Vrijdag 02/12/2022

InterviewRenaat Schotte

‘Het is jammer dat we commentaar moeten leveren vanuit Brussel. Alleen als José elk bultje gevoeld en elke bocht gezien heeft, kan hij een wedstrijd perfect lezen’

null Beeld Geert Van de Velde
Beeld Geert Van de Velde

Een koerscommissaris hangt lui uit het dakraam van de volgwagen. Hij ziet schilderijtjes op een fiets. Dijen die duwen, kuiten waar de aders aan lijken te willen ontsnappen. De gele trui is een edelman op wielen, de schouders onbewogen, de tongpunt schuchter tussen de lippen. Een stem slaat over op de wedstrijdradio: chute à l’arrière du peloton! Parijs is nog ver, mompelt een ploegleider, en uit de vlakke intonatie valt niet op te maken of dat een hoopvolle dan wel een terneerdrukkende gedachte is. Ja, de Ronde van Frankrijk is weer uitgereden. Op de VRT komen de woorden bij de wattages dit jaar van Renaat Schotte (54), die drie weken lang José De Cauwer tot zijn wettige echtgenoot mag rekenen.

Jeroen Maris

Renaat!

Renaat Schotte: “Ik hoop uiteraard dat Tadej Pogacar met veel bevlogenheid het vuur aan de schenen gelegd wordt. Anders dreigt het, zoals dat wel vaker het geval is in de Ronde van Frankrijk, een saaie boel te worden. Twee jaar geleden was het nog een verrassing, de manier waarop Pogacar toesloeg. Nu kijken we heel anders naar hem: hij heeft een aura van onoverwinnelijkheid gekregen. Hij is iemand die met een spelletje schaar-steen-papier – zoals onlangs in koninginnenrit van de Ronde van Slovenië, met zijn ploegmaat Rafal Majka – beslist over de zege.

“Nu, ik wil toch een bescheiden vraagtekentje zetten bij dat soevereine overwicht. Want Primoz Roglic heeft de afgelopen jaren vooral pech gekend, hè? Het recentste echte man-tegen-mangevecht met Pogacar dateert al van 2020.

“Voorts is het vooral hopen dat INEOS Grenadiers, met Adam Yates, Daniel Martínez en Geraint Thomas, krachtig genoeg is om de boel te doen ontploffen. Er zijn heus wel ploegen die voldoende gewapend zijn om Pogacar in het verlies te rijden, maar dan moeten ze wel risico’s nemen. En dat durven ze niet altijd. Soms zijn ploegen tevreden met de tweede of de derde plaats, omdat die publicitair óók interessant zijn. Dan krijg je dat typische verlammende verloop van een Ronde van Frankrijk, waarin de eerste achter de tweede rijdt, de tweede achter de derde, de derde achter de vierde – enzovoort. Bij de start van elke Tour hoop ik dat het dat niet wordt. Dat we eerder het verloop krijgen van de Giro of Vuelta, die vaak veel onvoorspelbaarder zijn. De Ronde van Frankrijk is op dat vlak het slachtoffer van het eigen succes geworden: de Tour is zó groot, zó belangrijk en zó allesbepalend dat rekenwerk het vaak haalt van de hang naar spektakel. Dat krijg je nu eenmaal als ploegen tot 80 procent van hun jaarlijkse publiciteit uit die drie weken puren.

“Er is ook goed nieuws: het leuke aan deze Tour vind ik dat we voor de start nog geen zicht hadden op de waardeverhoudingen, omdat de kanshebbers op de eindzege allemaal voor een andere voorbereiding hadden gekozen. Er is geen enkele koers geweest waarin iederéén aan de start stond – en dat maakt het nu veel moeilijker om voorspellingen te doen.”

Moet Wout van Aert compromisloos voor de groene trui gaan?

“De selectie van Jumbo-Visma spreekt boekdelen: verrassend weinig klimmers, en vooral jongens die in dienst van Van Aert kunnen rijden. Hij is nog nooit zó goed omringd aan een Ronde van Frankrijk begonnen. Dat maakt hem nog nadrukkelijker de favoriet voor groen.”

Maar Jumbo-Visma moet met Roglic toch in de eerste plaats voor de eindzege gaan?

“Ze hebben Roglic én Jonas Vingegaard. Dat is een luxe, want zo kan de ploegleiding in functie van het vormpeil en het verloop van de Tour kiezen wie ze uitspelen. Toch sluit ik niet uit dat ze bij Jumbo-Visma meer met groen bezig zijn dan met geel. Want die groene trui is heel haalbaar, en je rijft er ook veel publiciteit mee binnen. Misschien wordt dat de strategie: de focus op groen – en op geel als het kán.”

In de Ronde van Zwitserland praatte corona plots weer een luid mondje mee, en Tim Declercq moest passen voor de Tour wegens een besmetting. Zal het virus de loop van de Tour bepalen?

“Zoals ik had verwacht heeft men het strenge coronaprotocol intussen aangepast: bij twee besmettingen moet een ploeg niet langer naar huis. Gelukkig maar, want anders was het niet ondenkbaar dat de Tour Parijs niet zou halen. Ik vind het logisch dat het wielrennen zich schikt naar de maatschappelijke realiteit, waarin het virus niet meer zorgt voor overbevolkte ziekenhuizen. Ook zonder dat protocol zijn wielrenners trouwens heel voorzichtig. Een besmetting met welk virus dan ook voorkomen, dat zit er al jaren ingebakken bij renners. Want zelfs een verkoudheid kan het verschil betekenen tussen de Tour winnen of verliezen. Om maar één voorbeeld te geven: al lang voor corona werden er in het peloton geen handen meer geschud.”

De Chinese muur tussen de klassiekers en de rittenkoersen lijkt gesneuveld. Renners als Mathieu van der Poel, Wout van Aert en Remco Evenepoel mikken op een cocktail van beide.

“Ik vond het heerlijk om te zien hoe Pogacar tekeerging in de Ronde van Vlaanderen. Dat is wat de koers jarenlang gemist heeft: toppers die het hele jaar door aanwezig zijn.

“Je kunt je vragen stellen bij de financiering van UAE Team Emirates (de ploeg wordt gesponsord door de Verenigde Arabische Emiraten, red.), maar in de omkadering van die ploeg zitten veel mensen die koers ademen. Ze begrijpen daar de traditie van de sport, ze kennen de roots. Dat helpt, want ik vermoed dat Pogacar op zijn 12de niet wist wat de Ronde van Vlaanderen was.”

De huidige generatie koerst allesbehalve defensief.

“Ja! Die gasten rijden gewoon graag. Naast profs zijn ze ook koersliefhebbers. Daardoor zit ik met veel meer plezier te kijken dan een poos geleden, toen de steriele scenario’s domineerden. Er is ambiance in de keet! Het wielrennen is weer prettig onvoorspelbaar geworden.”

Vloekt dat niet met een andere vaststelling: dat de haarfijne analyse van wetenschappelijke data de motor is geworden van het wielrennen?

“Vroeger waren coureurs schapen. Legde er eentje een biefstuk in z’n broek, dan deed de volgende dag iedereen dat. Goot Freddy Maertens in de finale van een koers champagne in z’n bidon, dan volgde het hele peloton. Nu kénnen wielrenners hun lichaam, met dank aan die data. En net omdat ze hun eigen marges zo goed kunnen inschatten, durven ze meer. Vroeger was er altijd wel een ploegleider die een renner met zin in een avontuurtje terugfloot. Er was een conservatieve reflex: wat als het zou mislukken? Nu kunnen renners, de cijfers in de hand, zeggen: ‘Kijk, het is wél mogelijk. Mijn lichaam kan dit aan.’”

Er wordt dit jaar ook voor het eerst een volwaardige Ronde van Frankrijk voor vrouwen georganiseerd. Wordt die een succes?

“Dat denk ik wel: de interesse voor het vrouwenwielrennen groeit alleen maar. Het stoort me wel dat die Tour in de markt wordt gezet als de eerste volwaardige. Er wordt dan vlotjes vergeten dat er in de jaren 90 ook al edities voor vrouwen waren. Alleen waren dat geen initiatieven van de ASO, de huidige organisator van de Ronde van Frankrijk, en keken ze daar geweldig neer op die pogingen. Onterecht, in mijn ogen: die Tour voor vrouwen had gewoon moeten blijven bestaan.

“Ik vind het ook jammer dat de vrouwen niet op dezelfde dag als de mannen mogen rijden. Het parcours is de hele dag afgesloten: dat moet toch kunnen? Ik vermoed dat ze bij de ASO te verhangen zijn aan de publiciteitskaravaan die het mannenpeloton voorafgaat. Dat ding is slecht voor het milieu, zorgt voor overlast en levert nauwelijks nog wat op – maar de Tour-organisatie houdt eraan vast.”

Met José De Cauwer (links). Beeld VRT
Met José De Cauwer (links).Beeld VRT

DE GROENE S

Je reist niet mee met de Tour: je geeft commentaar vanuit Brussel. Heeft dat nog altijd met corona te maken?

“De afgelopen twee jaar was de pandemie inderdaad de spelbreker, maar de Tour-organisatie heeft daarvan geprofiteerd om een financieel slagje te slaan: omroepen moeten voortaan flink betalen voor een commentaarcabine aan de streep. Voor de radio is het nog steeds gratis – Christophe Vandegoor is voor Sporza Radio in Frankrijk – maar de tv-stations worden schaamteloos uitgemolken. Zo jagen ze de commentatoren weg: de Scandinavische omroepen sturen niemand meer, de Duitsers en de Nederlanders ook niet. De RTBF gaat wel nog ter plaatse, met een vrachtwagen in de technische zone die evenveel kost als zo’n plek aan de finish, maar wel een studio en montagefaciliteiten heeft. Zij geven vanuit die vrachtwagen commentaar. Ik hoop dat het bij de VRT in de toekomst ook op die manier zal kunnen – in het zog van Vive le vélo, bijvoorbeeld. Op een terugkeer naar de finish reken ik niet meer, op een terugkeer naar Frankrijk hoop ik wél nog.”

Waarom is dat zo belangrijk?

“Heel eenvoudig: als je een koers grondig wilt analyseren, moet je zélf het parcours verkennen. Vooral voor José is dat cruciaal. Als hij elk bultje gevoeld en elke bocht gezien heeft, kan hij een wedstrijd perfect lezen. Je kunt dat niet doen met informatie uit de tweede hand.

“Daarnaast is er ook het contact met het peloton dat wegvalt. In Frankrijk bots je weleens op de entourage van de renners, waardoor je een groter inzicht krijgt in wat er speelt. In Brussel ben je van iedereen afgesneden. Misschien ga ik nu wel verwoed whatsappen met iedereen. (lacht)

Er staan dit jaar dertien uitzendingen van meer dan vier uur op het programma, en zes ritten worden integraal gecoverd. Kijk je daarnaar uit?

“Dat zijn serieuze boterhammen, hè. Nu, ik heb toegezegd om de Tour te becommentariëren omdat ik die koers eens in z’n geheel wilde zien. Dan zou het een beetje ondankbaar zijn om nu te gaan zeuren over die marathonuitzendingen. Of het goed is voor de koers, dat is iets anders. Ik denk van niet, eerlijk gezegd.”

Hoezo?

“In Vlaanderen is er geen probleem: hier nemen we vakantie om een hele dag naar de koers te kijken. Maar in de rest van de wereld hebben mensen geen tijd om een bergetappe van zes uur tot zich te nemen – en willen ze daar ook geen tijd voor maken. Daar zou je de koers eigenlijk moeten trechteren in een format waarin alle spanning in anderhalf uur samengebald zit. Dat zou de belangstelling voor de sport ten goede komen. Over die mondialisering wordt nu al zo lang gepalaverd, maar de koers zit nog altijd in versie 1.0, terwijl andere sporten al in versie 5.3 zitten. In pakweg het voetbal zijn de budgetten geëxplodeerd, in het wielrennen zijn ze klein gebleven.”

Voetbal is macro-economie geworden, en heeft zo de supporter van zich vervreemd. Waarom moet de koers ook absoluut mondialiseren? Wat is er mis met een kleine, charmante, toegankelijke volkssport?

“Het ene hoeft niet ten koste van het andere te gaan. In de NBA, nochtans een miljardenbusiness, lopen journalisten ook nog gewoon mee de kleedkamer in. In het voetbal zou dat ook zo moeten zijn. Want als je afstand creëert tussen atleten en pers, creëer je afstand tussen de sport en het publiek.

“De koers en de renners zelf – ook de vrouwen – zouden beter worden van zo’n mondialisering. Plus: ik ben in mijn carrière het wielrennen al gevolgd tot in Zuid-Amerika, China en Rusland, en ik vind het zo’n verrukkelijke sport dat ik die delen van de aardbol die passie óók toewens. De wereld verdient meer koers!”

Vooralsnog blijft Vlaanderen de bakermat van het wielrennen. Levert dat als Sporza-journalist nog altijd een voordeel op in de contacten met het peloton?

“Ja. Krijgen renners de microfoon met de groene S onder hun neus, dan weten ze: dit is Sporza, daar gaat het om koers. Ze weten dat wij het wielrennen begrijpen, ernstig nemen en belichamen. Wat ook helpt: bij haast elke ploeg zit er in de omkadering een Belg. Al is dat de kok: het is een luxe dat je altijd iemand vindt die je wat achtergrondinformatie kan bezorgen.”

Wees eens onbescheiden: waarom ben jij de geknipte man om de Tour van commentaar te voorzien?

“Goh… (aarzelend) Ik denk dat ik gedetailleerd en inzichtelijk kan vertellen wat er gebeurt. En voor het overige laat ik het oordeel liever aan de kijkers.

“Voor de buitenwereld lijkt het misschien alsof ik aan een nieuw leven begin, maar zelf zie ik dat helemaal niet zo. Ik heb al vijftien keer commentaar gegeven in de Giro, ik ben al vier keer ingevallen in de Tour: voor mij verandert er niet zo spectaculair veel.”

In de afgelopen drie jaar mocht je delen van de Ronde van Frankrijk op de motor volgen. Is dat niet opwindender dan in een hokje aan de Reyerslaan commentaar geven?

“Je zit middenin de actie, dat is waar, maar je ziet wel maar een deel van de koers. Zeker in de Tour: je rijdt met die motor niet zomaar waar je wilt. Het speelveld wordt behoorlijk klein gehouden. Ik ben al 23 keer naar de Ronde van Frankrijk geweest, maar pas nu, bij de 24ste keer, zal ik de koers echt zien. Dat is voor mij doorslaggevend geweest om ja te zeggen op de vraag om het Tour-commentaar van Michel Wuyts over te nemen.

“Op de motor volgen blijft een privilege, natuurlijk, net zoals het interviewen van wielrenners net na de finish een privilege was. Maar commentaar geven is minder slopend. Je hebt dat eeuwige tjolen niet – de files, de hectiek, de stress om elke dag tijdig bij de aankomstplaats te zijn.”

Wout Van Aert (links, in het groen). Beeld Photo News
Wout Van Aert (links, in het groen).Beeld Photo News

IN DE CEL

Waar was jij op 27 juli 1973?

(na lang nadenken) Op de Mont Ventoux, aan Chalet Reynard?”

Correct! Je schreef erover in de proloog van je boek Wielerman: hoe je daar als 5-jarige je vader aanmoedigde, die deelnam aan de wielertoeristentocht Brugge – Mont Ventoux.

“Toen moet mijn liefde voor de Ventoux geboren zijn, want ik heb iets bijzonders met die berg. Vele jaren later heb ik aan Chalet Reynard Thomas De Gendt als ritwinnaar geïnterviewd, en vorig jaar zat ik op de motor toen Wout van Aert zo indrukwekkend uithaalde. Ik hou van die prachtige puist.

“Mijn vader was wielertoerist in een periode waarin dat helemaal niet hip was. Nu rijdt iedereen in lycra de Ventoux op, maar toen werd je nog als weirdo bekeken. (droomt weg) Ik zie de knalgele uitrustingen van het Brugse wielertoeristenclubje van mijn vader nog voor me. En later mocht ik met hem mee naar de koersen in West-Vlaanderen – daar stond hij in voor de finishfoto. Ik was als kind bezeten door wielrennen, door álle sporten eigenlijk, en dat is nooit veranderd. Ik blijf gulzig kijken.”

De jaren hebben de glans niet weggewreven?

“Natuurlijk treedt er een soort gewenning op. Maar toch… Eind mei kwam ik thuis nadat ik vier weken was weggeweest voor de Giro. De volgende dag zag ik dat het Gullegem Koerse was, en ben ik samen met mijn zoon naar daar gereden om den arrivée te zien. En dat heb ik dus niet alleen met wielrennen. Toen ten tijde van de lockdown alle sport werd stopgezet, zat ik via een obscure stream te kijken naar die ene competitie die wél nog bezig was: het olympisch kwalificatietoernooi boksen in Londen.

“Mijn vrouw heeft zich er al lang bij neergelegd: wat ik ook doe, de rode draad zal altijd sport zijn. En als ik ooit met pensioen ga, zal ik die tijd waarschijnlijk gebruiken om nóg meer te kijken. (lacht)

Betekent dat dat de Olympische Spelen voor jou het summum zijn?

“Absoluut. Ze zijn het hoogste, het grootste en het mooiste. En in vergelijking met de Spelen is de Tour een kermiskoers. In 2024 organiseert Parijs de Spelen, en allicht moet de aankomst van de Ronde van Frankrijk daarvoor wijken. Dat zegt iets, hè. Ik vind het wel jammer, want zo zou er gebroken worden met de ultieme Tour-traditie: de sprint op de Champs-Elysées. Het zou toch prachtig zijn als de Tour aankomt op de plaats waar vijf dagen later de Olympische Spelen geopend worden? Maar blijkbaar zou het Nice worden.”

Hou je ook nog altijd van voetbal? Je bent altijd supporter geweest van Club Brugge.

“Dat ben ik nog altijd. Maar van mijn liefde voor het voetbal is de glans wél af. Die sport heeft zich simpelweg verwijderd van de eigen kern.”

Is het waar dat jij vroeger bij de East-Side stond, in de jaren 80 en 90 de harde kern van Club?

“Ja, maar puur voor de sfeer – níét voor het geweld. Van dat laatste heb ik een afkeer. In 1986 – ik was 17 – speelden Club en Anderlecht testwedstrijden voor de titel. De heenmatch in Brussel eindigde op 1-1. Na de wedstrijd zat ik samen met die gasten van de East-Side in de Brusselse metro, en ik zag hoe ze die metrostellen in enkele minuten tijd volkomen sloopten. Op het perron van Brussel-Centraal stond de oproerpolitie ons op te wachten: iedereen werd opgepakt, en wie er een beetje als een hooligan uitzag, kreeg een niet zo liefdevolle aai van de matrak. We werden afgevoerd naar het commissariaat, en daar in groep in veel te kleine cellen gestopt. Na 10 minuten dróóp het zweet er van de muren. Ergens halverwege de nacht werd iedereen vrijgelaten. Niet zo’n lumineus idee: die hele opgenaaide bende begon aan een strooptocht door Brussel. (schudt het hoofd) Vreselijk vond ik het.

“Nog los van dat soort toestanden heeft het voetbal z’n ziel verkocht. Ik ga nog altijd naar Club, hoor, maar dan zit ik vooral naar mijn tienerzoon te kijken: hij leeft wel nog met dat grote supporterssentiment. Tegen de VRT heb ik ook altijd gezegd dat ik liever heb dat ze me naar de Ronde van Vlaanderen voor junioren sturen dan naar Club Brugge – Anderlecht. Mijn grote plezier haal ik uit de koers. Daar kijk ik nog altijd met een soort kinderlijke naïviteit naar.”

null Beeld Geert Van de Velde
Beeld Geert Van de Velde

HAZENSLAAPJE

Je begon je carrière in 1993, bij de regionale televisie.

“Klopt: bij WTV-Zuid, in Kuurne. Karl Vannieuwkerke begon in datzelfde jaar bij Focus, in Jabbeke. Dat vonden we wel geestig: de Noord-West-Vlaming zat bij de zuidelijke omroep, en de Zuid-West-Vlaming bij de noordelijke. Na verloop van tijd werden we elk bij onze zender verantwoordelijk voor de sport. Er liep ook een landlijn tussen Kuurne en Jabbeke, en dat was behoorlijk revolutionair in die tijd: we konden beelden uitwisselen zonder dat er videocassettes nodig waren.

“In juni 1995 heb ik met de tranen in de ogen mijn ontslag ingediend bij WTV. Het was mijn eerste werkgever geweest: dat deed me iets. Hadden ze mij destijds een deftige pree gegeven, dan werkte ik er misschien nog altijd. Maar SuperSport was me komen weghalen.”

SuperSport was één van de eerste experimenten met betaaltelevisie in ons land. En het was een gigantische samenscholing van talent.

“O, ja. The sky was the limit. SuperSport was zijn tijd ver vooruit – qua techniek, talent en ideeën. Het abc van mijn vak heb ik dáár geleerd. Ik mocht er van zoveel proeven: van Ledegem-Kemmel-Ledegem voor junioren ging ik naar de Ronde van Spanje en naar het WK in Colombia. Ik maakte er ook tachtig afleveringen van het wielermagazine 53x12. Toen SuperSport sneuvelde en iedereen ontslagen werd, had ik maar één eis: ik moest en zou die tachtig videocassettes mee naar huis krijgen. En dat lukte: ik heb ze nog altijd – intussen zijn ze ook gedigitaliseerd.”

Mark Uytterhoeven, toen ook bij SuperSport, maakte zich in het woord vooraf van je boek vrolijk over een bijzonder talent van je: het hazenslaapje.

“Vooral vroeger was ik daar heel bedreven in: zelfs op de meest drukke plaatsen lukte het me om een snel dutje te doen. Een restant uit mijn jeugd, vermoed ik. Toen ik een jaar of 14 was, nam mijn vader me mee op een motorreis naar Noorwegen, en ik herinner me dat ik toen gewoon achterop de motor sliep.”

Vertel me alsjeblieft dat je dat ooit ook uitgeprobeerd hebt tijdens de Ronde van Vlaanderen of Parijs-Roubaix.

“Neen, dat zijn momenten waarop ik altijd redelijk wakker ben. (lacht) Over Mark Uytterhoeven gesproken: eigenlijk heb ik mijn carrière aan zijn rug te danken. In 1997 gaf Mark commentaar in de Giro toen hij een verschrikkelijke hernia kreeg – hij kon echt niet meer verder. Iedereen keek naar mij, maar ik ging dóód. Faalangst! Enfin, ik ben toen tegen mijn zin op die stoel gaan zitten. José, ook toen de co-commentator, sleurde me door de eerste uitzendingen, en op de vijfde dag klikte het plots allemaal in elkaar. Het was de koninginnenrit, en op basis van de tape van die dag heeft de VRT me later groen licht gegeven om aan de slag te gaan als commentator.”

Je was eerder bij de VRT binnengeraakt met behulp van een opmerkelijke sollicitatievideo.

“Klopt! Ik had Eddy Merckx gevraagd of hij wilde figureren. Ik kende Eddy toen al goed genoeg om hem een speciale gunst te vragen – hij was een trouwe kijker van 53x12. Ik had graag de gezichten van Marc Stassijns en Mark Vanlombeek gezien toen ze in de video van een hen onbekende sportreporter Eddy Merckx zagen zeggen: ‘Heeft u inlichtingen nodig over de vermiste, bel dan naar…’ (lacht)

Dat getuigt van enige durf. Toch zet je jezelf in interviews steevast weg als het prototype van de schuchtere West-Vlaming.

“Dat klopt ook: ik bén schuchter. Maar het is een misverstand dat schuchter ook betekent: stug, conservatief, niet-ondernemend. Neen, het is gewoon een zekere terughoudendheid, iets dat maakt dat ik geen tafelspringer ben.

“Op mijn 12de ging ik op internaat in Gent, bij de jezuïeten. Dat was een grote stap voor de verlegen jongen die ik toen inderdaad was. Van Brugge naar Gent, van de wereld van de koers naar die van notaris- en dokterskinderen… Maar: het was het beste dat me kon overkomen. Het was het duwtje in de rug dat ik nodig had om helemaal te ontbolsteren. Mijn ouders zijn trouwens nooit zuinig geweest met die duwtjes. In de vakantie stuurden ze me vier weken naar Le Cateau-Cambrésis, in het noorden van Frankrijk, waar we familie hadden wonen. Of naar mijn peter in Bordeaux. Dan ging ik met een kennis die camioneur was mee tot in Parijs, en stapte ik daar in m’n eentje in de trein. Ik sprak geen woord Frans, maar net daarom moest ik gaan: zo zou ik de taal leren.»

Dankzij je vak heb je veel van de wereld gezien, maar thuiskomen doe je nog altijd in Brugge.

“Ik ben lang meegereisd met m’n werkgever. Voor WTV verhuisde ik naar Kortrijk, voor SuperSport naar Wolvertem en Leuven, voor de VRT naar Schaarbeek. Ik vond dat logisch: het maakte deel uit van m’n engagement. Op een bepaald moment was het niet langer belangrijk waar ik precies woonde, omdat mijn werk zich altijd op locatie afspeelde, en nog maar zelden in Brussel. Onze zoon was geboren, en mijn vrouw en ik besloten om terug te keren naar Brugge. We zijn er dicht bij onze familie, we hebben de voordelen van de stad maar niet de nadelen van de grootstad… En vooral: Brugge is móói. Ik weet dat er weleens meewarig wordt gedaan over al de toeristen hier, maar ik vind het net een opwindende gedachte dat de hele wereld in mijn thuisstad op bezoek wil komen. En ze hebben gelijk, toch? (wijst naar het stemmige pleintje waar we een glas drinken) Kijk toch: het licht valt hier even mooi als op de Champs-Elysées!”

Sporza: Ronde van Frankrijk, elke dag rond 14.15 op Eén.

© Humo

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234