een drukbezet café of een kamer vol peuters met ADHD. Schrijven wordt te veel gesacraliseerd. Als je buurman begint te boren, mag je niet denken: 'O nee! Nu ga ik vandaag geen letter op papier krijgen!' Je moet denken: 'Vandaag ga ik schrijven terwijl er geboord wordt. Eens kijken wat dát zoal oplevert.' Hoe minder obstakels je ervaart, hoe prettiger het schrijven wordt."

Subsidiementaliteit

Auteur Marnix Peeters gaat in zijn evaluatie van schrijversresidenties nog een stap verder dan Herman Koch. "Schrijversresidenties, dat zijn toch die plekken waar schrijvers gesubsidieerd op vakantie gaan, niet?" Waarna hij een gloedvol betoog afsteekt tégen subsidies en vóór ondernemingszin.

"Een tijd geleden sprak ik een jonge, Brusselse debutant. Hij was van plan een beurs aan te vragen om een maand in Portugal te gaan schrijven. Ik dacht: fuck, die gast is nog maar 23 en de subsidiementaliteit zit er al helemaal ingebakken. Hij kan 's avonds toch ook in een café gaan werken om zijn verblijf in Portugal te bekostigen? Heb je Jo Vally ooit een schlagerzangerresidentie horen aanvragen? Of Tom Barman een songwriterresidentie? Natuurlijk niet. Enkel schrijvers kicken op subsidies. 'De maatschappij moet voor ons zorgen', vinden ze als vertegenwoordigers van de zogenaamd 'hogere' kunsten. Muzikanten hebben die mentaliteit niet. Of toch veel minder.

"Ik begrijp dat je je als schrijver af en toe voor een langere periode wilt afzonderen. Daar word je inderdaad productiever van. Kijk naar mij: ik woon op een berg in de Oostkantons en schrijf elk jaar een boek. Maar ík zorg tenminste zélf voor mijn schrijversresidentie. Ik hengel niet naar andermans geld.

"Als de overheid de literaire wereld per se wil subsidiëren, dat ze dan investeert in een betere promotionele begeleiding van schrijvers. Daar is veel meer nood aan dan aan schrijversresidenties. Maar de meeste schrijvers melden op hun Facebook-pagina liever dat ze in Portugal inspiratie gaan opdoen dan dat ze in Brussel een cursus online advertising gaan volgen."

Broodje Bert

Ik trek de deur van mijn appartement achter me dicht en ga even kijken wat er vanavond op het programma staat in Spui 25, het vlakbij gelegen cultureel centrum waar schrijvers, journalisten en wetenschappers op vrijwel dagelijkse basis met elkaar in debat gaan. 'Een avond met Karol Lesman, winnaar van de Martinus Nijhoff Vertaalprijs 2017', lees ik op de poster achter het raam. Dat er ook literaire prijzen bestaan voor vertalers: ik ben geneigd het te zien als een teken van culturele beschaving.

Na een wandeling langs de Singel en een allitererend appeltaartje bij Broodje Bert schrijf ik mentaal opgefrist weer verder. Als de Amsterdamse Schrijversresidentie al een heilzame invloed heeft op mijn werkijver, is dat niet zozeer te danken aan de residentie, maar aan Amsterdam. Weinig kans dat je in deze stad je hoofd in sluimerstand zet.

Omdat geprononceerde standpunten smeken om een tegengewicht, leg ik de potige uitspraken van Marnix Peeters nog even voor aan Bart Moeyaert. Moeten schrijvers zich bekwamen in de promotie van hun werk in plaats van weg te zwijmelen bij de gedateerde romantiek van schrijversresidenties?

"Ik heb gekozen voor het beroep van schrijver", zegt Moeyaert. "En niet voor dat van reclamemaker. Ik moet maar één ding doen: schrijven. Krijg ik de kans om dat op een mooie, vredige locatie te doen? Prima. Met een beetje geluk ben ik daardoor een paar weken eerder klaar dan voorzien en kan ik in de vrijgekomen tijd alsnog nadenken over de promotie van mijn boeken. Maar voor de rest moet ik - echt waar - zoveel mogelijk schrijven.

"Ik kan me inbeelden dat sommige mensen - zelfs collega's - schrijversresidenties elitair vinden. Literatuurderig. Maar dat klopt niet. De twaalf mensen met wie ik in het Ledig House logeerde, gedroegen zich allerminst als 'literatoren'. Dat waren sympathieke, down to earth schrijvers die blij waren dat ze eens rustig konden doorwerken."

Hoezo, rustig doorwerken? Hoor je tijdens een residentie in het buitenland dan niet als een gek te netwerken? Moet je niet proberen om via je contacten met buitenlandse auteurs vertalingen in de wacht te slepen?

"Als je met collega's een tijdlang ergens logeert, ontstaat er vanzelf een vorm van solidariteit", zegt Saskia de Coster. "Tijdens een residentie in New York leerde ik de Turkse schrijfster Ece Temelkuran kennen. Ik heb haar geïntroduceerd bij mijn toenmalige uitgeverij Prometheus die, als ik goed ben ingelicht, een vertaling van haar gaat uitbrengen. Maar voor het overige moeten we het pr-effect van zo'n residentie niet overdrijven. Een Vlaamse schrijver die in New York gaat werken, dat is een beetje zoals Eddy Wally die in China ging optreden: het klinkt goed, maar wat betekent het? (lacht) Het gaat nog altijd om wát je schrijft, niet wáár je het schrijft."

Gastenboek

Er komt stilaan een einde aan mijn status als journalist in residence. De Franse schrijver Olivier Rolin is al onderweg naar het Spui, het is tijd om de schrijversflat weer over te dragen aan de big boys. Ik blader nog even in het gastenboekje dat het Nederlandse Letterenfonds op de salontafel heeft gelegd. 'Hoewel ik hier niet zoveel heb gewerkt als ik thuis zou hebben gedaan, heb ik me in deze prachtige stad geen seconde verveeld', schreef Yves Petry.

Zelf vergeet ik iets in het boekje te noteren. Maar gelukkig kan ik dat in deze kolommen alsnog goedmaken: 'Liefste Nederlands Letterenfonds. Twee dagen mocht ik in jullie flat resideren / En er gulzig de artistieke lucht inhaleren / Toch heb ik herhaaldelijk moeten constateren / Dat ik nog het liefst van al in jullie stad ging circuleren. Literaire groetjes, Stef.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden