Vrijdag 14/08/2020

Huis van HieleSabrine Ingabire

‘Het is niet aan zwarte mensen om racisme op te lossen’

Sabrine Ingabire. ‘Mijn tijd is beperkt, en terwijl ik witte mensen zit te onderwijzen, wordt er aan onze concrete problemen niets gedaan.'Beeld Bob Van Mol

‘Het is niet aan zwarte mensen om racisme op te lossen, wij hebben het probleem niet uitgevonden.’ Sabrine Ingabire (24) verkent de grenzen tussen activisme en journalistiek, en weigert stil te blijven. 

In de weelderige tuin van Willem Hiele nestelt Sabrine Ingabire zich in het laatste streepje avondzon, en spoelt de lange treinreis van Amsterdam naar Koksijde door met een glas Bacquaert Brut. Belgische bubbels. “Voor die keer dat ik eens in het land ben.”

We keuvelen wat, over de waanzinnige huurprijzen in Amsterdam, waar ze tegenwoordig woont en werkt. Over haar vakantieplannen en haar onbegrip voor mensen die vrijwillig een opblaasmatje in een tent verkiezen boven het comfort van een zacht bed. Maar lang duurt de smalltalk niet. Ingabire draagt een T-shirt met het opschrift ‘Black women are killed by police too’, met daaronder tientallen namen van slachtoffers. De Brusselse schrijfster, journaliste en activiste is hier niet voor een ontspannen culinaire avond. Ze is vriendelijk maar waakzaam – later zal ze vertellen dat ze zich nooit helemaal op haar gemak voelt in een omgeving als deze, met alleen witte mensen. En ze is vooral erg moe. “Ik zie ook dat veel van mijn zwarte activistische vrienden uitgeput zijn. We hebben een soort collectieve burn-out.”

Hoe komt dat?

Sabrine Ingabire: “De recente Black Lives Matter-protesten lijken een coming-of-ageverhaal voor witte mensen. Plots beseffen ze dat racisme bestaat, en belagen ze die ene zwarte vriend die ze kennen met berichtjes. ‘Wow, dit is zo erg.’ Ze sturen artikels, vragen uitleg, willen verhalen horen over racistische ervaringen. Dat is heel vermoeiend voor ons.”

Maar die reacties zijn juist goed bedoeld, toch?

“Ja, maar het is uitputtend om steeds weer je eigen traumatiserende ervaringen te moeten oprakelen. En je bent de hele tijd aan het lesgeven. Als ik op Instagram een meme post over mensen die het woord ‘blank’ blijven gebruiken, krijg ik honderd berichten van mensen die meer uitleg willen. Waarom is dat woord niet oké, welke term moet je dan wel gebruiken? Dan denk ik: ‘Yo mensen, jullie kunnen dat toch ook even googelen?’ Anderen én ikzelf hebben daar al uitvoerig over geschreven. Mijn tijd is beperkt, en terwijl ik witte mensen zit te onderwijzen, wordt er aan onze concrete problemen niets gedaan.

“We worden ook constant geconfronteerd met beelden van zwarte, lijdende mensen, zoals een stervende George Floyd. Niemand lijkt zich af te vragen hoe dat voelt voor iemand als mijn broer, die zichzelf herkent in een man die op een gruwelijke manier vermoord wordt. Ik heb nog nooit zulke expliciet gewelddadige beelden gezien met een wit slachtoffer. Wat betekent dat dan? Dat dergelijk lijden ons lot is?”

Die beelden van het politiegeweld op George Floyd hebben ook velen wakker geschud, en de Black Lives Matter-protesten juist een momentum gegeven, niet?

“Waarom is dat nodig? Als jij mij vertelt dat een witte man vermoord is door een politieagent, en dat hij acht minuten lang heeft moeten smeken voor zijn leven, dan heb ik geen beelden nodig om empathie te voelen. Waarom geloven we zwarte mensen pas als we het zelf zien?”

Ooit droomde Ingabire ervan om advocate te worden. Ze parkeerde haar rechtenstudies toen de combinatie student én activist én schrijver/columnist (o.a. voor Mo* Magazine en De Morgen) te zwaar en financieel onhaalbaar werd. Tegenwoordig is ze als journalist aan de slag bij NRC Handelsblad in Nederland.

Eigenlijk hadden wij op voorhand één prangende vraag voor Ingabire: vond ze het wel oké om door ons – witte vrouwen – geïnterviewd te worden? Ingabire zorgde voor ophef toen ze vorig jaar in een essay beschreef waarom zwarte politici, artiesten, of sporters volgens haar beter door zwarte journalisten geïnterviewd kunnen worden. ‘Het is oneerlijk,’ schreef ze, ‘dat witte mensen zorgeloos uitgebreid kunnen vertellen over hun werk in ‘kwaliteitskranten’, terwijl zwarte mensen interviews moeten weigeren, uit angst irrelevante en racistische vragen gesteld te worden door onwetende en/of racistische witte journalisten.’

Zelf weigert ze dan ook de meeste interviews. “Ik zeg sowieso nee als ze me tegenover een of andere oude witte man willen zetten”, zegt ze. “Ik weiger om nog maar eens te vertellen over mijn eigen ervaringen om te bewijzen dat racisme wel degelijk voorkomt. Ik ben dat beu. We zetten een wetenschapper die al twintig jaar onderzoek doet naar klimaatverandering toch ook niet in een dubbelinterview tegenover iemand die niet gelooft dat de opwarming van de aarde een realiteit is? Racisme is een reëel probleem dat al lang vastgesteld is door wetenschappelijke onderzoeken. Dáár moet het gesprek beginnen: we erkennen het probleem, wat nu? En dan kunnen we het gerust oneens zijn over de oplossingen.”

Sabrine Ingabire. ‘Ik word niet wakker met het idee: ‘Wat zal ik vandaag eens schrijven zodat ik nog meer verkrachtings-dreigementen van boze witte mannen in mijn mailbox krijg.’’ Beeld Bob Van Mol

Is er iets veranderd in die dialoog, exact twee maanden na de dood van George Floyd?

“Steeds meer witte mensen erkennen dat racisme bestaat. Maar ik zie weinig concrete maatregelen die het leven van mijn achttienjarig broertje makkelijker zullen maken dan het mijne.”

De laatste weken werd vooral veel gediscus­sieerd over de standbeelden van Leopold II. Leidt zo’n symbooldiscussie niet af van de concrete problemen die discriminatie en ongelijkheid veroorzaken?

“Het is zeker zinnig om de discussie te voeren waarom Leopold II geëerd wordt in een land waar zoveel nakomelingen van zijn slachtoffers wonen. Maar wij – de activisten en de deskundigen – praten over veel ruimere thema’s. De mainstreammedia focussen op die standbeeldenkwestie.”

Het probleem zit bij de media?

“De media zijn, net als de rest van de maatschappij, gebouwd op witheid. En witte instellingen zullen zichzelf altijd onbewust beschermen.

“Uit onderzoek blijkt dat mensen van Afrikaanse afkomst de meeste diploma’s hebben maar toch het moeilijkst aan werk geraken. Die ongelijkheid op de werkvloer moet weggewerkt worden, net als de discriminatie op de woonmarkt. We willen dat televisieprogramma’s niet enkel over witte mensen gaan. Dat de media­bedrijven, parlementen en rechtbanken niet zo wit zijn. Maar ik ben geen politicus. Ik benoem de problemen, ik wil het publiek informeren. Het is niet aan zwarte mensen om racisme op te lossen, wij hebben het probleem niet uitgevonden. Ik ben niet de persoon die hier concrete beleidsmaatregelen of oplossingen op tafel komt leggen. Met partijpolitiek heb ik sowieso heel weinig affiniteit, daar vind ik me helemaal niet in terug.”

Ingabire was op vakantie in Zuid-Afrika toen de lockdown werd afgekondigd. Even zag het ernaar uit dat ze niet meer thuis zou geraken, tot ze een ticket kon bemachtigen voor de allerlaatste vlucht van Kaapstad naar Amsterdam. Zodra ze thuis was, veranderde de onderdrukte paniek in diepe droefenis. “Veel mensen hier waren toen zo fucking optimistisch over de toekomst. Alsof na corona alles helemaal anders en beter zou worden. Ik snapte dat niet. Economische rampen treffen altijd de zwaksten het hardst. Onderweg naar de luchthaven in Kaapstad had ik al die arme wijken gezien waar huizen letterlijk op elkaar gebouwd zijn. Hoe zouden die mensen ooit afstand van elkaar kunnen houden?

“Die realiteit leek hier maar niet tot de mensen door te dringen. Bekende koppen riepen ons op om thuis te blijven, alsof dat voor iedereen zo makkelijk is. Er zijn ook mensen die wel móésten gaan werken, of met een groot gezin op vijf vierkante meter zitten, of geen huis hebben. Dat maakte me wanhopig; de problemen werden weggewuifd, door mensen die beweerden dat de lockdown ‘heilzaam’ was: omdat ze lekker veel vrije tijd hadden om aan introspectie te doen en brood te bakken. De contrasten zijn zo groot en mensen lijken het niet te willen zien.

“Ik moest ook dealen met mijn eigen schuldgevoelens, omdat ik naar Zuid-Afrika was gereisd terwijl ik wist dat corona toen al – begin maart – een risico vormde. Blijkbaar vond ik als Europeaan mijn eigen vakantie toch belangrijker, terwijl ik later heel goed besefte dat ik het virus misschien had kunnen binnenbrengen in een Afrikaans land.”

Sabrine Ingabire

• schrijfster, columniste bij De Morgen, binnenlandredacteur bij NRC Handelsblad

• 24 jaar, geboren in Rwanda

• groeide op tussen Brussel en Vlaanderen, liep school in het Frans en Nederlands, woont in Amsterdam

• in 2016 verscheen haar eerste roman Le chemin vers le bonheur (Éditions Chloé des Lys)

• leverde een bijdrage aan bloemlezingen, waaronder Zwart (2018, Atlas Contact); Le ravage d’Ali Baba (2019); Being (Imposed Upon) (2020, Onomatopee Projects)

• is cocurator van Being (Imposed Upon)

• jongerenadviseur bij de Vlaamse Jeugdraad 

Hebt u uzelf al vergeven?

“Ja, aan schuldgevoelens heb je niets. Ik heb eruit geleerd en volgende keer zal ik anders en beter handelen.”

In een column voor Mo* schreef u dat u zich nooit veilig voelt in een exclusief witte omgeving. We zitten hier in een restaurant...

(knikt) “... met alleen witte mensen, ja. Dus ben ik op mijn hoede. Net als op de trein hierheen. Dan vraag ik me af: waarom zijn hier alleen maar witte mensen? En stel dat een gewelddadige racist mij aanvalt, wie zal mij beschermen? Ik weet dat nooit zeker. Soms zijn er witte mensen die ik dacht te kunnen vertrouwen, maar die me dan toch niet beschermen als er iets racistisch voorvalt. Wanneer op een feestje het n-woord wordt meegezongen, bijvoorbeeld.”

Ingabire doelt op het afscheidsfeestje tijdens een schrijfkamp van uitgeverij Das Mag. Het was een fantastische tiendaagse geweest, tot een feestende bende die laatste avond uitgelaten meezong met ‘Ni**as in Paris’ van de rappers Jay-Z en Kanye West.

“Ik schrok zo hard dat ik me in mijn kamer heb teruggetrokken en moest huilen. Eén goede vriend kwam met me praten, en vroeg of hij de rest van de groep mocht vertellen wat er aan de hand was. Ik dacht: laat maar. Want dan zou ik weer moeten uitleggen waarom het n-woord niet kan, en dan gaat iedereen zich schuldig voelen, ‘O jee, ik ben zo’n slechte persoon’. Dat gedoe is vermoeiender voor mij dan gewoon huilen en ­slapen.”

Kunt u dat toch even uitleggen, waarom zwarte rappers het n-woord mogen gebruiken, en witte mensen het niet mogen meezingen?

“Ik vind het geen probleem als zwarte artiesten dat woord ‘reclaimen’ en zo een nieuwe connotatie geven. Zwarte muzikanten hebben het recht om zich uit te drukken op de meest zuivere manier voor zichzelf, en het lijkt me onwenselijk dat ze zichzelf zouden censureren omdat witte mensen daarna het n-woord misschien meezingen. Wanneer witte mensen dat woord uitspreken heeft het een heel andere lading, die historisch en koloniaal bepaald is. Een witte persoon die het n-woord ondanks die onderdrukkende lading toch gebruikt, is gewoonweg racistisch. Wij kunnen niemand verbieden om bepaalde woorden te gebruiken, maar ik mag het wel veroordelen als je dat doet.”

Maakt het voor u niets uit dat veel mensen wellicht geen slechte of racistische intenties hebben wanneer ze de tekst van een rap­nummer meezingen?

“Nee, zulke ervaringen noemt men ‘micro-agressies’; zelfs mensen zonder racistische intenties veroorzaken zo een emotionele pijn bij ons, een trauma dat zich constant opbouwt. Lange tijd was ik me zelfs niet bewust van die impact. Toen ik jong was had ik een negatief beeld van zwarte mensen. Ik voelde me niet aangetrokken tot zwarte mannen en vond mezelf lelijk. Omdat er zoveel negatieve beeldvorming bestaat over zwarte mensen: op straat, op televisie, in schoolboeken. Als je constant negatieve dingen hoort, ziet en leest, dan ga je daar zelf in geloven, en dat heeft een impact op hoe je jezelf en je naasten ziet.”

Als alle witte mensen voor u bedreigend zijn, zijn dan ook alle zwarte mensen uw natuur­lijke bondgenoten?

“Niet per se, maar ik hoef er niet bij stil te staan. Als jij als vrouw ’s nachts op straat een groepje mannen tegenkomt, vraag je je af: wat als het misloopt? Wanneer je vrouwen passeert, voel je die angst niet. Als ik in Brussel word lastiggevallen op de tram, dan weet ik dat ik kan afstappen en direct tien zwarte mensen tegenkom. Hier heb ik die geruststelling niet. En ik weet niet of de witte mensen in dit restaurant gedekoloniseerd zijn.”

Hoe weten wij of we gedekoloniseerd zijn?

“Dat kan ik niet in jullie plaats beoordelen. Kijk, álle witte mensen zijn racistisch. Gebruik dat nu niet als grote kop boven dit artikel hè. (lacht) Dat is gewoon zo. Jullie maken deel uit en profiteren van een wit systeem. Jullie zullen nooit echt helemaal begrijpen wat racisme is, want jullie zijn er nooit zelf mee geconfronteerd. Maar jullie moeten wel onophoudelijk zo goed mogelijk jullie best blijven doen om deze status quo te door­breken.

“Net zoals ik als cisgendervrouw onvermijdelijk soms transfobe dingen zeg, doe en geloof. Het is belangrijk om dat te erkennen. Ik informeer mezelf zo goed mogelijk, ik volg transgenderactivisten op sociale media. Het is niet de bedoeling dat ik op een dag een diploma krijg waarop staat dat ik niet meer transfoob ben. Dat is niet haalbaar, want ik maak deel uit en profiteer van een systeem dat gebouwd is op cisgender-zijn. Maar ik engageer me er wel voor om de ander zo goed mogelijk te begrijpen, en ik sta open voor opmerkingen wanneer ik iets verkeerd doe.

“Dus als iemand jou racistisch noemt, moet je niet beledigd zijn. We zijn gewoon dingen aan het benoemen. Laten we het hebben over wat je gaat doen met die informatie: ook dát is dekolonisatie.”

Sabrine Ingabire. ‘Sinds mijn tiende worstel ik met suïcidale neigingen. Op mijn twaalfde wilde ik mezelf uithongeren. Ik heb dat toen vijf dagen volgehouden.'Beeld Bob Van Mol

Daarmee dreigt u alles en iedereen over dezelf­de kam te scheren: er zijn kleine, onbedoelde uitschuivers van mensen die het goed met u menen, met daartegenover de écht racistische drek die je op sociale media leest.

“Maar vele zogezegd ‘onschuldige’ zaken zijn helemaal niet zo klein. Als ze tegen mij zeggen: ‘Sabrine, jij bent zo’n sterke vrouw’, dan past dat bijvoorbeeld in een cliché van zwarte vrouwen als ‘sterk’. Amerikaans onderzoek toont aan dat zwarte vrouwen minder pijnstillers krijgen en vaker sterven aan complicaties tijdens de zwangerschap. Dat heeft niet enkel te maken met slechtere gezondheidszorg, maar ook met het koloniaal geïnspireerde ‘geloof’ dat wij beter tegen pijn kunnen.

“Veel zwarte vrouwen in mijn omgeving zijn in afschuwelijke omstandigheden bevallen, omdat dokters hun pijnklachten niet serieus namen. Zo kunnen zelfs schijnbaar positieve of onschuldige stereotypes psychisch en fysiek leed veroorzaken, en bijdragen tot ongelijkheid en onveiligheid.”

Activist Dyab Abou Jahjah – toch niet bepaald een spreekbuis van het witte establishment – spreekt zich tegenwoordig sterk uit tegen dat soort identiteitsdenken: die rigide opdeling tussen witte en zwarte mensen creëert juist meer afstand dan toe­nadering. Dreigt u inderdaad geen bond­genoten te verliezen door hen allemaal racistisch te noemen?

“Moeten we ons daarom inhouden bij het benoemen van problemen? Het is niet aan mij om jullie steeds op jullie gemak te stellen. Je zult fouten maken, mensen als ik zullen je daar op aanspreken en je zult dat moeten slikken. En vervolgens moet je nadenken hoe het in de toekomst beter kan. Als we aanvaarden dat niemand zuiver is, is het probleem volgens mij opgelost.”

Prominente stemmen als Salman Rushdie, Noam Chomsky en J.K. Rowling waar­schuw­den in een ophefmakende open brief voor de zogenoemde cancel culture. ‘De vrije uit­wis­seling van informatie en ideeën, het levens­bloed van de liberale samenleving, wordt elke dag steeds meer afgeknepen’, klonk het.

“Als mensen blijkbaar zo bang zijn om iets verkeerds te zeggen of te doen, dan moeten ze zich misschien afvragen of zij wel de meest geschikte persoon zijn in dit debat. Op welke basis denkt J.K. Rowling uitspraken te mogen doen over transgendermensen (de schrijfster deed een aantal uitspraken op Twitter die als transfoob werden bestempeld, LB/EM)? Het zijn meestal mensen met privileges die zich heel zelfverzekerd uitspreken over een groep waar ze niet toe behoren.

“Ik geloof echt niet in het bestaan van een cancel culture. Roman Polanski (die beschuldigd wordt van seksueel misbruik, LB/EM) maakt toch nog altijd films? Thierry Baudet kan nog altijd oproepen tot haat en gewoon zijn ding doen. De geprivilegieerden worden helemaal niet gecanceld.

“Ik ben een grote fan van de animatieserie BoJack Horseman: het hoofdpersonage, een getroebleerde acteur, moet naar de gevangenis omdat hij afschuwelijke dingen heeft gedaan. Even geduld, zeggen ze hem, binnen een paar jaar kun je gerust een nieuwe film uitbrengen. En zo werkt het kennelijk.”

Treft de cancel culture niet vooral mensen binnen de eigen progressieve rangen? Een van de Black Lives Matter-trekkers werd online afgemaakt omdat ze een besmeurd beeld van Leopold II wilde gaan schoonmaken.

“Als een jong meisje zoiets verkeerds doet, mogen we dat benoemen. Maar mensen persoonlijk afkraken via sociale media is niet wat ik en medeactivisten doen. Wij geloven niet in ‘cancel’- maar in accountability culture: we moeten mensen verantwoordelijk stellen voor hun daden, en hun de kans geven om te groeien.”

Wat vindt u van de opkuisactie van zaken die als racistisch worden gezien, van de Congo-boeken van Jef Geeraerts tot een aflevering van FC De Kampioenen?

(denkt na) “Ik ben daar nog niet helemaal uit. Ik vind het vooral afleiding, die discussies. Dat zijn echt niet onze grootste problemen. Ik ben opgegroeid met de serie Friends, ik ken die volledig van buiten. Die humor is heel wit en ik vind veel mopjes allesbehalve grappig, wanneer ze spotten met homoseksuele of dikke mensen. Dat is hoe mainstreammedia naar de wereld keken, en natuurlijk heeft dat een impact op al wie daarmee is opgegroeid. Maar ik vind niet dat Friends daarom gecanceld moet worden, nee.”

Ingabire, geboren een jaar na het einde van de Rwandese genocide, was net geen vijf toen ze in 2000 door haar familie naar een tante in Brussel werd gestuurd. “Ik heb vooral de slechte dingen onthouden: dat ik een vreemde taal moest leren, dat ik gepest werd, dat ik nachtmerries had over een vrouw die mijn moeder was.”

Door haar tante werd ze op internaat gestuurd, op haar negende verhuisde het gezin van Brussel naar Ninove. ‘Vluchteling’ stond er op haar identiteitskaart, tot haar achttiende had ze geen nationaliteit. Haar moeder was al die jaren vermist, pas sinds twee jaar heeft ze een plek in Sabrines leven. Een ingewikkeld verhaal, zegt ze. “Mijn familie praat niet graag over vroeger, dus ik heb weinig antwoorden.”

Als tiener was ze vaak boos en angstig, vertelt ze.

“Ik ben lange tijd heel kwaad geweest op mijn tante, maar ook voor haar was het een aanpassing: ze was nog niet zo lang in België, moest keihard werken, en opeens kreeg ze er de zorg over een nichtje bij. Eigenlijk heeft ze het heel goed gedaan, zie ik nu.”

In de lagere school was Ingabire de primus van de klas, later studeerde ze zonder veel moeite Grieks-Latijn. Maar thuis ging het steeds moeilijker. “Ik vond het vooral lastig om Brussel te verlaten en te aarden in Ninove. Toen is mijn depressie begonnen. De relatie met mijn tante en vooral mijn oom was moeilijk. Hij was heel patriarchaal en ik was een meisje, en heel uitgesproken.”

Bent u altijd zo mondig geweest?

“Ik ben altijd heel rebels geweest, ja. In Rwanda werd me gezegd dat meisjes niet in bomen mochten klimmen, dus ik dacht: fuck you, ik wel. Op een dag ben ik uit een boom gevallen en heb ik mijn voet gebroken. (lacht) Maar ik had het toch gedaan.”

U zegt dat u na de verhuizing naar Ninove depressief werd. Hoe wist u dat als kind?

“Ik zag dat heel helder toen. Ik zat heel vaak alleen op mijn kamer, en stopte met regelmatig te eten. Sinds mijn tiende worstel ik met suïcidale neigingen. Toen ik twaalf was, wilde ik mezelf uithongeren. Ik heb dat toen vijf dagen volgehouden, tot een internetvriend me overtuigde om toch iets te eten. Achteraf was ik heel boos dat ik het had opgegeven.”

Hebt u toen hulp gezocht?

“Ik heb dat geprobeerd, maar mijn familie gelooft niet in psychologen of psychiaters. In de zwarte gemeenschap zijn mentale problemen sowieso een groot taboe. Weet je: mijn tante is helemaal alleen naar hier gekomen, heeft alles zelf moeten uitzoeken, heeft gewerkt en gestudeerd en haar familie geholpen. En dan heb je een meisje als ik in huis, dat de kans krijgt om hier op te groeien, naar school mag gaan en zelfs een eigen kamer heeft. En zij komt zeggen dat ze depressief is? Zij vonden me ondankbaar en aanstellerig. Nu kunnen we daar al beter over praten, maar toen ik twaalf was, zei mijn tante: als je echt dood wilde, waarom leef je dan nog? Hun manier om met trauma om te gaan, is ontkenning en humor. Maar dat begreep ik later pas.”

Sabrine Ingabire. ‘Het is niet aan mij om jullie steeds op jullie gemak te stellen. Je zult fouten maken, mensen als ik zullen je daar op aanspreken en je zult dat moeten slikken.'Beeld Bob Van Mol

In vergelijking met de genocide in Rwanda vervalt alle leed in het niets; speelt dat mee in uw familie?

“Zeker, ik zeg dat vaak tegen mijn oma: alle Rwandezen zouden in therapie moeten. Er is veel collectief trauma en dat verdriet wordt ook aan de volgende generatie onbewust doorgegeven. Mijn tante heeft een van de ergste gebeurtenissen ooit overleefd, en ze heeft nog veel familie daar. Om te overleven kan ze bijna niet anders dan alle pijn uitschakelen.

“Ik ben er zelf ook nog niet klaar voor, om naar Rwanda te reizen. Ik ben sinds mijn vijf jaar nooit teruggekeerd, en ik weet dat het heftig zal zijn. Ik wil alleen gaan als ik een reisgezel heb bij wie ik me helemaal geborgen voel.”

U schreef dat u genetisch voorbestemd was om depressief te zijn.

“Damn, de dingen die ik schrijf. (lacht) Mijn moeder was zwanger van mij tijdens zo’n woelige periode in Rwanda, dat heeft ongetwijfeld impact gehad op de foetus. Ik ben ook lang razend geweest op haar, wie zet er in zulke omstandigheden een kind op de wereld? Nu begrijp ik dat een baby in oorlogstijd ook een teken van hoop is.”

U hebt net een bijdrage geleverd aan het boek Being Imposed Upon. Daarin beschrijft u interfamiliale trauma’s waarmee veel jonge, zwarte vrouwen kampen.

“Wij hebben een zee van traumatiserende gebeurtenissen meegemaakt die verklaren waarom generaties zwarte mensen zoveel pijn lijden: van de kolonisatie tot de wandaden die vandaag nog in westerse landen tegen ons plaatsvinden. Die wonden helen niet en worden steeds weer overgedragen op de kinderen. Dat zie je heel goed bij mijn tante: ze is de sterkste, liefste en meest zorgzame vrouw die ik ken, maar door haar eigen trauma kon ze geen empathie opbrengen voor mijn depressie. Die dingen worden bij ons nooit benoemd: wij leren doorgaan, vechten, niet moeilijk doen, dankbaar zijn. Maar je kunt dankbaar zijn én zeggen: ik heb veel pijn. Net zoals je trots kunt zijn dat je Belg bent én zeggen: dit land klopt niet.”

Hebt u een relatie? Droomt u van een gezin?

“Ik ben op dit moment bewust en gelukkig single, en ik wil ooit heel graag kinderen. Als zwarte vrouw date ik niet met witte mannen. Zo vallen veel mannen af, natuurlijk.”

Niet met witte mannen daten, is dat een principiële keuze?

“Ja, witte mannen zijn erg vermoeiend hoor. De dingen die ik al te horen kreeg: ‘Jij bent mooi want je neus is niet zo dik als bij andere zwarte vrouwen.’ Zo heb ik tal van verhalen. Voor alle duidelijkheid: ik keur gemengde relaties niet af. Date met wie je wilt. Trouwens, sommige zwarte mannen zijn ook seksistisch, of willen enkel een witte vrouw omdat ze zwarte vrouwen ‘moeilijk’ en ‘hard’ vinden. Niet willen daten met bepaalde bevolkingsgroepen omwille van racistische overtuigingen, dat keur ik af.”

Scheert u zelf niet alle witte mannen over één kam?

“Ja, jammer. (lacht) Ik wil bij iemand thuis kunnen komen en me veilig en begrepen voelen. Iemand aan wie ik racisme en seksisme niet moet uitleggen. Ik weet uit ervaring dat dat bij een witte man niet zal lukken, hoe lief en betrokken hij ook is. Hij behoort nu eenmaal tot de groep met de meeste privileges. Bij deze: sorry aan de witte lezers.” (lacht)

We willen het tot slot nog één keer hebben over het veelbesproken essay (Witte journalisten, zwarte schrijvers, te lezen op de website Dipsaus) waarin Ingabire schreef dat zwarte mensen beter door zwarte mensen worden geïnterviewd. Aanleiding voor het artikel was een concreet incident: de zwarte schrijfster Reni Eddo-Lodge, auteur van het boek Waarom ik niet meer met witte mensen over racisme praat, was opgestapt uit een interview met de Volkskrant omdat ze van de – witte, mannelijke – journalist vragen voorgelegd kreeg die ze “excruciating” – ondraaglijk – vond. Ingabire verdedigde Eddo-Lodge, en schreef: ‘Al onze grootste kranten, tevens ook witte kranten, zitten vol onwetende witte mannen die de macht hebben zichzelf belangrijke opdrachten toe te eigenen die aan conscious zwarte mensen toebehoren.” Een journalist van Trouw verweet haar te dromen van een ‘gesegregeerde hel’. Ook bij collega’s op haar eigen redactie van NRC kwamen haar woorden hard aan.

“Het is gewoon een vaststelling, dat veel zwarte mensen zich onveilig voelen bij een witte interviewer, door vele negatieve ervaringen met de media. Ik heb de Britse rapper Stormzy geïnterviewd. Het werd een ontzettend mooi, lang gesprek en op het einde heeft hij me geknuffeld en bedankt, omdat het het beste interview van de hele dag was. Ik krijg zo vaak felicitaties van mensen van kleur. Dan klopt er iets niet, zo’n goede journalist ben ik echt niet. (lacht) Waarom zijn deze mensen zo wantrouwig tegenover de pers? Waarom zijn ze zo bang om verkeerd begrepen te worden?”

Een interview moet toch niet per se ‘veilig’ zijn? Er bestaat ook zoiets als journalistieke afstand, of kritische vragen.

“Tussen twee zwarte mensen kan evenveel afstand en objectiviteit bestaan als tussen twee witte mensen. Maar neutraliteit bestaat niet. Veel mensen hebben mijn oproep geïnterpreteerd als een verbod voor witte journalisten om over zwarte mensen te schrijven, maar die macht heb ik helemaal niet. Ik zeg maar wat ik observeer en wat ik daarover denk.”

U weet toch dat zo’n tekst provocerend is?

“Dat is niet mijn doel. Ik word niet wakker met het idee: ‘Wat zal ik vandaag eens schrijven zodat ik nog meer verkrachtingsdreigementen van boze witte mannen in mijn mailbox krijg.’ Ik schrijf over problemen die ik wil aankaarten, voor zwarte meisjes die mijn artikels lezen en denken: ‘O, dat voel ik ook.’ Maar die controverse raakt me natuurlijk wel. Ik heb wekenlang niet kunnen werken, ik had na die heisa een zware mentale breakdown door spanningen op de werkvloer. Maar ik kan niet om met onrecht, en ik zal niet zwijgen. Dat is weer het meisje dat in de boom klimt.”

En er weer uitdondert.

(lacht) “Klopt. Ik weet perfect wat ik zou moeten doen om een makkelijker leven te hebben. Ik weet hoe te praten met witte mensen, hoe ik vriendelijk en geliefd moet zijn, waarover ik mijn mond moet houden, welke grapjes ik moet maken. Je raakt als zwarte vrouw niet waar ik nu ben als je dat spel niet onder de knie hebt. Maar als zwarte vrouw moet ik een keuze maken: mij uitspreken en veel vrienden en steun verliezen, of stil blijven. Maar dat laatste is geen optie voor mij.”

Wie met vragen zit over zelfdoding kan terecht bij de Zelfmoordlijn (1813) en op zelfmoord1813.be

Sabrine Ingabire. ‘Ik zie dat veel van mijn zwarte activis­tische vrienden uitgeput zijn. We hebben een soort collectieve burn-out.’ Beeld Bob Van Mol
Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234