Dinsdag 10/12/2019

'Het is zo muisstil in de letteren'

Gesprek met Julien Weverbergh

Morgen verschijnt het eerste deel van de memoires van Julien Weverbergh. Twee voor de prijs van één, want er is weverbergh, 'de Djengis Chan van de Vlaamse critici', de scherpe pen van het literair-polemische tijdschrift BOK, én er is Julien Weverbergh, die in 1971 directeur werd van uitgeverij Manteau. Van stroper tot boswachter. 'Hoe dat zo kon? Omdat de passie voor literatuur verdween.' Door Filip Rogiers

Julien Weverbergh

weverbergh '30-'70. Herinneringen van een letterkundig omnivoor

Privé-domein, Arbeiderspers, Amsterdam, 350 p., 21,95 euro.

Zeg mij, romans, verhalen, novellen, wie heeft daar na zijn veertigste God nog aan toe behoefte aan? Wie leest nog dat fictief zogezegd scheppend psychologisch-filosofisch bellettristisch proza? Zijn er ooit romans gepubliceerd die thuishoren in de rij van de honderd boeken die het menselijk denken wérkelijk ingrijpend hebben beïnvloed?" Weverbergh stelt deze open vragen ergens in het begin van zijn boek. Tot op de laatste pagina blijven ze zinderen, tot de auteur ze met een krachtig 'neen' beantwoordt.

Bizar, voor een man die gepolemiseerd heeft over literatuur alsof zijn leven ervan afhing. Weverbergh zette zijn eerste stappen in het boekbedrijf in 'Geestesleven', de cultuurrubriek van Louis Paul Boon in dagblad Vooruit. Boons werk, schrijft Weverbergh, stond in 1961 mee aan de wieg "van mijn nu definitief inzicht in de waarde van literatuur". Het is met dat inzicht dat hij de bokken van de schapen begon te scheiden, literatuur van bellettrie en schrijvers van scribenten. Sommige van de schrijvers die hij in die jaren neersabelde, zou hij in 1971 'erven' van Angèle Manteau. En verder uitgeven zonder morren. Het eerste deel van Weverberghs memoires (of er meer volgt, hangt van de fondsen af) stopt in dat jaar. Er zouden zestien jaren volgen aan het hoofd van wat het vlaggenschip van de Vlaamse letteren was, Manteau. In 1986 stichtte hij Houtekiet, genoemd naar de roman van Gerard Walschap, de enige auteur naast Boon voor wie Weverbergh nog wel een 'ja, misschien' over heeft.

Welke plaats neemt literatuur nog in het leven van Julien Weverbergh in vandaag?

"Geen. Ik ben nog wel een lezer, maar literatuur interesseert me helemaal niet meer. Van de zogenaamd geklasseerde schrijvers lees ik nooit iets nieuws, nooit iets wat ik nog niet wist. Wat ze doen, interesseert mij zo min als wat de schoenmaker of de slager doet. Ik zie ook dat de bijdrage van schrijvers in het totale maatschappelijk-culturele bestel nihil is geworden. Waarom zou ik dus nog hun romans lezen? Ik verveel er mij maar mee. God, bespaar mij de zoveelste geschiedenis over (theatraal) het leven, de liefde en de dood. De ommekeer is er gekomen op het moment dat ik uitgever werd. Ik verloor mijn interesse voor wat schrijvers doen, maar nog meer voor het instituut dat men literatuur noemt. Die hele cocon met zijn professoren, de prijzen, de rimram van de literatuurgeschiedenis waar ik zelf vroeger aan mee peuterde. Ik had het allemaal gezien."

Ook in uw BOK-jaren was het u vaak al meer te doen om een aanval op de geplogenheden van het literaire bedrijf dan de literatuur zelf.

"Absoluut. Heel dat BOK-avontuur was gericht tegen de literaire machtsstructuren. Wat kan ik eraan toevoegen? Ik ben bezeten geweest door literatuur. Ik heb ze tot de grond uitgeput. Er verscheen geen letter in het hele Nederlandse taalgebied die ik niet gelezen had."

Speelde de literatuur in de jaren zestig dan wel een grotere rol, of beeldde u zich dat ook toen maar in?

"Ik denk dat die rol zo rond de jaren vijftig en zestig al tanende was. Er kwam niet voor niets een 'aanval op de vaderen'. Eind jaren vijftig betekenden mensen als Herman Teirlinck of August Vermeylen nog iets. Ik vermoed dat we in de jaren zestig samen met de rol van de vaderen ook de rol van de literatuur ter discussie zijn gaan stellen. Wellicht is toen ook de impact van literatuur op het denken van de mensen beginnen te verwateren. Vertel mij eens, wat zou ik en met mij heel wat gestudeerde jongeren zich moeten aantrekken van wat een Kristien Hemmerechts te zeggen heeft over lange of korte rokken? We horen het wel bij de kapper. Wel, er is een tijd geweest dat wanneer een schrijver zijn oordeel uitsprak over het dragen van lang haar of korte rokken, dat gewicht had. Dat is weg uit de maatschappij."

Toch gold voor u ook wat voor uw goede vriend Jeroen Brouwers gold, in de woorden van Jan Blokker: 'een van de weinigen die de literatuur zo serieus nemen dat ze bereid zijn er onverzoenlijk van te worden'?

"Dat was voor mij ook absoluut van toepassing. Maar of Jeroen er nog achter staat, moet je hem zelf vragen. Enkele weken geleden zei hij mij toch dat het voor hem ook niet meer zo presseert, wat er op papier komt. Terwijl ik weinig mensen ken die ook weten wat er gebeurt in de letteren, die alles blijven lezen, dat heeft Jeroen nog altijd, zoals ik het ook had in de jaren zestig. Tot ik uitgever ben geworden, handelaar in bedrukt papier (lacht)."

Blijven er in Vlaanderen voor u nog altijd maar drie schrijvers over: Louis Paul Boon, Hugo Claus en Gerard Walschap?

"Boon blijft, al heb ik De kapellekensbaan niet kunnen herlezen. Ook Walschap staat nog overeind. Van Claus weet ik het niet meer, nadat ik Het verdriet van België heb herlezen. Dat boek rammelt. Het zijn twee boeken die met dikke draad aan elkaar zijn genaaid. Het is te ver gezocht, het alaam van de schrijver wordt opzettelijk overvloedig gebruikt. Ik ben zeker dat Het verdriet over twintig of dertig jaar verouderd Nederlands zal lijken. Wat een verschil met Multatuli! Dat blijft voor mij de grootmeester. Vooral zijn Ideeën zijn naar vorm en inhoud onverwoestbaar. Herlees het en hij zal je ook vandaag weer prikkelen om kritisch op te kijken naar macht en machtsmisbruik. En zijn Nederlands is zo glashelder. Het heeft die zeldzame kwaliteit die authenticiteit heet: je leest er de vent in, zoals wij het in de jaren zestig nog noemden, verwijzend naar het aloude 'vorm of vent'-debat van de jaren dertig. Het is niet verwaand, niet gezocht en het is goed geschreven."

Boon noch Walschap figureren op het lijstje van De Grootste Belg. Marc Reynebeau neemt het wel op voor Hendrik Conscience.

"(ongelovige lach) Zou hij dat menen? Conscience hoort net zo min thuis op die lijst als Boon. Ja, Boon is het beste wat we literair sinds de Tweede Wereldoorlog gehad hebben, maar in de totale cultuurhistorische geschiedenis valt ook hij in het niets. Grote Belgen, dat zijn voor mij mensen als Vesalius of Mercator. Díé hebben de gang van de geschiedenis veranderd. Multatuli ook, een beetje."

'Literatuur moet je drinken', schrijft u, 'het is een narcoticum.' Zo verbeten als u vandaag nog altijd over literatuur spreekt en schrijft, is het toch moeilijk te geloven dat u het vuur in 1971 verloor.

"En toch was het zo. Ik rolde naïef in het literaire bedrijf, als een vrijbuiter. Met BOK werd ik, in enkele maanden tijd, van niets een fenomeen. Het overkwam mij, het verwonderde mij omdat ik vond dat wat ik zei, de normaliteit zelve was."

In die jaren zelf relativeerde u zich ook kapot. Uit uw afscheidsbrief aan BOK-medewerker Hedwig Speliers: 'Wij zijn verdomme zo oneindig weinig waard, wij betekenen gewoon NIKS.'

"Dat meende ik ook. Herwig Leus niet, die vond van meet af aan dat we literatuurgeschiedenis aan het schrijven waren. BOK heeft indirect wel enige impact gehad. Merlyn bijvoorbeeld, dat een streng wetenschappelijk tijdschrift was, is mede onder invloed van BOK van koers veranderd. Ze lieten stilaan meer vent toe. Invloed is er dus wel geweest, maar geen navolgers. Als die er al waren, zijn ze nu compleet vergeten. Er ontstond wel een BOK-sfeer rondom mij, er kwamen epigonen. Dat begon mij stierlijk te vervelen en daarom wou ik er ook een punt achter zetten. De polemiek werd een gimmick. Toen ik in 1970 uitgever werd, heb ik bijna geen letter meer geschreven over literatuur."

In uw boek staat u heel lang stil bij de vraag hoe de stroper boswachter kon worden. U doet het met zoveel aandrang dat het niet anders kan of u hebt er erg mee geworsteld.

"O ja, ik worstel ermee tot vandaag. Jeroen Brouwers verwijt het mij nog altijd. Hij vond dat ik nooit uitgever had moeten worden, maar criticus en schrijver had moeten blijven. Maar ik was te veel overtuigd van mijn beperktheid als schrijver. Er is een grens aan het talent. Dat is zoals met chansons: waar Charles Aznavour eindigt, begint Jacques Brel. Ik wist van mezelf dat ik nooit zou doorbreken tot de sfeer waar het werkelijke, grote authentieke schrijven begint. Waarom zou ik dan, zoals zoveel collega's en kennissen deden, romans blijven afscheiden? Uitgever worden bracht brood op de plank. Het was werk dat ik kende, ik wist wat er literair te koop en te keur was en ik had relaties in het wereldje. Ik heb van mijn kennis mijn broodwinning kunnen maken."

Weverbergh publiceerde veel romans die weverbergh in zijn BOK-tijd wel rauw had gelust. Sputterde het geweten nooit tegen?

"Ach, weet u, BOK werd ook een mythe. Ik heb het eens nageteld: er stonden meer positieve dan negatieve stukken in. Maar nee, scrupules speelden geen rol. Ik doe mijn hoed nog altijd af voor die enkele authentieke schrijvers die er zijn. En de rest (maakt wegwuifgebaar)... De uitgeverij was voor mij een spel binnen wat men de literaire grenzen noemt. De boeken van een Ward Ruyslinck, die las ik niet, ik gaf ze gewoon uit."

Als uitgever achtte u ideologische verwantschap belangrijker dan de literaire kwaliteit van de linkse 'copains', zoals u ze noemt.

"Absoluut. En het speelde mee in mijn beslissing om die job te gaan doen. Ik vond dat er in Vlaanderen een vrijzinnig bolwerk moest zijn en blijven. Dat was de uitgeverij Manteau. Als ik het roer niet had overgenomen, was de uitgeverij verdwenen."

Verliet u in 1986 de uitgeverij met opgeheven hoofd, met het gevoel dat u toch een steentje had bijgedragen tot de literatuurgeschiedenis?

"Ik denk het wel. Ik noem Jotie T'Hooft, niet omdat hij mijn schoonzoon was. Mijn uitgave van het verzamelde werk van Cyriel Buysse vind ik ook nog altijd een mijlpaal. En ik heb Daniël Robberechts sterk gestuwd, al verkocht je daar bij wijze van spreken maar zeven exemplaren van."

Met BOK wilde u gehoord worden...

"Ja, ik werd veel uitgescholden. Ik was zelf nochtans geen querulant."

Maar lag u later als uitgever zelf wakker van literaire kritiek?

"Geenszins. Nooit heeft een negatieve of positieve kritiek meegespeeld in mijn afwegingen om een boek al dan niet uit te geven. Ik behoor tot een uitgestorven ras van uitgevers. De obsessie met verkoopcijfers kenden we niet, al wil het niet zeggen dat we roekeloos waren. We betrouwden op onze antennes. Je geloofde in een boek en je gaf het uit. Of je vond het niet goed, maar je zag een auteur nog verder groeien. Die enkele recensenten of critici wier oordeel ik wel hoog inschatte, zoals Paul De Wispelaere, nam ik mee op in een soort redactieraad. Niet om te bepalen wat er achteraf over mijn boeken geschreven zou worden, wel omdat ik hun smaak en inzichten vertrouwde. Het kan raar klinken uit de mond van een vrijbuiter, die tegen menig zogenaamd literair monument geschopt heeft, maar ik heb altijd graag opgekeken naar een autoriteit die het verdiende. Vandaag zie ik in heel het Nederlandse taalgebied niet één zo'n stem."

Vredig knetteren de letteren. Mist u een soort BOK vandaag? Met uw krachtig njet tegen de literatuur op het einde van uw boek, wekt u de indruk dat u een lekker ouderwets relletje best zou kunnen waarderen.

"(glimlacht) Welja. Ik hoop dat een beetje. Het is zo muisstil in de letteren. Nochtans blijf ik geloven in het nut van stevige discussies. Als het stof opwaait, dwarrelen er altijd wel een paar nieuwe gedachten neer. Het is inmiddels toch al bijna twintig jaar dat Kristien Hemmerechts, Tom Lanoye en Herman Brusselmans de toon aangeven. Nooit is dat trio eens verontrust geweest. Nooit heeft iemand de moeite genomen om dat werk van hen eens duchtig af te borstelen en het met sterke argumenten binnenste buiten te keren. Ik kan Tom Lanoye best wel pruimen, meestal ben ik het zelfs volmondig eens met wat hij in Humo schrijft, maar dat is het werk van een betere journalist niet van een schrijver. Hemmerechts en Brusselmans hebben op z'n minst een oeuvre op de plank staan, Lanoye niet. Tureluurs werd ik van dat grote doek dat onze Boerentoren een jaar lang verloederd heeft (het stadsgedicht van Lanoye waarin de Boerentoren zijn liefde verklaart aan de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal, FR) Dat was toch lulkoek? Er is bij mijn weten niemand opgestaan om dat te contesteren. Niemand heeft een ladder gepakt en dat ding afgetrokken of anderszins besmeurd. Een of andere actie als een open vraag ware welkom geweest, en dan liefst door mensen uit Lanoyes eigen kringen, mensen die het goed voor hebben met de literatuur. Het Vlaams Belang moet dat niet komen doen hé."

Het moet van de dertigers komen?

"Weet ik veel. Ik ken ze niet. Ze piepen naar verluidt niet mis. Als het echt de moeite is, zal ik het wel horen zeker?"

Misschien stamt u uit een tijd dat een schrijver nog het dwingende gevoel had dat hij of zij ook 'iets' moest doen voor de gemeenschap, iets buiten het boek? Vandaag leggen schrijvers zich misschien juist meer toe op waar het om gaat: het schrijven.

"(wuift weg) Nu onderstreept u precies wat ik net zei: dat de literatuur als sociaal-culturele verschijnsel niets meer voorstelt. Als schrijvers zelf niet loskomen, is dat toch het teken dat ze niet geloven in de waarde van hetgeen waarmee ze bezig zijn?"

U leefde diep en gulzig voor de literatuur in de jaren zestig en zeventig. Compagnons de route, zoals Herwig Leus, zijn geveld door dat opbrandende leven. Ook bij u gingen bestaanscrisissen en literaire creativiteit niet zelden samen. Wetende hoe u nu over literatuur denkt - een stofdeeltje in het universum, een pluisje -, was het dat waard?

"Heel zeker. Die vroege jaren zestig waren opwindend en ik had ze nooit zo meebeleefd indien ik met BOK niet in de dans was getreden. De vroege jaren zestig waren overigens de échte jaren zestig, want toen moest het nog allemaal bevochten worden in het gesloten, verzuilde Vlaanderen. 1968 was het feest, maar de echte strijd werd vroeger geleverd. Toen BOK er kwam, werd ik meegesleurd in een maatschappelijk gebeuren dat een van de rijkste periodes uit mijn leven is geworden. Eigenlijk heb ik dankzij de literatuur een zeer boeiend leven gehad. Zowel in de tijd dat ik weverbergh was, als in de periode van de uitgeverij. Nogmaals, ik ben minder ontgoocheld in de literatuur dan in het instituut dat zo heet."

Filip Rogiers

'Het is inmiddels toch al bijna twintig jaar dat Hemmerechts, Lanoye en Brusselmans de toon aangeven. Nooit heeft iemand de moeite genomen om dat werk van hen eens duchtig af te borstelen'

'Die hele cocon met zijn professoren, de prijzen, de rimram van de literatuurgeschiedenis waar ik zelf vroeger aan mee peuterde. Ik had het allemaal gezien'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234