Zondag 05/12/2021

Het Israelische reveil van Amerika

Als 'The Independent'-journalist Robert Fisk in Amerika een lezing geeft over het Midden-Oosten, is hij meestal al tevreden als hij na afloop niet gelyncht wordt. Maar op zijn laatste trip langs het Amerikaanse lezingencircuit, de eerste sinds 11 september, was hij oprecht geshockeerd. Wat Fisk deze keer opviel, was 'de buitengewone en geheel nieuwe weigering om de officiële lijn uit Washington te volgen, het groeiende en boze besef onder de Amerikanen dat men hen al die tijd heeft voorgelogen en bedrogen'.

Robert Fisk

Foto's Judah Passow / Network

Osama bin Laden vertelde mij ooit dat de Amerikanen de problematiek van het Midden-Oosten gewoon niet snappen. Toen ik vorige week, in een busje dat zich door een regengordijn baande over de prairies van Iowa, de Des Moines Register opensloeg, moest ik hem gelijk geven. 'VARKENSKWEKERIJEN GROTER GEVAAR DAN OSAMA BIN LADEN', las de krantenkop. Blijkt dat Iowa's vijftien miljoen reuzenvarkens zoveel mest produceren dat de waterwegen van de staat grondig vervuild zijn. "Grootschalige varkenskwekers vormen een grotere bedreiging voor de Verenigde Staten en de Amerikaanse democratie dan Osama bin Laden en zijn terroristisch netwerk", citeerde het artikel Robert F. Kennedy Jr., voorzitter van een... New Yorkse milieubeweging. "We hebben gezien hoe hele gemeenschappen en de Amerikaanse waarden onderuit worden gehaald door deze lompe beesten", ging Kennedy verder.

Ik haalde mijn rekenmachientje boven: Cedar Rapids, Iowa, moet zo'n 11.200 kilometer van Afghanistan verwijderd zijn. Het had net zo goed op een andere planeet kunnen liggen. Ik reis al jaren naar de Verenigde Staten om lezingen te geven aan Princeton of Harvard of de Brown University in Rhode Island, in San Francisco of in Madison, Wisconsin. God weet waarom. Ik weiger elke vorm van betaling behalve een retourticket in business class omdat ik geen veertien uur krijsende baby's in beide richtingen kan verdragen. Amerikaanse universiteitsstudenten zijn tegelijkertijd keihard en strontverveeld. In sommige steden - Washington staat boven aan de lijst - denk ik soms dat ik even goed Amhaars had kunnen spreken.

Als je geen dooddoeners als 'peace process', 'back on track' of 'Israel under siege' gebruikt, dan zie je het publiek een collectieve blackout krijgen - als computers die uitgewist worden door een total disk failure. Ik had geen enkele reden om te denken dat deze laatste trip door Amerika anders zou zijn dan alle vorige. Er was het gebruikelijke rariteitenkabinet. De oude zwarte man in een universiteitsaula in Chicago wiens eerste 'vraag' over het Midden-Oosten een lange, trotse monoloog was om uit te leggen waarom hij al sinds 1948 geen belastingen meer heeft betaald. De aanhangers van de WTC-samenzweringstheorieën die erbij zweren dat de Amerikaanse regering zelf explosieven heeft geplaatst in de torens. De dame met het zilverkleurige haar die wilde weten waarom God de haat tussen de Israëli's en de Palestijnen niet kan oplossen. En de Amerikaanse indiaan in Los Angeles die maar bleef doorzeuren over het grote joodse complot om het land van de autochtone bewoners van Amerika af te pakken. Hij werd het zwijgen opgelegd door een man met lang, wit haar in een paardenstaart volgens wie het Israëlisch-Palestijnse conflict identiek was aan de Amerikaans-Mexicaanse oorlog. Ik begon in gedachten de afstand tussen Los Angeles en Jenin te berekenen. Een zonnestelsel misschien?

En er waren de veelzeggende verhalen die aantoonden hoe vooringenomen en laf de Amerikaanse media zijn geworden ten overstaan van de pro-Israëlische lobby in de VS. "Ik heb ooit een artikel geschreven voor een vooraanstaande krant over de Palestijnse exodus van 1948", vertelde een joodse vrouw in Los Angeles mij. "Ik heb het uiteraard gehad over de slachtpartij van Palestijnen in Deir Yassin door de Stern-bende en andere joodse groepen - de slachtpartij die ervoor gezorgd heeft dat 750.000 Arabieren hun huizen zijn ontvlucht. Toen het stuk verscheen, was er voor het woord 'slachtpartij' het woordje 'vermeende' toegevoegd. Ik heb onmiddellijk de ombudsman van de krant opgebeld en heb hem gezegd dat de slachtpartij van Deir Yassin echt wel een onbetwist historisch feit is. Weet je wat hij antwoordde? Dat de eindredacteur van dienst het woordje 'vermeende' had toegevoegd omdat de krant anders bedolven zou worden onder de boze lezersbrieven."

Toevallig was dat precies het onderwerp van mijn lezingen: de laffe, luie, ruggengraatloze manier waarop Amerikaanse journalisten hun verslagen uit het Midden-Oosten lobotomiseren, hoe 'bezette gebieden' plots 'betwiste gebieden' worden, hoe joodse 'nederzettingen' veranderen in joodse 'wijken', hoe Arabische militanten steevast 'terroristen' worden genoemd, terwijl Israëlische militanten als louter 'fanatici' of 'extremisten' worden bestempeld, hoe Ariel Sharon, de man die door Israëls eigen Kahan-onderzoekscommissie "persoonlijk verantwoordelijk" werd gesteld voor de afslachting van 1.700 Palestijnen in Sabra en Chatila in 1982, door The New York Times omschreven kan worden als "iemand met de instincten van een krijger". Hoe de executie van de overlevende Palestijnse strijders in Sabra en Chatila vaak 'een schoonmaakoperatie' wordt genoemd. Hoe burgers die door Israëlische soldaten zijn doodgeschoten altijd 'slachtoffers van kruisvuur' zijn. Telkens eiste ik van mijn toehoorders dat ze mij zouden uitleggen waarom zij zich zo gemakkelijk laten inpakken door de infantiele 'dead or alive'-, 'met ons of tegen ons'-, 'as van het kwade'-politiek van hun president. Goed wetende dat ik mij daarmee de gebruikelijke Amerikaanse verontwaardiging op de hals zou halen.

En voor het eerst in de tien jaar dat ik mij op het Amerikaanse lezingencircuit ophoud, was ik oprecht geshockeerd. Niet door de passiviteit van de Amerikanen - die onvoorwaardelijke, patriottische overtuiging dat de president het allemaal beter weet -, noch door de gevaarlijke ingekeerdheid van de Verenigde Staten sinds 11 september, of de constante, allesomvattende angst om kritiek te hebben op Israël. Nee, wat mij shockeerde, was een buitengewone en geheel nieuwe weigering van de Amerikanen om de officiële lijn te volgen, het groeiende en boze besef onder de Amerikanen dat men hen heeft voorgelogen en bedrogen.

Op sommige van mijn lezingen was zestig procent van de aanwezigen ouder dan veertig. In sommige gevallen waren tachtig procent van de toehoorders mensen zonder de minste etnische of religieuze banden met het Midden-Oosten - "Amerikaanse Amerikanen", zoals ik hen ooit wreedaardig heb omschreven, "witte Amerikanen" in de woorden van een bittere Palestijnse student. Voor het eerst waren het niet mijn lezingen die hun gal opriepen, maar de lezingen die ze van hun president krijgen of die ze in hun media voorgeschoteld krijgen over Israëls eigen 'war on terror' en over de noodzaak om alles wat Amerika's kleine bondgenoot zegt of doet, kritiekloos te steunen.

Er was, bijvoorbeeld, de gerimpelde ex-officier van de Navy die mij aanklampte na afloop van een lezing in een methodistische kerk in Encenitas, een buitenwijk van San Diego. "Sir", zo begon hij, "ik was officier op het vliegdekschip John F. Kennedy tijdens de Midden-Oostenoorlog van 1973." (Ik heb het later nagevraagd en hij was, in de woorden van mijn gastheer, "the real thing".) "Wij waren gestationeerd voor de kust van Gibraltar en het was onze job om de gevechtsvliegtuigen bij te tanken die we aan Israël hadden gegeven nadat hun eigen luchtmacht aan flarden was geschoten door de Arabieren. Onze vliegtuigen landden met de kentekens van de U.S. Air Force en Marine gedeeltelijk verwijderd en vervangen door de davidsster. Weet iemand waarom wij al die vliegtuigen zomaar aan Israël hebben gegeven? Als ik nu op de televisie zie hoe onze vliegtuigen en tanks gebruikt worden om de Palestijnen aan te vallen, verbaast het mij niks dat de Amerikanen gehaat zijn in de wereld."

Ik ben het gewoon om in de Verenigde Staten lezingen te geven voor halflege aula's. Drie jaar geleden slaagde ik erin om een auditorium in Washington waar plaats was voor zeshonderd toeschouwers te vullen met welgeteld tweeëndertig Amerikanen. Maar deze maand, in Chicago en Iowa en Los Angeles, kwamen ze met honderden tegelijk opdagen. Op één lezing aan de University of Southern California kwamen bijna negenhonderd mensen af: ze zaten in het gangpad of stonden buiten op de gang te luisteren. Het was niet omdat 'Lord Fisk' in de stad was. Toegegeven, de titel van mijn lezing: '11 september: vraag u af wie het gedaan heeft, maar vraag in godsnaam niet waarom', was een beetje provocerend. Maar voor het grootste deel waren ze gekomen, zo bleek uit de vraag- en antwoordsessie achteraf, omdat ze het kotsbeu zijn om voor idioten te worden versleten door de tv-journaals en de rechtse opiniemakers.

Nooit eerder hebben Amerikanen mij gevraagd: 'Hoe kunnen wij ervoor zorgen dat onze media eerlijk berichten over het Midden-Oosten?' of - nog veel verontrustender - 'Hoe kunnen wij ervoor zorgen dat onze regering ónze mening vertolkt?' De vragen zijn een valstrik, natuurlijk. Al sinds de Onafhankelijkheidsoorlog rammen de Britten te pas en te onpas hun advies door de strot van de Amerikanen, en ik voelde er weinig voor om mij bij dat koor aan te sluiten. Maar alleen al het feit dat de vragen gesteld werden - en dan nog wel door Amerikanen van middelbare leeftijd zonder familiebanden met het Midden-Oosten -, suggereerde dat er zich een grondige verandering had voltrokken in een tot dusver dociel Amerikaans volk.

Ik had er een gewoonte van gemaakt om, naarmate het einde van een lezing naderde, mij te verontschuldigen voor de opmerkingen die zouden volgen. Ik vertelde de toehoorders dat de wereld niet veranderd is op 11 september, dat de Libanezen en de Palestijnen tijdens de Israëlische invasie van 1982 meer dan 17.500 doden te betreuren hadden - meer dan vijf keer het dodental van de internationale misdaden tegen de mensheid die op 11 september plaatsvonden -, en dat er toen geen kaarsen zijn gebrand of herdenkingsplechtigheden zijn gehouden. En telkens wanneer ik dit zei, werd er in de zaal instemmend geknikt, niet alleen door de jonge toehoorders maar ook door grijze en kale hoofden. Het minste oneerbiedige mopje over president Bush werd onthaald op dijengeklets. Ik vroeg aan een van mijn gastheren waarom het publiek dit zomaar pikte van een Brit. "Omdat wij van mening zijn dat Bush nooit de verkiezingen heeft gewonnen", luidde het antwoord.

Het is natuurlijk makkelijk om zich te laten misleiden. De eerste plaatselijke radioprogramma's die op mijn lezingen ingingen, maakten maar al te duidelijk hoe het Amerikaanse discours over het Midden-Oosten door de band wordt gevoerd. Toen Gayane Torosyan van het radiostation WSUI/KSUI in Iowa City, zijn uitzending open verklaarde voor vragen van de luisteraars, was de eerste beller ene 'Michael' - een leider van de plaatselijke joodse gemeenschap, zou ik later vernemen, maar dat zei hij er niet bij. 'Michael' wilde de luisteraars erop attent maken dat Yasser Arafat, na de Camp David-gesprekken van 2000, de weg van het 'terrorisme' had gekozen ook al was hem een Palestijnse staat aangeboden met Jeruzalem als hoofdstad en zesennegentig procent van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook. Langzaam en bedaard, begon ik deze onzin te ontkrachten. Nee, Arafat had in Camp David niet de toezegging gekregen dat Jeruzalem de hoofdstad van een nieuwe Palestijnse staat zou worden: Jeruzalem bleef de 'eeuwige en eengemaakte hoofdstad van Israël'. Wat Arafat had gekregen, was wat Madeleine Albright een "soort van soevereiniteit" had genoemd over de Haram al-Sharifmoskee en enkele Arabische straten; het Palestijnse parlement zou buiten de oostelijke stadsmuren zijn gekomen, in Abu Dis. De enorme en illegale uitbreiding van het grondgebied van de gemeente Jeruzalem op de Westelijke Jordaanoever, en joodse nederzettingen als Maale Adumin en andere, stonden nooit ter discussie, net zomin als de tien mijl brede Israëlische bufferzone rond de Westelijke Jordaanoever, of de beveiligde wegen tussen de joodse nederzettingen die kriskras door de Palestijnse 'staat' hadden gelopen. Wat Arafat in Camp David was aangeboden, was zesenveertig procent van de tweeëntwintig procent die nog overbleef van Palestina. Ik kon mij voorstellen dat de luisteraars van WSUI/KSUI van verveling uit hun fauteuils aan het glijden waren.

Maar toen ik 's avonds terugkeerde in mijn pittoreske, chaletachtige hotelletje, bleek dat de eigenaar en zijn vrouw naar elk woord hadden geluisterd. "We weten best wat er aan de hand is", zei de hoteleigenaar. "Ik was officier bij de Navy in de Golf in de jaren zestig. We hadden daar nog maar weinig schepen toen; de sjah van Iran was onze plaatselijke politieman. Nu hebben we al die schepen in de Golf en onze soldaten in de Arabische landen en het lijkt wel alsof wij de hele regio domineren." Ik maakte mij de bedenking dat Osama bin Laden zelf het niet beter had kunnen zeggen.

Hoe merkwaardig dan dat de Amerikaanse kranten zelfs dit niet kunnen zeggen. De Daily Iowan - er zijn maar liefst vier dagbladen in Iowa City, waar de persvrijheid zich eerder vertaalt in het aantal kranten dan in de diepgang van hun berichtgeving - was veel minder recht voor de raap dan mijn hoteleigenaar. "De situatie in het Midden-Oosten is een vraagstuk dat het begrip van vele Amerikanen te boven gaat", klaagde de krant, "noch kunnen ze er met enige kennis van zaken over meespreken." Dit soort rotzooi - het argument dat de gemiddelde Amerikaan te dom is om het bloedbad in het Midden-Oosten te begrijpen en dat hij er bijgevolg zijn mond over moet houden - is een terugkerend thema in de Amerikaanse kranten.

Nog leerrijker waren de verslagen over mijn lezingen in de plaatselijke media. De kop, 'Fisk: wie zijn de echte terroristen?', in de Daily Iowan van vorige week, gaf wel de essentie van mijn boodschap weer, maar het artikel schoot te kort in de feiten. Het stelde verkeerdelijk dat het de Verenigde Naties waren, eerder dan Israëls eigen Kahan-onderzoekscommissie, die tot de conclusie waren gekomen dat Sharon "persoonlijk verantwoordelijk" was voor de slachtpartijen van Sabra en Chatila. Het verslag van mijn lezing in de Des Moines Register was intrigerend. Het ging in op mijn interviews met Osama bin Laden - een feit dat ik inderdaad had vermeld - en verwees dan naar mijn uiteenzetting over hoe ik in december vorig jaar was afgerost door een Afghaanse meute. Ik had het publiek uitgelegd dat de Afghanen woedend waren omdat hun familieleden pas waren gesneuveld door de Amerikaanse bombardementen rondom Kandahar, en hoe belangrijk ik het vond om dit te vermelden in mijn eigen verslag daarvan om de aanval op mijn persoon in de juiste context te plaatsen. De Register gebruikte mijn eigen woorden om de aanval te beschrijven maar liet vervolgens na om de reden te vermelden. Lang leve de Iowa City Press-Citizen, dacht ik, die met de titel 'Midden-Oosten-verslaggever lanceert aanval op de media' tenminste naar de kern van de zaak ging.

Het is niet alsof de mensen van Iowa een excuus hebben om niet op de hoogte te zijn van de situatie in het Midden-Oosten. In het stadje Davenport hebben de Israëli's hun training gekregen met de Apache AH-64-gevechtshelikopters die ze later zouden inzetten om moordaanslagen te plegen op Palestijnen die op Israëls 'Most wanted'-lijst stonden. Volgens een plaatselijk journalist zijn meerdere bedrijven in Iowa, waaronder het regionale filiaal van Rockwell, betrokken bij militaire miljardencontracten met Israël. CemenTech uit Indianola levert materiaal aan de Israëlische luchtmacht. De dag waarop ik in Iowa City aankwam, vertelde minister van Justitie John Ashcroft aan de mensen van Iowa dat er in hun staat een honderdtal buitenlanders "afkomstig uit landen die bekendstaan als veilige havens voor terroristen" zijn ondervraagd en dat er nog eens een honderdtal aan de beurt zouden komen. Hierover werden geen hoofdartikels geschreven.

De lezingen aan de universiteit van Iowa waren daarom erg boeiend. Eén jonge vrouw begon met te zeggen dat ze goed wist dat de Amerikaanse media vooringenomen waren. Toen ik haar vroeg waarom, zei ze dat het "te maken had met Amerika's steun aan Israël..." En toen werd ze rood in het gezicht en viel ze stil. Er was de student in Rex Honeys cursus over internationale betrekkingen. Nadat ik had uitgelegd hoe de Amerikanen in Afghanistan in een militaire val waren gelokt - de zogezegde 'overwinning', gevolgd door nieuwe confrontaties met Al-Qaeda en dan, onvermijdelijk, de dagelijkse gevechten met Afghaanse krijgsheren en de aanvallen tegen westerse troepen - stak hij zijn hand op en vroeg: "Hoe moeten we hen dan wel klein krijgen?" Hier en daar weerklonk gelach in de zaal. "Waarom wil je de Afghanen zo nodig klein krijgen?", vroeg ik hem, "waarom hen niet helpen hun land heropbouwen?"

Na de lezing kwam de student met uitgestrekte hand op mij toegelopen. "Ik wil u bedanken, sir, voor alles wat u ons verteld heeft", zei hij. Ik had een vaag vermoeden dat hij een militaire achtergrond had. Ben jij van plan om dienst te nemen in het leger, vroeg ik. "No sir", klonk het antwoord, "ik ga bij de marine." Ik gaf hem de raad om ver uit de buurt van Afghanistan te blijven. Op haar eigen manier was de Amerikaanse nationale pers hetzelfde aan het doen. Twee dagen later berichtte de Los Angeles Times, in een opmerkelijk verslag van correspondent David Zucchino, over de woede onder de Afghanen die familieleden hadden verloren door de Amerikaanse B-52-bombardementen. De recente veldslag in Gardez, zo stelde het artikel, had "bitterheid in zijn kielzog" achtergelaten.

Werd dezelfde eerlijkheid maar toegepast op de Palestijns-Israëlische oorlog. Helaas. Op de snelweg in Long Beach sloeg ik dezelfde LA Times open om te vernemen dat Israël "een grote schoonmaak" aan het houden is op de Westelijke Jordaanoever. In andere kranten mocht columniste Mona Charen haar lezers wijsmaken dat "achtennegentig procent van de Palestijnen niet langer onder de Israëlische bezetting leeft sinds de Israëlische terugtrekking in overeenstemming met de Oslo-akkoorden", en dat de toenmalige Israëlische premier, Ehud Barak, Arafat in Camp David "zevenennegentig procent van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook had aangeboden". Dat was zelfs nog een percentje meer dan de cijfers waarmee 'Michael' op WSUI/KSUI had gegoocheld. Arafat - "deze moordenaar die de dood van duizenden joden en Arabieren op zijn geweten heeft", was de schuld van alles. De problemen tussen Israël en zijn buren, zo stelde Charen, "hebben niets te maken met de bezetting, noch met de nederzettingen, en al helemaal niets met Israëlische brutaliteit en agressie. Het probleem is het onvermogen van de Arabieren om vreedzaam samen te leven."

Misschien is Californië de rest van Amerika niet, maar de Californische journalisten en studenten lijken in het algemeen een stuk slimmer te zijn dan hun collega's in de Midwest. De Orange County Register, een doorgaans conservatieve krant in een regio waar nu vijftig procent van de inwoners latino is, doet hard zijn best om de waarheid over het Midden-Oosten te vertellen. In een stoer opiniestuk waarschuwde journalist Holger Jensen dat, als president Bush er niet in slaagt om Sharon in te tomen, de Israëlische premier "zal slagen daar waar Osama bin Laden is tekortgeschoten: ons betrekken in een oorlog tussen de beschavingen met 1,2 miljard moslims als tegenstanders". Toen ik ging lunchen met een aantal redactieverantwoordelijken nodigden ze drie leden van de plaatselijke moslimgemeenschap uit om mee te komen.

De gasten op een cocktailparty van de methodistische kerk gaven blijk van een gezonde greep op de situatie in het Midden-Oosten. Een van hen was diep geschokt door een opmerking van Israëls minister voor Interne Veiligheid, Uzi Landau, die onlangs zei dat "wij hier niet tegenover menselijke wezens staan maar tegenover beesten". Een zwarte genodigde had veel lof voor de kritiek die de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Kofi Annan, had geuit op Israël. En toch, toen ik het tv-journaal van Fox aanzette, was daar weer Benjamin Netanyahu, die nog een schepje bovenop Sharon deed door te waarschuwen dat de Palestijnse zelfmoordcommando's weldra de straten van Amerika onveilig zullen maken, die ontmoetingen had met Amerikaanse Congresleden om zich te verzekeren van hun steun aan Israëls 'war on terror', nota bene op een moment waarop minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell op vredesmissie was in Israël.

"Waarom Israëls Missie Moet Worden Voortgezet", schreeuwde de opiniepagina van de New York Times op vrijdag. Het lange, saaie artikel, geschreven door een kolonel in het Israëlische leger, Nitsan Alon, bevatte een aantal van mijn favoriete dooddoeners, waaronder de klassieke verwijzing naar "een groot aantal burgers" die, jawel, "slachtoffer zijn geworden van kruisvuur".

Tegen de tijd dat ik in het gezelschap van een stel boheemse kunstenaars in Los Angeles was beland, begonnen de kranten die ik in mijn lezingen aanviel, zelf weerwoord te geven. Mark Kellner kwam verslag uitbrengen voor The Washington Times. "Hij gaat alles wat je zegt verdraaien", waarschuwde een vriend. "The Washington Times is rechtser dan de Republikeinse Partij." We zullen zien.

Het publiek op mijn lezingen mag dan grotendeels bestaan hebben uit Amerikanen zonder banden met het Midden-Oosten, hetzelfde kon niet gezegd worden van de zondagse cocktailparty ten huize van Stanley Sheinbaum, filantroop, kunstverzamelaar en libertijn - als we de periode waarin hij mee het politiekorps van Los Angeles runde, even buiten beschouwing laten. Daar zou mijn kleine toespraak een paar verbale handgranaten doen ontploffen. Het was Sheinbaum die op verzoek van president Jimmy Carter een ontmoeting belegde met de Syrische president Hafiz al-Assad waarop de buitengewone topontmoeting tussen Carter en Arafat in Genève mogelijk werd gemaakt. "Vertel me iets goeds over jezelf", zei Sheinbaum tegen mij. Heb je van iemand anders iets goeds gehoord, vroeg ik. "Nope", antwoordde hij.

Maar ik mocht Scheinbaum wel: een man van in de tachtig, direct en met een gezond gevoel voor humor, die elke gematigde joodse Amerikaan aanmoedigt om zijn zeg te doen over het Midden-Oosten. En terwijl de middagsmog de rozentuinen, villa's en zwembaden van Brentwood aan het gezicht onttrok, stapte rabbijn Haim dov Beliak op mij af om uit te leggen hoe hij van plan is om een einde te maken aan de bingo- en gokoperaties van een van Amerika's grootste joodse nederzettingenbouwers. "Bel mij op wanneer je terug in Beiroet bent, en schrijf hier alstublieft over." Onder het nuttigen van Scheinbaums aardbeien en Californische rode wijn, naderde nog een andere rabbijn. "U heeft een hoop vijanden in het publiek vandaag", zei hij, "vertel hen gewoon de waarheid."

En dat heb ik gedaan. Ik heb het gehad over de lafheid van Powell, die zijn tijd verbeuzelde met een rondreis langs de Middellandse Zee-landen alvorens naar Israël zelf te gaan om zo Sharon de tijd te geven om het vluchtelingenkamp van Jenin te vernietigen. Ik heb het gehad over de rottende lijken in Jenin en de steeds groter wordende bewijslast over hoe Sharons troepen in 1982 de overlevenden van Sabra en Chatila aan hun falangistische beulen hebben uitgeleverd om afgemaakt te worden. Ik heb gezegd dat Arafat in Camp David nooit zesennegentig procent van de Westelijke Jordaanoever aangeboden heeft gekregen. Ik heb het honderdtal genodigden de raad gegeven om de moedige verslagen van de Israëlische journalist Amira Haas in Haaretz te lezen. Ik heb naar de zelfmoordaanslagen verwezen als "boosaardig" maar ik heb ook gesuggereerd dat Israël nooit echte veiligheid zal kennen tenzij het zich schikt naar VN-resolutie 252, dat het nooit echte vrede zal kennen tenzij het de volledige Westelijke Jordaanoever, Gaza en Oost-Jeruzalem ontruimt. "Ik vind het heel moeilijk om u een vraag te stellen omdat wat u gezegd heeft mij zo kwaad maakt", zei een vrouw achteraf. Waarom zag ik niet in dat de Palestijnen niets anders willen dan de vernietiging van Israël, dat het recht op terugkeer de joodse staat zou vernietigen? Een uur lang legde ik de realiteit uit zoals ik die gezien heb in het Midden-Oosten: een almachtig Israël dat een ouderwetse koloniale oorlog uitvecht. Ik heb het gehad over de Algerijnse oorlog van 1954-1962, over de brutaliteit en de wreedheid daar, de folteringen en moorden door het Franse leger, de afslachting van burgers door de Algerijnen, en de angstaanjagende parallellen met het Palestijns-Israëlische conflict. Ik heb gepraat over de Palestijnen die, op zijn minst, erkenning willen van het onrecht dat hun volk is aangedaan in 1948, eraan toevoegend dat veel Palestijnen beseffen dat een financiële compensatie zal moeten volstaan voor die vluchtelingen van wie de huizen zich in het huidige Israël bevonden. Ik heb gepraat over Ariel Sharon en zijn bloedige palmares in Libanon. En over de druk van de Israëlische lobby in Amerika, de angst om voor antisemiet te worden uitgemaakt, en de slappe berichtgeving over het Midden-Oosten.

Na afloop was een rabbijn de eerste om mij te komen zeggen dat de Palestijnen inderdaad slachtoffers zijn en dat ze een echte staat moeten krijgen. Een oude vrouw vroeg mij de titel van het beste boek dat over de Algerijnse oorlog is geschreven. Ik heb haar A Savage War of Peace van Alastair Horne aangeraden. Iemand stopte mij een naamkaartje toe. "Leerrijke lezing!", stond erop geschreven. En hoewel ik het woord 'leerrijk' grondig haat, viel het mij op dat de naam op het kaartje Yigal Arens was, de zoon van een van Israëls meest extreem rechtse politici die mij ooit, in Beiroet in 1982, toevertrouwde dat Israël "voor eeuwig en altijd" zou blijven vechten tegen de Palestijnse terreur.

Later, op de snelweg naar de luchthaven LAX, terwijl de terminals en de controletoren uit de Californische smog opdoemden, sloeg ik de zaterdageditie van de LA Times open. Op pagina twaalf stond dat de bekroonde BBC-documentaire over Sharons betrokkenheid bij de slachtpartijen van Sabra en Chatila van de affiche van een filmfestival in Canada was gehaald na protest van joodse groeperingen. De organisatoren legden uit dat het vertonen van The Accused "ongewenste belangstelling van belangengroepen zou kunnen oproepen" - wat dat ook moge betekenen. Maar een paragraaf aan het eind van het artikel trok mijn aandacht. "Sharon, destijds minister van Defensie van Israël, zou naar verluidt de aanval op de vluchtelingenkampen van Sabra en Chatila hebben vergemakkelijkt." Daar was het weer. 'Naar verluidt', het equivalent van 'vermeend'. Hoezo "naar verluidt"? Hoeveel boze lezersbrieven zouden die twee woordjes weer vermeden hebben?

Maar bij nader inzien denk ik niet dat de Amerikanen die ik op mijn laatste reis ben tegengekomen zich door die twee woordjes in de luren zouden laten leggen. Ik denk niet dat mijn hoteleigenaar in Iowa City die "naar verluidt" zou pikken. Noch de gepensioneerde officier van de John F. Kennedy. Noch de luisteraars van KSUI. En zelfs Stanley Sheinbaum niet. Ja, Osama bin Laden heeft mij ooit verteld dat hij dacht dat de Amerikanen het Midden-Oosten gewoon niet snapten. Hij had misschien gelijk toen hij het zei. Maar nu niet meer.

© The Independent

Vertaling: Gert Van Langendonck

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234