Donderdag 21/11/2019

Het is niet makkelijk een Brusselaar te zijn

De expo BXL Universel in Centrale for Contemporary Art toont de unieke artistieke veelzijdigheid van Brussel. Ook ras-Brusselaar Marc Didden levert zijn bijdrage, maar vraagt zich tegelijk af waarom hij soms 'Luxemburg' antwoordt als iemand hem vraagt waar hij vandaan komt.

Ik ben van Brussel. En ik hou van Brussel. En ik hoop dat Brussel ook op één of andere manier van mij houdt.

Maar eer we verdergaan, moet ik u nog iets bekennen. Ik lust namelijk geen mosselen met frieten. En ook geen bier. En ook geen chocolade. En ook geen pain à la grecque. En ik heb een pesthekel aan Manneken Pis. Om nog te zwijgen van zijn collega Jeanneke.

Entre nous, en omdat het hier toch een beetje over kunst moet gaan: ik ben ook niet écht gek van het werk van René Magritte. Zal wel aan mij liggen, maar ik zeg het toch maar even, zodat u het weet, alweer entre nous.

Maar geloof mij: ik ben van Brussel en ik hou van Brussel en ik hoop dat Brussel ook een beetje van mij houdt.

Wanneer ik aan kunst denk, en aan Brussel - dagelijks, dus - dan denk ik bijna vanzelf aan Pieter Bruegel de Oude. Want van toen ik nog maar tien jaar oud was, ben ik al helemaal in de ban van zijn De val van Icarus, ook al heb ik dan al die jaren naar een kopie gekeken, zou nu blijken.

Niet dat zoiets mij kan schelen. Beter een goede kopie dan een slecht origineel, nee?

Ik ben jarenlang, bijna wekelijks, naar dat schilderij gaan staren in dat imposante Museum aan de Regentschapsstraat toen je daar nog voor 5 frank of voor helemaal niets binnen mocht. Het lag toch op weg van mijn school in de Marollen naar het huis van mijn ouders, dat aan het Jubelpark stond.

Op die school werd regelmatig over Bruegel gepraat. Wij bevonden ons daar namelijk op minder dan een steenworp van het huis van de grote schilder en hij lag ook begraven in de kerk die haar schaduw wierp over ons speelplein.

Ik herinner me ook dat ik af en toe behoorlijk boos werd wanneer een welwillende jezuïet vanachter zijn lessenaar verklaarde dat Bruegel een schilder van het volk was, die zich gespecialiseerd had in het afbeelden van mensen die met hun vingers van vlaaien aten, of zichzelf in plaats van een parelsnoer een halve kilo worst om de nek hingen. "Breugeliaans!" werd er dan altijd bij gezegd en dat maakte me nog bozer.

Waarom? Omdat ik beter wist. Omdat ik op dat ondoorgrondelijke doek De val van Icarus helemaal geen vlaaien zag en ook geen worsten, maar een heel subtiel verhaal dat ik natuurlijk al kende van een andere jezuïet. Want zo waren ze wel.

En ik zag ook meteen dat bij ware kunst niet zozeer het verhaal telt, maar wel hoe de verteller dat vertelt. Dat dát net kunst is. Iets wat iedereen al weet op zo'n manier vertellen dat degene die het verhaal leest, hoort, altijd de indruk heeft dat hij het voor het eerst leest, hoort, ziet.

Ik zag die boer en zijn ploeg natuurlijk, en die andere boer die naar de lucht kijkt. En ik zag dat schip, en die vogels. En in dat water, die spartelende benen en wat verwarde veren zag ik natuurlijk ook wat ik zag.

En ik wist: dit gaat niet over wat ik zie.

Ik had daar in de Marollen wel wat Latijn en Grieks geleerd en ik kende de heer Daedalus en zijn zoon Icarus, natuurlijk. Ik wist niet of ze echt bestaan hadden, want dat heb je nu eenmaal met figuren uit de mythologie.

Maar ik had wel de indruk dat ik dat later zelf ook eens zou willen doen, mezelf een koppel wassen vleugels aanbinden en dan de lucht in gaan, richting zon.

Om dan te beseffen dat er na zo'n avontuur maar één weg terug is: naar beneden. Niet vliegen maar storten. Geen boer die ervan opkijkt.

'Hybris', noemden de Oude Grieken dat en die term sloeg op een redelijk chique vorm van overmoed. Iets doen waarvan je vermoedt dat je het niet kunt, maar het toch doen.

Zoals ik gedaan heb, bijvoorbeeld, toen ik om het eind van mijn jeugd te vieren een langspeelfilm ging draaien in het Brussel van 1982. Een grauwe stad, toen, waar nog hele braaklanden lagen tussen het Rogierplein en de Antwerpse Poort, waar we nog met verbaasde ogen naar een nieuwerwets koopcentrum als City 2 keken, waar het metrostation Beurs nog naar het caoutchouc van de verse Pirelli-vloerbekleding geurde. Ik wist toen ook al wel dat naar de zon vliegen gevaarlijk is.

Maar kijk, entre nous, ik wilde niets anders dan naar de zon vliegen.

Heb ik u al gezegd dat ik van Brussel ben en dat ik van mijn stad hou? En dat die liefde er niet minder op geworden is, sedert 22 maart 2016.

Toen vlogen tientallen stadsgenoten van me ook naar de zon.

Dat was toch de bedoeling.

Maar ze raakten niet verder dan het dorp Zaventem.

Anderen gingen gewoon werken, ook iets fijns om te doen. Maar die dag niet.

Hun werkdag eindigde in Metro Maalbeek nog eer hij begonnen was. En hun leven ook. Ik word er ziek van als ik eraan denk. En ik denk er de hele tijd aan. Hoe kan iemand ons zo erg haten dat hij ons dat aandoet? Ik hoorde iemand zeggen, op de tram, dat het helden waren, die performance-artiesten die de bommengordel als instrument bespeelden. Ik betwijfel dat. En Icarussen zijn het ook al niet.

Ze wilden niet naar de zon vliegen, maar die vernietigen. Uw zon, mijn zon.

Als ik aan kunst denk, en aan Brussel, dan denk ik ook vaak aan Wiels, dat fenomenale gebouw daar aan de rand van de stad dat mij zo blij maakt wanneer ik het zie staan telkens een zoetjesaan vertragende sneltrein mij weer Brussel-Zuid inrijdt.

Bruegel zou het vast en zeker goedgekeurd hebben dat Wiels daar staat, niet zo ver van zijn huis, niet zo ver van zijn Icarus.

Hij zou blij zijn dat wat nu kunst is en uit de hele wereld komt, daar in die oude breugeliaanse bierbrouwerij tijdelijk onderdak krijgt.

Ik ga u toegeven dat ik wanneer ik Wiels bezoek, niet altijd naar de kunst ga kijken, daar. Ik ga er vaak vanop een van de vele balkons naar de stad kijken.

Mijn stad, de stad waar ik van hou.

Naar het va-et-vient van de treinen die van of naar andere steden rijden waar ik ook van hou: Antwerpen, Brugge, Gent, Luik, Namen of, iets ruimer gedacht, Parijs, Londen, Amsterdam, Berlijn.

En weet u waar ik nog het meest van hou: van dat moerasje dat achter Wiels ligt. De laatste keer dat ik er stond, heb ik goed uitgekeken of ik die benen van Icarus nergens zag uitsteken.

Terwijl ik door het bijna donker naar huis liep - een heel eind, al zeg ik het zelf - bedacht ik andermaal wat een wonderlijke stad dit toch is, die stad van mij. Zo vanuit Vorst, via Sint-Gillis, door een stukje Anderlecht, langs een flard Molenbeek terug naar 1000 Brussel struinen, het is een goed ding om te doen.

En ik dacht ook: waarom houdt men toch zo weinig van deze stad?

Je voelt het als je een beetje reist en bij de koffie eens een buitenlandse krant inkijkt: 'Bruxelles', 'Brussel', 'Brüssel', 'Brussels', 'Bruselas' heeft het altijd gedaan.

Als je zelf tegen iemand zegt dat je van Brussel komt, krijg je vaak een meewarige blik terug, zoiets van 'ocharme'.

Als je daarna vraagt of ze er zelf al ooit geweest zijn, schudden ze hevig van 'nee'. Alsof ze daar trots op zijn. Alsof ze vragen: 'Wat zou ik daar gaan doen?'

Ach, ik leef hier nu lang genoeg om er mij niets meer van aan te trekken. Ik heb mij er al lang bij neergelegd dat niet iedereen houdt van de dingen die ik graag heb en vice versa. Mosselen, Magritte, dat Manneken.

You know what I mean.

Maar ik geef toch met enige tegenzin toe dat ik het een vervelend gevoel vind, het gevoel dat het niet makkelijk is om een Brusselaar te zijn.

Zegt iemand: "Ik kom uit Amsterdam, Parijs, New York, Berlijn", dan is de reactie altijd even voorspelbaar als uitbundig positief. "Fantastisch! Wonderful! Magnifique! Wunderbar!" klinkt het dan.

Armen gaan in de lucht, monden veranderen in een smiley van vlees.

Als ze mij vragen waar ik vandaan kom, ben ik soms bang van de reactie. Ik aarzel dan altijd en denk dan aan Jacques Brel en citeer hem ook maar meteen en dus zeg ik: "Ik ben van Luxemburg" (en flamand dans le texte).

Het is niet makkelijk een Brusselaar te zijn. Maar het is wel fantastisch. Ik zou zelfs meer zeggen: wonderful, magnifique, wunderbar.

BXL Universel, Centrale for Contemporary Art, Sint-Katelijneplein, Brussel, tot 26 maart 2017, www.centrale.brussels

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234