Dinsdag 15/06/2021

InterviewKoen Van Renterghem

‘Het is perfect verdedigbaar om te zeggen: ‘Ach, die seks, ik kan ook wel zonder’’

null Beeld Geert Van de Velde
Beeld Geert Van de Velde

Wat de forse knoeperd in uw of uw boy’s boxer deelt met het rillerige scampietje in de onze, wat de majestueus gesculpteerde piemel gemeen heeft met de lelijke lul: ze kondigen al eens een wilde staking af. Koen van Renterghem (58), diensthoofd urologie van het Jessa Ziekenhuis in Hasselt en oprichter van de Kliniek voor Urologie, trekt de boel weer recht: hij is gespecialiseerd in erectieproblemen, en is in België de referentie als het over – jawel – erectieprotheses gaat. We gooiden alle stijfheid van ons af en ging op consult bij de man die zich vol branie door Topdokters beweegt.

Koen Van Renterghem: “Officieel ben ik een uroloog: een arts en chirurg die gespecialiseerd is in de aandoeningen van de nieren en de urinewegen. Maar ik ben eerder geneigd om mezelf een androloog te noemen – een ‘mannendokter’ in de volksmond. Het is een kleine niche in de geneeskunde, er zijn niet zo gek veel artsen die zich erop toeleggen, en in België is de titel zelfs niet officieel erkend. Maar ik ben dus gespecialiseerd in de ziektes van de man, en dan gaat het vooral over het seksuele: erectieproblemen en onvruchtbaarheid. Ik focus vooral op het eerste.”

Hoe courant zijn erectieproblemen?

“Ik citeer vaak de Massachusetts Male Aging Study, een grootschalig en betrouwbaar onderzoek dat uitwees dat de helft van de mannen ouder dan 40 erectieproblemen heeft. Duizelingwekkend, hè? Nu goed, ik wil dat cijfer meteen relativeren: wie verdrietig is na een relatiebreuk, en daardoor twee weken lang geen erectie kan krijgen, zit óók in die statistiek. Maar hoe dan ook, het komt meer voor dan we denken.”

Hoe erg is dat? Het wordt weleens weggezet als een luxeprobleem.

“Als je een erectieprobleem geïsoleerd bekijkt, is het dat ook. Het gaat immers niet over leven of dood. Daarom vraag ik patiënten ook altijd eerst of ze wel een oplossing wíllen. Want het is perfect verdedigbaar om te zeggen: ‘Ach, die seks, ik kan ook wel zonder.’ Of: ‘Intimiteit kent vele gedaantes. Ik vul het voortaan wel op een andere manier in.’

“Een erectieprobleem op zich hoeft dus geen catastrofe te zijn, maar vaak is het wel een rood lampje dat stevig gaat knipperen op het dashboard. ‘De penis is de antenne van het hart’: zo zeg ik het tegen mijn studenten geneeskunde. (glimlacht) Ik ben best wel trots op die vondst. Ontmoet ik oud-studenten, dan beginnen ze telkens weer over dat zinnetje. Maar dus: erectieproblemen zijn niet louter seksuele kwesties, ze hebben ook een belangrijke signaalfunctie. Er is bijvoorbeeld een link tussen erectieproblemen en hart- en vaatziekten. Bij veel patiënten is een erectieprobleem een symptoom van een cardiovasculair probleem. Ook op dat vlak zijn de statistieken behoorlijk veelzeggend: als jij een erectieprobleem hebt, loop je vijf keer meer kans op een hartfalen in de nabije toekomst dan een leeftijdsgenoot zónder. En dat is logisch. Een erectieprobleem heeft vaak te maken met het dichtslibben van de aders. Vandaar: de penis is de antenne van het hart.”

null Beeld Geert Van de Velde
Beeld Geert Van de Velde

DE VAN BIL-PIL

U begon in 1993 als uroloog. Dat wil dus zeggen dat u op de eerste rij stond toen vijf jaar later Viagra werd geïntroduceerd.

“Klopt. Voor die tijd bestonden er geen erectiepillen, en waren onze behandelmethoden beperkt. We hadden yohimbine, ook wel ‘Spaanse vlieg’ genoemd: een pilletje dat vooral een placebo-effect heeft. Soms gaven we ook Trazolan: een medicijn dat voor psychische aandoeningen wordt gebruikt, maar dat bij mannen vaak erecties uitlokt. De nevenwerking werd dus gebruikt als medicijn. Dat was verre van ideaal, zeker ook omdat priapisme een mogelijk neveneffect is: erecties die niet meer verdwijnen.

“Enfin, in 1998 bracht Pfizer dus met veel bombarie Viagra op de markt, en dat werd hun grote kassucces. Logisch: er was niets, en plots hadden we een pil die véél kon oplossen. Want Viagra werkt – dat was snel duidelijk.”

Toch was er ook scepsis: de erectiepil kon hartfalen in de hand werken.

“De Viagradoden: in het buitenland stierven toen een aantal mensen na het gebruik van de pil. In de pers werd daar een vergrootglas over geschoven. ‘Vier Viagradoden in Duitsland!’ Maar het is een beetje zoals met de twijfels over het AstraZeneca-vaccin nu: het ging over een extreem klein deel van de populatie, en stuk voor stuk waren het mensen die al hartklachten hadden. Maar tot op vandaag zorgt het voor argwaan. ‘Dokter, is dat wel goed voor mijne moteur?’: dat hoor ik nog veel patiënten vragen.

“Op de Belgische markt zijn intussen vier erectiepillen beschikbaar. Op één na vind je die ook als generiek product. Een goede zaak, want aanvankelijk waren die pillen erg duur. 40 euro voor een doosje Viagra met vier pilletjes: da’s een stevige prijs voor een paar potjes vrijen, hè. Ondertussen betaal je grofweg geschat nog 1 euro voor een pil, en toch wordt er soms nog over de prijs gezeurd. Dan durf ik weleens een beetje stout worden tegenover mijn patiënten. Je moet weten: veel mensen met erectieproblemen zijn rokers. Hoeveel kost een pakje sigaretten tegenwoordig? 8 of 10 euro, toch? Ik vind het niet logisch dat je dát dagelijks neerlegt, maar wél verwacht dat de maatschappij je erectiepil gratis ter beschikking stelt.»

Hoe populair is Viagra nog?

“Behoorlijk, al is het niet meer de hype die het net voor de eeuwwisseling was. Ik zie ook vaak drop-outs, mensen die ermee ophouden. Dat heeft dan vooral te maken met de nevenwerkingen: hoofdpijn of hartkloppingen. Wat ook kan meespelen: je neemt Viagra een uur op voorhand in. Je moet de seks dus plannen, en niet iedereen kan of wil dat.”

null Beeld Geert Van de Velde
Beeld Geert Van de Velde

DOOD VAN EEN PENIS

Erectieprothesechirurgie is uw specialiteit. Eerlijk: ik wist niet dat het bestond, een prothese die erectieproblemen verhelpt.

“Je bent zeker niet de enige: het is een mogelijke oplossing die nog te vaak onderbelicht blijft. De techniek lijkt heel erg op die van de protheses die ingeplant worden om urineverlies tegen te gaan. Er wordt een pompje aangebracht in de balzak en een ballonnetje net boven de penis, en links en rechts wordt een zwellichaam geplaatst. De bediening gebeurt met een knopje. Eigenlijk zet je je erectie aan en uit, ja. (lacht)

“Het is een heel technisch werkje: zo’n prothese wordt geassembleerd tijdens de operatie, omdat ze precies de juiste grootte moet hebben.”

U bent de autoriteit op dat vlak in België. Er zijn immers maar weinig urologen die frequent aan erectieprothesechirurgie doen.

“Jaarlijks worden er in ons land zo’n 350 erectieprotheses geplaatst, en daarvan neem ik er zo’n 150 voor mijn rekening. Robert Andrianne, mijn collega van het UZ Luik, is met pensioen, maar voert er jaarlijks toch nog zo’n honderd uit. Hij is de ware pionier, trouwens: Robert nam jarenlang álle protheseoperaties in België voor zijn rekening.

“Naast Robert en ik zijn er nog een aantal urologen die een tiental protheseoperaties per jaar uitvoeren, en dan heb je er ook nog die er maar één, twee of drie doen. Dat vind ik echt te weinig. Tien per jaar is voor mij toch het minimum minimorum.”

Waarom?

“Omdat het geen evidente operatie is: je moet ze in de vingers hebben. Zou jij graag geopereerd worden aan je penis door een chirurg die nauwelijks vertrouwd is met de handeling?»

Maar waarom wagen veel urologen zich niet of nauwelijks aan de erectieprothese? Geloven ze niet in de techniek?

“De complexiteit van zo’n operatie is allicht een belangrijke factor. Tegenwoordig denk ik al eens: ‘Het is eigenlijk toch een simpel nummerke dat ik hier opvoer?’ Dat heeft natuurlijk alles te maken met mijn ervaring: ik voer al bijna drie decennia zulke operaties uit. Maar toen ik ermee begon, was het bij momenten toch beangstigend. Dat ik dacht: ‘Poeh, als dat hier fout loopt, dan gaat het meteen ook gróndig fout.’ Als je als chirurg een tumor verwijdert en er gaat iets mis, kun je nog zeggen: ‘Helaas, ik heb je been moeten afzetten, maar je bent wel verlost van die levensbedreigende kanker.’ Maar als ik zoiets aan de hand heb, is dat dramatisch.

“Ik moet nu denken aan iets wat een andere uroloog overkomen is. Hij had weinig ervaring met de penisprothese, en bracht met veel moeite de operatie tot een goed eind. Maar door dat gebrek aan ervaring liep het gruwelijk mis bij de nazorg. De patiënt is geëindigd zonder penis – die stierf af, en moest uiteindelijk geamputeerd worden. Zo’n tragedie krijg je niet uitgelegd, hè. Je moet je eens in de plaats stellen van de patiënt: je bent een vijftiger, het heeft je allicht veel moeite gekost om de stap naar de uroloog te zetten, je bent heel gemotiveerd omdat je seks nog altijd belangrijk vindt, je kijkt uit naar die prothese, en dan eindig je zonder penis. Enfin, ik denk dat dat veel collega’s afschrikt: de mogelijkheid dat er iets fout loopt, en dat je daarvoor de verantwoordelijkheid moet dragen.

“Bij sommigen is het financiële misschien ook een factor geweest. Je moet weten: de ingreep werd lang slecht betaald. Ik heb het eens uitgerekend: het netto-ereloon van de uroloog tijdens zo’n operatie bedroeg tot voor kort 30 euro. Dat is geen vetpot, hè. Nu goed: samen met Robert Andrianne heb ik dat uitvoerig aangekaart bij het Riziv, en sinds enige tijd wordt zo’n protheseoperatie wel degelijk betaald.

“Ik vind het jammer, die koudwatervrees. Ik kan begrijpen dat een uroloog zo’n operatie te riskant vindt, te veel gedoe, en zich er dus liever niet aan waagt. Maar leg dan tenminste de optie op tafel, en verwijs de patiënt door als hij zo’n prothese wil. Nu beperken artsen zich vaak tot een voorschriftje voor Viagra. En als dat niet werkt: bloedvatverwijdende producten die rechtstreeks in de penis geïnjecteerd worden. Maar de derde optie – een prothese – wordt vaak niet vermeld. Als de pillen en de injecties niet helpen, wordt vaak gezegd: ‘Je zult ermee moeten leren leven.’”

Heeft Viagra ervoor gezorgd dat er minder erectieprotheses nodig zijn?

“Aanvankelijk wel. Mensen konden geholpen worden met een pil, en dus was een operatie vaak niet meer nodig. Maar op de lange termijn heeft Viagra voor méér protheses gezorgd.

“Daar zijn twee redenen voor. Viagra heeft de bespreekbaarheid van erectieproblemen veel groter gemaakt, en hoe meer mensen de stap zetten naar een uroloog, hoe meer protheses. Daarnaast is het zo dat erectiepillen na verloop van tijd soms hun effect verliezen. Patiënten zijn dan haast per definitie geïnteresseerd in die eventuele volgende stap, want ze hebben het genot van seks opnieuw ontdekt.”

U hebt dus voor een heel specifiek domeintje binnen uw vakgebied gekozen. Is dat gebruikelijk in de urologie?

“Het kadert alleszins in een algemene tendens. Toen ik in 1993 begon, was de huisarts het centrum van de geneeskunde. Die deed álles: ziektes behandelen, een snee in je hoofd naaien, bevallingen… Dat kan nu niet meer, en gelukkig maar. Ik ben altijd een hevige voorstander geweest van specialisatie. Het is ijdele hoop – wat zeg ik: ongepaste arrogantie – om te geloven dat je in je eentje een volledig vakgebied kunt beheersen. Als ik slokdarmkanker krijg, wil ik graag behandeld worden door een arts die dat soort operaties tot in de perfectie beheerst. Toen ik in 1993 met chirurgie begon, dacht ik in mijn jeugdige overmoed dat het een kwestie was van even het gas indrukken. Na twee jaar zou ik wel volleerd zijn. Maar zo werkt het natuurlijk niet: ik heb er decennialang tijd en energie in moeten steken, het heeft veel zweet en af en toe zelfs tranen gekost.

“In Hasselt heb ik de Kliniek voor Urologie opgericht, een associatie van twaalf urologen. Die is helemaal gestoeld op dat principe van specialisatie. We hebben allemaal onze eigen focus. Er zijn er die zich concentreren op prostaatproblemen, er zijn er die aan kinderurologie doen, er zijn er die zich bekwaamd hebben in laserchirurgie – enzovoort, enzovoort. En ik neem de andrologie op mij. Komt er iemand bij mij met prostaatproblemen, dan stel ik de diagnose en verwijs ik de patiënt door naar de collega die daarin gespecialiseerd is. En omgekeerd: als iemand met erectieproblemen geholpen kan worden met een prothese, zal die naar mij doorverwezen worden. In de kliniek verdienen we allemaal evenveel: op het eind van de maand worden de inkomsten gedeeld door twaalf, en klaar. Dat klinkt misschien evident, maar het is niet zo gangbaar in de geneeskunde.”

Omdat het een competitieve wereld is?

“Helaas. Ik sprak over Robert Andrianne. Eigenlijk zouden wij elkaar als concurrenten moeten zien, maar dat druist zo erg in tegen wie wij zijn. En dus hebben we altijd intens samengewerkt, over de grenzen van de ziekenhuizen heen. Had ik een patiënt van wie ik vermoedde dat Robert hem beter zou kunnen behandelen, dan stuurde ik hem naar hem, en vice versa. Maar niet iedereen blijkt in staat om zo samen te werken. Nog te vaak speelt er een vorm van protectionisme. Dat is niet typisch Belgisch, hoor: je ziet het in de hele wereld. Het is ook niet typisch voor de geneeskunde. In elke sector vind je jaloezie en eerzucht. En daar krijg ik dus een slappe van: het zijn zulke kwalijke, destructieve emoties.”

Als we dan toch bij de ergernissen aanbeland zijn: wat stoort u nog zoal?

“Een evolutie in de brede maatschappij waar ook de geneeskunde niet aan ontsnapt is: de almaar meer ruimte stelende administratieve rompslomp. De aanwas van regeltjes en voorschriften. De bemoeienissen met van alles en nog wat. Daar kan ik echt heel erg om zuchten. Maar het mooie is dat onder die ergernis de passie altijd intact blijft. Echt: ik doe mijn werk zo graag.”

JEF EN ZULMA

Het begrip ‘mannelijkheid’ is aan evolutie onderhevig. Merkt u dat? Is praten over erectieproblemen een minder groot taboe dan pakweg dertig jaar geleden?

“In het algemeen is er minder schaamte, ja. Maar toch gaat het mij nog te traag. Nog altijd worden er vooral grappen gemaakt over erectieproblemen. Vind ik prima, hoor – leve de humor! Maar je moet er ook ernstig over kunnen praten, zonder schaamte. Op café cultiveren mannen toch nog altijd graag het beeld van (houdt zijn handen zo’n 30 centimeter uit elkaar) het geweldig machien. Voor mij is dat de belangrijkste reden om mee te doen aan Topdokters: ik wil dat mensen correct geïnformeerd worden, en dat zo de schroom over het onderwerp oplost.

“Die schroom zit niet alleen bij de patiënt, maar ook bij de dokter. Te veel huisartsen en urologen wuiven erectieproblemen weg: ‘Ach, Jef, ge zijt 60 jaar. Ge kunt Zulma toch gewoon op een andere manier graag zien!’ (schudt het hoofd) Die mensen hebben al hun moed bij elkaar geraapt, tonen zich op hun kwetsbaarst, en dan zegt die dokter: ‘Ach, het zit tussen uw oren.’ Of: ‘Kom, ge zijt nu al zo oud.’ Die mensen komen nooit meer terug met hun probleem, hè!”

U zei dat Viagra wel een positieve invloed heeft gehad.

“Ja. Toen die pil gelanceerd werd, kregen erectieproblemen plots héél veel aandacht in de media. Ze werden een prominent gespreksonderwerp. En ook: het werd veel makkelijker om een probleem aan te kaarten bij de huisarts. Je hoefde niet langer een heel intiem verhaal te doen. ‘Dokter, dat blauw pilleke, is dat misschien iets voor mij?’ volstond plots.”

Moet een uroloog die gespecialiseerd is in erectieproblemen ook een beetje een psycholoog zijn?

“Weet je, chirurgen zijn doorgaans heel rationele, rechtlijnige denkers. Op het prozaïsche af: ‘Ik snij je open, ik repareer wat stuk is, en ik naai je weer dicht.’ Die doortastendheid heb ik ook, maar daarnaast vind ik toch dat empathie een wezenskenmerk hoort te zijn van een dokter. Je moet proberen om wie voor je zit te begrijpen, en oog hebben voor zijn of haar kwetsbaarheid.

“Een gesprek over erectieproblemen handel je niet in vijf minuten af: je moet je tijd nemen. En ik wil ook altijd het verhaal van de partner horen. Die vrouwen – of mannen, want ik heb uiteraard ook homoseksuele patiënten – kijken vaak op een verrassende manier naar het probleem en de eventuele oplossing. De klassieker is: ‘Goh, voor mij hoeft hij het niet te doen. Maar ik zie hem graag, ik weet dat hij eronder lijdt, en ik wil dat hij gelukkig is.’ Maar het omgekeerde zie ik ook: ‘Hij móét het voor mij doen, want anders ben ik weg.’ En er zijn er zelfs die zeggen: ‘Als hij het doet, ben ik weg.’”

Waarom? Zijn dat dan mensen die het als een nederlaag beschouwen dat viriliteit een handje geholpen moet worden?

“Hm, neen, dat is het niet. Eerder: angst voor te véél viriliteit. De vrees dat een man die na een periode van erectieproblemen plots weer aan de slag kan, dat mogelijk ook, euh, enthousiast buitenshuis zal doen.

“Soms zijn erectieproblemen slechts het symptoom van een catastrofe die veel dieper ligt. Dan heb ik het over relaties die fundamenteel niet goed meer zitten, ja. Een erectieprothese zal nooit een relatie herstellen. Als ik zo’n situatie detecteer, leg ik dat ook eerlijk uit aan de patiënt: ‘Ik doe dit om ú te helpen, meneer, maar ik kan u helemaal niet garanderen dat u hiermee uw relatie zult redden.’”

U had het over Jef en Zulma, maar intussen zijn ook Mohammed en Fatima Vlamingen: de samenleving is de afgelopen decennia flink verkleurd. Merkt u dat ook in uw praktijk?

“Het heeft me altijd al geïnteresseerd. Net voor corona uitbrak, was ik op een internationale vergadering waar ik met urologen van Indiase en Iraakse afkomst sprak. En inderdaad, ik merk het ook in mijn patiëntenbestand. Heel boeiend, hoor, die cultuurverschillen. En soms blijken de gangbare clichés niet te kloppen. Zo valt het me bijvoorbeeld op dat het in de moslimgemeenschap vaak de vrouwen zijn die op tafel kloppen bij erectieproblemen: ‘Kom, naar de uroloog!’ Dat vloekt toch prachtig met het stereotiepe beeld van de stille, volgzame, seksueel terughoudende moslima, niet?

“In mijn ervaring zijn het net de mannen die met lood in de schoenen binnenkomen – de mediterrane trots, allicht. En soms worden clichés ook gewoon bevestigd. Ik zie bijvoorbeeld weinig joodse mannen: in hun gemeenschap is het niet gangbaar om een niet-joodse arts op te zoeken.”

Een andere evolutie: gender wordt fluïde. Non- binaire mensen eisen hun plaats op in de samenleving.

“Daar ben ik niet zo in thuis. Ik zou bijvoorbeeld nooit transgenderchirurgie doen. Begrijp me niet verkeerd: dat is geen politiek statement, hè. Patiënten die in het verkeerde lichaam geboren zijn, stuur ik consequent door naar het UZ Gent: daar zijn ze gespecialiseerd in de problematiek. Dat ik me er zelf niet aan waag, komt doordat ik er niet de juiste klik bij voel. Het is moeilijk te omschrijven, maar je hebt die klik nodig om als chirurg goed werk te leveren. Ik ben bijvoorbeeld gek op kinderen, maar ik zou nooit een pediater kunnen zijn, want ik voel de klik niet. Net zoals ik van vrouwen hou, maar geen gynaecoloog zou kunnen zijn. Het is puur medisch gezien mijn ding niet, maar er schuilt geen waardeoordeel achter.”

FOETUS OP FORMOL

Waar ligt de kiem van uw passie? U komt alvast niet uit een klassiek doktersgeslacht.

“Mijn ouders stonden beiden in het onderwijs, en mijn moeder stopte met werken zodra ze kinderen kreeg – zo ging dat in die tijd. Nee, elk kind heeft toch een bijzondere, moeilijk te traceren passie, en bij mij was dat onmiskenbaar het menselijk lichaam. Ik twijfelde nooit over wat ik met Sinterklaas of Kerstmis als cadeau wilde: een kinderboek over anatomie. Al die spieren, al die bloedvaten, die mooie, complexe werking van een mensenlichaam: ik vond het wonderlijk.

“Onze buurman was een dierenarts. Die man opereerde ook, en vaak mocht ik dan toekijken. Hij heeft me geleerd hoe ik chirurgische knopen moest leggen, en ik kreeg weleens een foetus op formol mee. Die zette ik dan in mijn kamer. (laconiek) Sommige kinderen hebben een poster van hun favoriete voetballer in hun kamer, ik had een foetus op sterk water.

“Nu nog altijd vind ik het een opwindende gedachte dat er geen grote cesuur zit tussen mijn kindertijd en mijn volwassen leven: mijn werk ligt helemaal in het verlengde van mijn passie van toen.”

Maar hoe kwam u bij urologie uit?

“Uit begeestering: ik vond het een fantastische specialiteit, en ik vind dat nog altijd. Het is de variatie die me aantrekt, denk ik. In de Kliniek voor Urologie zie ik mannen en vrouwen binnenkomen, jongeren en ouderen. Want aandoeningen aan de urinewegen komen bij iederéén voor. We krijgen in ons kabinet de hele samenleving op bezoek. Die variatie zit ’m ook in wat we doen. Dat gaat van heel kleine euvels verhelpen – nierstenen, bijvoorbeeld – tot heel ernstige dingen als blaaskanker. We doen de kleinste én de grootste operaties.”

Was zelfontplooiing hét argument om arts te worden?

“Dat speelde zeker een rol: ik heb gekozen voor wat ik interessant vond, en ik wilde me daar graag helemaal in ontwikkelen. Maar dat hangt wel heel nauw samen met… (denkt na) Met een zekere bekommernis om de wereld. Met het verlangen om iets goeds te betekenen voor anderen. We lopen hier met z’n allen maar heel eventjes rond, en het leven raast aan de maximumsnelheid voorbij. In die korte tijd moeten mensen proberen om binnen hun mogelijkheden iets moois te doen, vind ik. Zo heb ik het leven toch altijd opgevat: als een uitnodiging om je best te doen. Hoe klein ook, ik wil graag een verschil maken. Dat klinkt heel erg als ambitie, nee? Maar eigenlijk bedoel ik iets anders: ik heb altijd geprobeerd om mijn talenten en interesses zo uit te bouwen dat ik er iets mee kon betekenen voor de samenleving. Een kleine streep in het zand achterlaten. Met de nadruk op klein, want ik geloof dat veel ongeluk voortkomt uit oeverloze bewijsdrang.

“Ik hou niet van de snoevers. Van de dominante types. Van de opgeblazen kikkers die altijd en overal het zonlicht willen vangen. Goethe zei ooit, zij het niet in mijn bijzijn: ‘In de beperking toont zich de meester.’ Dat is zó waar! Wat maakte van iemand een mooi mens? Steevast proberen om als eerste op te trekken wanneer het licht op groen springt? Nee toch? Voor mij zit de schoonheid in bescheiden zijn, een klein beetje je best doen, en de mensen die je pad kruisen omhelzen in plaats van ze omver te lopen.”

Topdokters, maandag om 20.40 uur op Play4

© Humo

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234