Zaterdag 05/12/2020

‘Het is een constant gevecht tussen verlegenheid en dadendrang’

Of Van Herreweghe zondagavond zelf voor de buis zal zitten weet hij nog niet. “Ik was eigenlijk van plan om tijdens de uitzending te gaan joggen, gewoon omdat ik vrees dat ik het niet zal aankunnen. We hebben heel hard aan het programma gewerkt. We hebben het gemaakt zoals we dachten dat we het moesten maken, maar er is geen enkel referentiekader om te bepalen of het ook bij het grote publiek in de smaak zal vallen. Dat is heel frustrerend. Al zou het natuurlijk zonde zijn om het moment te missen waarop het programma voor het eerst wordt uitgezonden.” Van Herreweghe heeft dan ook lang genoeg op dat ene magische moment gewacht. Hij kwam voor het eerst op het scherm bij Ketnet, zette een paar zijstappen bij Studio Brussel en leek helemaal klaar voor het grote werk toen hij de overstap naar productiehuis Woestijnvis maakte. Maar verder dan een paar rubriekjes in De laatste show, de titel van Slimste mens ter wereld en een paar vluchtige passages in een reeks andere programma’s kwam hij niet. Tot nu. In De jaren stillekes krijgt Van Herreweghe elke week een gast over de vloer met wie hij grasduint in zijn of haar televisieherinneringen. “Noem het een praatprogramma dat drijft op nostalgie. Die nostalgische inslag zal in eerste instantie misschien vooral een ouder publiek aanspreken. Maar het programma heeft ook het potentieel om jongere mensen aan te spreken, al is het maar omdat die vooral verwonderd zullen zijn over de oude televisiefragmenten die we opgeduikeld hebben. Ik hoop echt dat het voor de verschillende generaties werkt.”

Dat zal ook moeten. De lat voor Woestijnvisprogramma’s op zondagavond ligt immers hoog.

“Ik wil me niet meten met mijn voorgangers op zondagavond. Bij die legendarische zondagavondprogramma’s lag de spektakelwaarde veel hoger. In De jaren stillekes zitten best wel wat grappige filmpjes, maar ik ga me niet als kanonsbal laten afschieten en ik ben ook niet van plan om de luchthaven van Zaventem binnen te dringen. En zelfs die legendarische programma’s zijn vaak klein begonnen. De eerste aflevering van De XII werken van Vanoudenhoven scoorde ook niet zo goed, maar dat programma is uitzending na uitzending enorm gegroeid. “Als televisiekijker vind ik het trouwens fantastisch om een programma op te pikken dat ik niet ken en dan te merken dat het fantastisch is. Ik ontdek graag dingen. Al wordt dat tegenwoordig steeds moeilijker. De aandacht van de pers voor wat er op televisie te zien is, is exponentieel gegroeid. Natuurlijk is het leuk dat er op voorhand over De jaren stillekes geschreven wordt, maar tegelijk is het een vloek. Zo’n programma wordt plots opgeblazen tot iets wat het niet is.”

Een zondagavondprogramma dat een miljoen kijkers moet weten te boeien, bijvoorbeeld?

“Het is absurd om te denken dat zondag een miljoen mensen naar mijn programma zullen kijken. Ik zal al lang blij zijn als het er 600.000 zijn. Ik begin trouwens nu pas te beseffen dat er ook effectief mensen naar het programma zullen kijken. Een programma maak je niet met kijkcijfers in het achterhoofd. Een programma maak je omdat het een leuk idee is, dat ergens voor staat. Ik ben heel benieuwd naar wie er zondag kijkt en vooral naar wat ze ervan vinden, maar het heeft geen zin om daarvan wakker te liggen.”

Zorgt het feit dat dit je eerste grote programma is voor extra druk?

“Ik hoor en lees nu overal dat dit het langverwachte programma van Steven Van Herreweghe is, maar zelf heb ik dat gevoel helemaal niet. Er zit geen ingenieuze strategie achter de timing en ik heb ook geen vijf jaar aan dit programma gewerkt. Ik heb gewoon het juiste moment afgewacht. Toen ik hier een aantal jaar geleden binnenstapte, had ik inderdaad al wat dingen op radio en televisie gedaan. Er werden me toen vanuit verschillende hoeken programma’s aangeboden, maar dat waren niet echt dingen waarin ik mezelf zag functioneren. De enige programma’s die ik wou presenteren waren de dingen die ik zelf bedacht, maar op dat moment was ik te jong en onervaren om die tot een goed einde te brengen. Ik wou eerst wat groeien in de omgeving van ervaren mensen, en dus is van bij het begin de afspraak gemaakt dat ik achter de schermen zou werken. Ik ben hier dus niet gearriveerd met het idee ‘er moet en er zal een Van Herrewegheprogramma komen’. De deur is wel altijd blijven openstaan. Wanneer ik een idee had, kreeg ik altijd de vrijheid om dat verder uit te werken.”

Een van die ideeën was een humoristische fictieserie waarin je zelf ook zou acteren. Waarom is dat niet doorgegaan?

“We hebben in eerste instantie één pilootaflevering van die serie gedraaid. Die werd zowel door Eén als door Woestijnvis heel goed ontvangen en ik kreeg de tijd om aan meer scenario’s te werken. Maar ik voelde meteen dat ik daar absoluut niet klaar voor was. Ik was toen 27 en ik miste gewoon de ervaring om een scenario te schrijven dat niet alleen van begin tot einde heel grappig was, maar dat ook nog eens een spanningsboog bezat. “Het idee ligt hier wel nog altijd in de schuif. Om de zes maanden wordt de pilootaflevering nog eens bekeken en dan is de reactie altijd: ‘Dit is echt wel goed, we moeten daar iets mee doen.’ Meteen na zo’n visie krijg ik altijd zin om er opnieuw aan te beginnen, maar zo’n fictieproject is nu gewoon nog te hoog gegrepen.”

Sla je niet aan het twijfelen wanneer het vijf jaar duurt voor je een eigen programma op poten kunt zetten?

“Dat gevoel van twijfel is een constante wanneer je iets aan het maken bent. Twijfel is trouwens essentieel wanneer je tot iets goeds wilt komen. Natuurlijk is het niet leuk wanneer je halverwege een fictieproject beseft dat je er niet klaar voor bent. Op zo’n moment kun je je laten meeslepen door die teleurstelling, maar mij heeft het net gestimuleerd om op zoek te gaan naar een project dat veel meer in de lijn van mijn mogelijkheden ligt. In die zin kijk ik daar met een positief gevoel op terug. Ik heb het gevoel dat die teleurstelling me in de juiste richting heeft geduwd, al moet dat natuurlijk zondagavond nog blijken.”

Toen je bij Woestijnvis aankwam, was je 26 en stond je aan het begin van een veelbelovende televisiecarrière. En dan beslis je om even van het scherm te verdwijnen. Waarom in godsnaam?

“Ik heb altijd een doel voor ogen gehad: televisie maken en daar goed in zijn. Gelukkig werd ik door verstandige mensen omringd toen ik bij Ketnet begon. Die hebben me altijd gewaarschuwd voor de vluchtigheid van het medium. Ze hebben me op het hart gedrukt dat ik de tijd moest nemen om te groeien. Een raad die ik altijd au sérieux genomen heb, ook omdat ik televisiemaken echt koester. Dit is wat ik wil doen en wat ik hoop nog heel lang te mogen doen. Wie een lange carrière wil, moet de juiste keuzes maken. Ik heb al veel meer aanbiedingen afgewezen dan ik er heb aangenomen.”

Als televisie zo’n vluchtig medium is, komt het er dan niet net op aan om geregeld je gezicht te laten zien, zodat de mensen je niet vergeten? Dook je daarom op in De laatste show, De tabel van Mendelejev en De slimste mens ter wereld?

“Daar zat zeker geen bewuste strategie achter. Ik was natuurlijk blij dat ze me vroegen voor De slimste mens, maar dat was geen onderdeel van een of ander ingenieus plan. Ik heb ook echt geen schrik om niet op tv te komen. Ik vind het juist goed dat mensen die dingen maken een soort exclusiviteit bewaren. Het is toch geweldig wanneer een band drie jaar wacht om een nieuwe plaat uit te brengen? Dan hunker je echt naar nieuwe nummers. Mijn grote televisiehelden zijn niet toevallig ook mensen die heel lang van het scherm wegblijven om noestig verder te werken tot ze iets nieuws klaar hebben.”

Hebben we het dan over Mark Uytterhoeven?

“Hij is absoluut de figuur die het heilige vuur bij me aangewakkerd heeft. Dat hij met programma’s als Morgen maandag of Het huis van wantrouwen de straten letterlijk kon laten leeglopen, vond ik ongelooflijk. Voor mij vormden die programma’s het ultieme bewijs dat mensen goed gevonden onzin wel degelijk kunnen smaken. (lacht)”

Komt hij langs in je programma?

“Omdat ik ervan uitga dat hij toch op alles neen zegt, heb ik hem niet gevraagd. Ik weet ook niet of ik het hem zou durven te vragen. Het respect voor Mark is net iets te groot. Het zou zijn alsof ik met Sinterklaas aan tafel zou gaan zitten om hem naar zijn trucs te vragen. (lacht) Misschien dat ik hem in seizoen zeven wel eens bel, maar dan wordt mijn programma waarschijnlijk al lang door Jacky Lafon gepresenteerd. (lacht) Mark is trouwens niet de enige voor wie ik bewondering heb. Ook van Jan Eelen en Michel Vanhove heb ik enorm veel opgestoken. Die laatste is als regisseur al een stuk in de veertig, maar hij blijft het wel opbrengen om bij het begin van elk project van nul te beginnen en zichzelf heel kwetsbaar op te stellen. Dat is trouwens de enige juiste manier om televisie te maken. Michel heeft me geleerd om nooit content te zijn. Soms is dat heel frustrerend en bij momenten vervloek ik hem daarvoor, maar hij heeft wel gelijk. Werken met dat soort mensen is een immens cadeau. Ik ben van nature heel lui en soms heb ik eens een ferme stamp onder mijn gat nodig. Bij Woestijnvis is er altijd wel iemand in de buurt die daarvoor kan zorgen. (lacht) Hier is nooit iemand content. Tijdens het werken is dat heel frustrerend, maar aan het einde van de rit is dat heel bevredigend.”

Je weet natuurlijk dat de lat hier heel hoog ligt. Is de zin je nooit bekropen om bij een ander productiehuis een makkelijk quizje te gaan doen?

“(lacht) Op geen enkel moment. Natuurlijk is het hier soms moeilijk werken, maar dat levert dan ook een goed programma op. En dat is wat ik belangrijk vind. Je moet in het leven kunnen terugkijken met een tevreden gevoel. Niet dat ik graag omkijk, maar als ik dat dan al eens doe, wil ik trots kunnen zijn op wat ik tot nu gedaan heb. Ik had inderdaad een comfortabeler leven kunnen leiden. Misschien kon ik al lang drie huizen en een zwembad op wielen hebben gekocht, (lacht) maar dat is naast de kwestie. Ik leef om goede programma’s te maken, niet om veel geld te verdienen. Ik ben een televisiemens, ik heb altijd alleen maar van televisie gedroomd.”

Waar komt die onvoorwaardelijke liefde vandaan?

“Als kind ging ik geregeld mee met mijn vader, die regisseur was bij een amateurtoneelgezelschap. Tijdens die voorstellingen was ik vooral onder de indruk van het moment waarop het licht in de zaal uitging. Meteen daarna schoof het doek open, ging het licht op scène aan en ineens zat je in compleet andere wereld die er vijf minuten eerder nog niet was. Ik vond het ook fascinerend om te zien hoe zo’n verhaal mensen kon meeslepen en aan het lachen brengen. Heel vaak waren het deurenkomedies met van die vaudevilleachtige toestanden waarbij drie mannen uit een kast vallen en er ook nog een postbode onder het bed ligt. (lacht) Ik vond dat geniaal. Waarschijnlijk is het daar begonnen. Ik wou dat soort dingen ook doen; mensen aan het lachen brengen met flauwe slapsticksituaties. Maar omdat ik extreem verlegen was, durfde ik het niet aan om de onzin die ik grappig vond rechtstreeks aan een publiek te tonen. En dus maakte ik er een videotape van die ik daarna in de handen van mijn ouders stopte. Ook later, toen ik op de kunsthumaniora zat, bleef ik filmpjes draaien en van televisie dromen. Maar er bestond toen geen opleiding televisie en dus ben ik filmregie gaan studeren aan Sint-Lukas. Gewoon omdat dat de enige school was waar er al in het eerste jaar praktijk op het programma stond. Maar die opleiding was natuurlijk heel erg op film gericht, waardoor ik me er nooit volledig op mijn plaats voelde. Ik had niet de brandende ambitie om filmregisseur te worden. Gelukkig kon ik tijdens mijn studies al bij Ketnet werken. Dat compenseerde een beetje.”

Ben je er ooit afgestudeerd?

“Neen, het laatste jaar heb ik niet afgemaakt. Ik werkte toen al twee jaar bij Ketnet en ik kreeg steeds meer het gevoel dat ik daar meer leerde dan op Sint-Lukas. De keuze was toen snel gemaakt en ik heb er tot op vandaag nog geen moment spijt van gehad. In dat laatste jaar op Sint-Lukas draait alles trouwens toch om de kortfilm die je moet draaien als afstudeerproject. Het leek me beter om me volledig op mijn werk bij Ketnet te richten dan een jaar te verspillen aan een kortfilm waarmee ik later toch niets meer zou aanvangen. De keuze voor Sint-Lukas was misschien niet de meest ideale, maar toen ik 18 was, waren mijn ambities ook niet echt duidelijk. Ik deed graag van alles en niks. Ik maakte graag filmpjes, ik deed graag onnozel, maar op een bepaald moment word je verplicht om te studeren en moet je wel een keuze maken. En dan is het heel moeilijk dat wat je graag doet of waar je denkt goed in te zijn in een studierichting te gieten.”

Was acteren geen optie?

“Ik stond heel graag op de planken. Dat was trouwens de reden waarom ik op mijn dertiende vanuit Aalst per se naar de kunsthumaniora in Brussel wou. Voor mij was dat een evidentie, ik moest dat gewoon doen. Mijn ouders zijn me daarin gevolgd, iets waar ik hen zeer dankbaar voor ben, zeker omdat ik nu besef dat dit zeker niet evident was. Helaas was de opleiding daar een tegenvaller. Mijn liefde voor theater werd er niet aangewakkerd, integendeel zelfs, ik kreeg er een degout van. Tijdens de lessen dramatische expressie zei de leraar dan: ‘Steven, breng deze tekst en vertel daarna over je emoties.’ Maar ik was iemand die graag naar André Van Duin keek, (lacht) ik wist echt niet wat ik met die opdrachten aan moest. Ik heb toen vaak gedacht dat ik daar op de verkeerde plaats zat. Dat er after all toch geen acteur in me zat. Gelukkig ben ik toen toevallig bij het Bronkstheater terechtgekomen. Zij hielden een auditie en omdat wie daaraan deelnam een aantal lessen mocht laten vallen waagde ik ook mijn kans. Hoewel ik hoegenaamd geen ambitie had, kreeg ik toch een rol en kwam ik bij regisseur Paul Peyskens terecht. Die heeft bij mij de mist doen optrekken. Hij heeft me laten zien waar het bij theater om draait. De stukken die we speelden, herwerkte hij op onze maat en zo slaagde hij erin om theater opnieuw tastbaar te maken. Vier jaar lang ben ik met die hele Bronksbende in een busje door België en Nederland getrokken. Pure rock-’n-roll. Daar heb ik mijn goesting om op de planken te staan teruggevonden.”

Waarom stapte je na die vier jaar dan niet naar Studio Herman Teirlinck?

“Ik had ondertussen mensen als Adriaan Van den Hoof en Dimitri Leue leren kennen. Dat waren voor mij mensen die iets konden. Dat waren echte acteurs en ik hoorde niet in dat rijtje thuis. Ik was gewoon Steven. Bovendien was ik veel te verlegen om ingangsexamen te doen.”

Speelt die verlegenheid je nu nog parten?

“Het is een constant gevecht tussen mijn verlegenheid en mijn drang om dingen te doen. Bij brainstormsessies bijvoorbeeld heeft het heel lang geduurd voor ik mijn mond durfde open te doen. Net omdat de dingen die door mijn hoofd spoken werkelijk zeer onnozel zijn. Voor mij zijn die dingen tof, maar ik vind het misplaatst om te denken dat iedereen die dingen grappig vindt. Wanneer we in de beschermde omgeving van de redactie aan een aflevering van De jaren stillekes werken, kent de onnozelheid geen grenzen. Op zo’n moment kan alles. Maar als we die scènes dan ook effectief opnemen of als ze aan een publiek worden getoond, dan is het telkens weer sterven. Dan denk ik: gast, wie denk je wel dat je bent om die onzin aan mensen te laten zien?”

Hoe moeilijk is het dan om voor een livepubliek te presenteren?

“Dat gaat verbazend goed. Wanneer ik die studio binnenwandel, gaat alles plots vanzelf. Ik denk dat het een vorm van fatalisme is. Op die momenten denk ik: ‘Als het slecht is, dan is dat maar zo, maar ik smijt me gewoon.’ Die gedachte geeft me rust.”

Heeft het ontbreken van een specifieke televisieopleiding meegespeeld in je keuze om een paar jaar achter de schermen bij Woestijnvis te gaan werken?

“Neen, voor het soort werk dat ik doe, bestaat geen opleiding. Het is een constant proces. Door De jaren stillekes heb ik gigantisch veel bijgeleerd. Kennis die ik dan misschien weer in een volgend project kan gebruiken. En zo vormen elk project en elke stap die je zet een stapje dichter bij de perfectie. Ik heb bij Woestijnvis aan heel veel verschillende programma’s kunnen meewerken. Op de redactie van Man bijt hond heb ik al doende geleerd hoe je human interest maakt. Ik heb een jaar aan De pappenheimers gewerkt, zodat ik nu weet hoe je een goede kwis maakt en wanneer De jaren stillekes erop zit, zal ik weten wat het is om een talkshow te maken. Zolang ik dingen kan bijleren, ben ik gelukkig. Dat houdt me scherp. In die zin is mijn hele leven een soort leerschool.”

Is een tweede seizoen van De jaren stillekes dan nog wel leerrijk genoeg?

“Begrijp me niet verkeerd. Het zou heel pretentieus zijn om te zeggen dat ik nu weet wat het is om een talkshow te maken. Laat ons het erop houden dat ik nu stilaan begin te snappen hoe je een degelijke aflevering van De jaren stillekes in elkaar knutselt. Wat mij betreft, is een talkshow een van de mooiste dingen die je op televisie kunt doen. Maar tegelijk is het ook een van de moeilijkste. Veel mensen hebben daar een romantisch beeld van. Het was echt een schok om te merken hoe complex het is om een eenvoudig gesprek te voeren dat bovendien ergens over gaat. Maar net daarom doe ik het ook graag. Het is, om een klef woord te gebruiken, een uitdaging om iets wat heel complex is toch makkelijk en eenvoudig te laten lijken.”

Wat als De jaren stillekes de verwachtingen niet inlost? Zou je ermee kunnen leven om daarna niet meer op het scherm te komen?

“Ik denk het wel. Ik ben nu toch ook vijf jaar niet op het scherm geweest. Ik weet ook nog helemaal niet wat er nu komt, maar daar maak ik me weinig zorgen over. Ik ben ervan overtuigd dat als ik een goed idee heb en er hard aan werk dat er dan altijd wel een moment zal zijn waarop ik dat idee kwijt zal kunnen. Ik lig niet wakker van het feit dat ik niet meer in de aandacht zou staan. Dat is gelukkig geen motor om dingen te doen. Mijn enige drijfveer is dingen maken. Verliefd worden op een idee en er dan alles aan doen om dat idee zo goed mogelijk uit te werken. Dat is waarom ik het doe. Ik kan alleen hopen dat ik in de toekomst nog heel vaak verliefd mag worden.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234