Donderdag 17/10/2019

Reportage De laatste zomer van België

‘Het is angstaanjagend om te zien hoe snel Nederland erop vooruitgaat, terwijl België steeds dieper wegzakt’

Stamgasten in het Palais de la Bière, aan de Place Maugrétout. Beeld Tim Dirven

Toen rook en roet nog vooruitgang betekenden, gonsde het er van de bedrijvigheid en stikte het er van de Vlamingen. Nu heerst er rond Stade Triffet in La Louvière een haast doodse stilte. Op zoek naar het geheugen en de trots van de streek.

Van alle plekken waar België ooit waarachtig bestaan heeft, is Stade Triffet een van de meest onbekende. En bijzondere. Het is een lost ground, een verlaten voetbalveld waar het gras hoog opschiet rond verroeste doelpalen en de tribunes overgenomen zijn door onkruid, braamstruiken en opschietende berkenboompjes. Aan de oostzijde van het terrein grenst de Avenue des Cyclistes, een rij tegen elkaar aanleunende huisjes die boven de gradins uitsteekt. Dichter bij een arbeidersstraat in Noord-Engeland kom je niet in België.

Ooit was dit het theatre of dreams van de zeer talrijke Vlaamse gemeenschap in La Louvière. Hier speelden de Wolven, de voetbalclub van La Louvière, met een hoofdzakelijk Vlaamse ploeg. Rond het veld lag een betonnen velodroom waar de eerste generatie flandriens, zoals Cyriel Van Hauwaert, kwam rijden. Het waren dezelfde pistiers die ook sier maakten op de wielerbanen van Chicago en New York. De tribunes zaten afgeladen vol met fanatieke supporters afkomstig uit alle hoeken van vooral Oost- en West-Vlaanderen. Toen al kwam het regelmatig tot een handgemeen in de straten rond het stadion. Het oproer was soms te horen tot in het verre Houdeng.

Zelden leek België zo verscheurd als na de laatste verkiezingen. Beleven we de laatste zomer van het land? Pascal Verbeken keert voor de gelegenheid terug naar de bijzonderste haltes in zijn België-boeken. Wat is daar de voorbije jaren veranderd? Hoe kijkt men er naar de toekomst? Een zoektocht naar wat België was, is en had kunnen zijn. In aflevering 2: La Louvière

Vanmiddag is het stil in het stadion. Er komt alleen wat dof gerommel uit de Russische staal­fabriek Novolipetsk Steel achter Triffet, de fabrieksterreinen die hier nog altijd onder hun oude naam Usines Gustave Boël bekendstaan. De graffiti op de betonplaten langs het stadion spreken Italiaans en Arabisch.

Toen ik hier vijftien jaar geleden voor het eerst kwam, stond er langs de lijn nog een kaal ingerichte voetbalkantine die dienstdeed als buurtcentrum. Aan de wand hingen vergeelde posters van AC Milaan en Marco Pantani. Enkele gepensioneerde Italianen zaten achter een koffie en de Gazzetta dello Sport. Dat gebouwtje is weg, alleen de afdruk van de fundering is nog zichtbaar. Maar de Italianen zijn er nog, zo blijkt. Als we langs een steegje Triffet uitlopen naar de Rue du Hocquet, komt Luigi nieuwsgierig op ons toegestapt. Vreemdelingen die belangstelling tonen voor de buurt, dat gebeurt niet elke dag. Een tachtiger is hij inmiddels, maar nog altijd in het bezit van een montere en jongensachtige kop.

“Toen ik in de jaren 50 in Hocquet kwam, waren bijna alle huizen in de straat bewoond door Vlamingen. Ze zaten overal in de stad, maar deze wijk was hun bastion. Meestal waren het mijnwerkers. Brave, godvruchtige zielen. Onder elkaar spraken ze hun eigen dialecten waarvan ik geen half woord begreep. Zo ging het ook in ons gezin: thuis spreken we Italiaans, erbuiten Frans. Onze dochters zijn perfect tweetalig.

“Zelf kom ik uit de streek van Venetië. Na de Tweede Wereldoorlog reisde ik naar België met een arbeidscontract bij Usines Gustave Boël. De Belgische industrie zocht arbeiders en beloofde een salaris, pensioen, vakantie- en kindergeld. In de Italiaanse dorpen hingen Belgische wervingsaffiches met de titel ‘Operai Italiani’. Voor mijn vertrek verbleef ik drie dagen in het station Milano Centrale, waar allerlei controles gebeurden. Alleen wie geschikt was, mocht naar België.”

Het werd een harde landing. “Eén jaar lang was ik gelogeerd in de Cantine des Italiens, een kilometer verderop naast het Canal du Centre. Vandaag zouden we het een schuur noemen. Met drie andere Italianen lagen we in ijzeren bedden op een slaapzaal, zonder het geringste comfort. Op straat waren Italianen slecht gezien. ‘Sale macaroni’, riepen ze ons na. We kregen te horen dat we moesten terugkeren naar Italië, dat we profiteurs waren. ‘Que la vie est belle à la mutuelle’ (‘Wat is het leven mooi op de ziekenkas’) was destijds een populair lied. Pas later mochten we in een huis gaan wonen tussen de Belgen. Ik kwam terecht in deze Rue du Hocquet en werd verliefd op het meisje dat tegenover mijn huis woonde. Ook een Italiaanse, uit Sicilië. Intussen zijn we 62 jaar getrouwd.”

Een wolvin (het symbool van de stad) staat met psychotische blik naar het verkeer te kijken. Beeld Tim Dirven

Op het trottoir aan de overkant van de Rue du Hocquet loopt een zwarte familie die keukenspullen aan het verhuizen is. Veel Brusselaars uit de immigratie vinden niet alleen in de Denderstreek een betaalbare woning, maar steeds vaker ook in La Louvière. In de straat staan nu auto’s met Roemeense en Bulgaarse nummerplaten. De nieuwste lichting aangespoelden. Ze waren er nog niet toen ik hier vijftien jaar geleden voor het eerst rondliep.

Veel rijhuizen waarin ze wonen waren drie generaties geleden nog Vlaamse cafés, het ene naast het andere. Ze hadden namen als La Belle Izegem en La Ville d’Anvers. In Café de Flobecq, vandaag een somber huis naast een gesloten kapper, was de carnavalsmaatschappij Vreugd en Deugd gevestigd. Het laatste Vlaamse kaarterscafé Aux Anciens du Hocquet onderging een grondige renovatie en is nu onherkenbaar als snackbar Hollyfrite. Bij Hélène, de laatste uitbaatster van Aux Anciens, doet niemand meer open.

Het verbaast Luigi niet. “Ik denk niet dat je hier nog één Vlaming vindt. Toen ze er nog waren was het Waals de voertaal op straat en de werkvloer, de gedeelde taal die iedereen sprak. Ook die is volledig verdwenen.”

Achter Hocquet ligt het Canal du Centre met zijn vier hydraulische scheepsliften, gigantische meccano’s die schepen inslikken en weer uitspuwen. Wonderen van ecologische ingenieurskunst zijn het, gebouwd in de gloriejaren van België, eind negentiende en begin twintigste eeuw. De liften werken zonder een druppel brandstof of een vonk elektriciteit. Alle hijskracht wordt opgewekt met water uit het kanaal.

Vandaag staan de scheepsliften naast de Chinese Muur en de Taj Mahal op de lijst van Unesco-werelderfgoed, maar in de jaren 70 prijkten ze op de slooplijst om als oud ijzer per kilo verkocht te worden. Voor het Canal du Centre lag een plan klaar om het te dempen en een nieuwe bestemming als ringweg te geven. Maar dat was buiten de Compagnie du Canal du Centre van Jean-Pierre Gailliez gerekend, een voorloper van burgercomités als StRaten-Generaal. Met een vloot boten organiseerde hij kanaalvaarten om de bevolking warm te maken voor de redding.

“Het ging mij om meer dan dat”, zegt Gailliez. “Ik wilde de streek haar geheugen en trots teruggeven. Ik wilde laten zien dat het mogelijk is je leven in de hand te nemen en er iets mee te doen. Hier hebben mensen altijd te veel verwacht van ‘het systeem’. Elk probleem werd wel opgelost met uitkeringen. Dat heeft het initiatief gedood. Men is hier bang voor verandering. Die mentaliteit hebben politici altijd gestimuleerd. Op die manier bleef men van hen afhankelijk.”

Jean-Pierre Gailliez bij de scheepsliften waarvoor hij gevochten heeft toen ze gesloopt dreigden te worden in de jaren 70. Vandaag zijn ze erkend als Unesco-werelderfgoed. Beeld Tim Dirven

Gailliez geeft enthousiast uitleg bij de Ascenseur Numéro 1, de oudste lift die in 1888 door Leopold II ingehuldigd werd. De constructie van Cockerill Sambre, in nauwelijks drie jaar gebouwd, doet het nog altijd. Het kost moeite om hier niet te denken aan de vele bouwwerven die al jaren aanslepen, van Gent-Sint-Pieters tot Oosterweel.

In een mail schreef Gailliez me onlangs: ‘Vlaanderen en Wallonië staan me steeds meer tegen, Brussel, dat gaat nog.’ Een verrassing. Gailliez moet de meest hartstochtelijke belgofiel zijn die ik ooit ontmoette. Tientallen jaren lang was hij de meest gedreven promotor van het Nederlands in Wallonië, de vader van het Nederlandstalige immersieonderwijs op Franstalige scholen.

De laatste jaren is hij steeds vaker in Hillegom, Zuid-Holland, waar de Amelie ligt, de boot die hij zelf restaureerde. Far from the madding crowd. En steeds verder weg van België.

“Het is angstaanjagend om te zien hoe snel Nederland erop vooruitgaat, terwijl België steeds dieper wegzakt. De weinige middelen worden bij ons verspild aan vijf regeringen, vijf premiers en honderden cabinetards die zich allemaal premier wanen. Dit land zit muurvast, snakt naar een marshallplan. Maar wellicht is het al te laat.

“Ben ik een utopist geweest? Dat kan best. Mijn grootste utopie was: een geheel tweetalig België. Maar er is zelfs geen respect voor de eigen taal. Als ik ga fietsen in West-Vlaanderen en de weg vraag, begrijpt men mij gewoon niet. Terwijl ik correct Nederlands praat met een voortreffelijke uitspraak. Hoe slordig Vlamingen blijven omgaan met hun eigen cultuurtaal, dat is me almaar meer gaan ergeren. Ze willen gewoon geen moeite doen. Daar speelt toch een diepgeworteld minderwaardigheidscomplex tegenover Nederland. Er is geen vooruitgang. En in Wallonië voelt men zich te goed om Nederlands te leren. Men zal dat niet gauw toegeven, maar het is de waarheid. Nog altijd is Nederlands geen verplichte taal op de lagere scholen in Wallonië.”

Gailliez’ geloof in België werd al eerder op de proef gesteld. In 1968 studeerde hij Germaanse filologie in Leuven ten tijde van de ‘Walen buiten’-betogingen. Bij de manifestanten zag hij bevriende studenten lopen. Een schok.

“Maar het heeft me niet bitter gemaakt zoals politici als Guy Spitaels. Ik wilde begrijpen waar dat protest vandaan kwam. Waarom in historische wrok blijven vastzitten? Frankrijk en Duitsland hebben in een paar decennia drie keer een vreselijke oorlog uitgevochten. En toch mocht het Duits twaalf jaar na de Tweede Wereldoorlog de tweede taal worden in Frankrijk. Hier bestaat geen bereidheid om uit de loopgraven te komen. Inmiddels weten de Walen niets meer af van de Vlamingen en omgekeerd. We mogen al blij zijn dat de treinen vanuit Antwerpen nog altijd doorrijden naar Charleroi, want ook dat willen sommigen graag afschaffen. Ik vrees dat België zal eindigen als een lege schelp. Een omhulsel. Met niets erin.”

Het oude kerkhof vlak bij het ziekenhuis van Jolimont en het voetbalstadion. Beeld Tim Dirven

Het centrum van La Louvière is een van de best bewaarde landsgeheimen. Dat komt omdat La Louvière eigenlijk geen centrum heeft.

Zelfs de Louviérois kunnen niet zeggen waar hun stad begint of eindigt. Het is een Belgisch Los Angeles, uitdijend, op anarchistische wijze gegroeid rond de kanalen, spoorwegen en fabrieken.

Voorbij een rotonde waar een wolvin (het symbool van de stad) met psychotische blik naar het verkeer staat te kijken, voorbij een plein met een kerk zonder toren, een Palais de la Bière, daar bevindt zich de straat waar we moeten zijn, de Rue Arthur Warocqué.

Misschien niet geheel toevallig is de vijfentachtigjarige fotograaf Georges Vercheval in het hart van deze belgo-goulash komen wonen. In Vlaanderen is hij vooral bekend als stichter van het Musée de la Photographie in Charleroi, een van de belangrijkste Europese fotomusea, waar ook het geheugen van België wordt bewaard in de vorm van twee miljoen negatieven en tachtigduizend foto’s op papier en glas.

Maar Vercheval is evenzeer zélf een chroniqueur. Al vanaf de jaren 50, toen hij als beginnend dorpsfotograaf een bescheiden inkomen verdiende met foto’s van overledenen.

“Dat was toen nog de gewoonte: de overledene kreeg een laatste portret in close-up en een ruimer gekadreerde foto in het sterfbed. Vandaag vinden we dat akelig. Maar de dood hoorde toen nog meer bij het leven.”

In de jaren 60 al maakte Vercheval een grand tour door België, van Oostende tot Luik, om kleurenfoto’s te maken voor het Bulletin des Musées de Belgique. Het begin van een ontdekkingstocht die een leven zal duren. Een fijne selectie van zijn foto’s is gebundeld in L’ordre des choses. Het boek ligt vanmiddag als een reisgids en teletijdmachine bij de hand, op het tafeltje in zijn tuin.

Een ultrabanalist, noemt Vercheval zichzelf. Hij is de fotograaf van la poésie dans le presque rien. De schoonheid in het gewone.

“België is een goudmijn van alles wat niet meteen ‘mooi’ of ‘groots’ is. Nergens vind je zo’n ruimtelijke wanorde en chaos. Een rij huizen in de schaduw van een ringviaduct is bizar, maar ik vind het ook mooi. Ik ben geëvolueerd van een fotografie die artificieel en très Bauhaus is naar ‘ordinaire’ onderwerpen die veel meer mijn wereld weerspiegelen.”

Vercheval haalt er nog een tweede boek bij: Fenêtres à vue, zijn foto’s in zwart-wit van Belgische ramen. Het blijkt een onvermoed rijk onderwerp. Want net als God en de duivel zit België in de details.

“In Nederland kun je bij de mensen binnenkijken. Niet zo bij de Belgen. Zij leven vaker achter vitrage. Maar het mooie is dat elk raam eigenlijk een minitheatertje is, een théâtre de la rue, met de vensterbank als scène, het gordijn als toneeldoek. In dit decor laat de Belg toch iets van zichzelf zien: een vaas, een porseleinen postuurtje, en niet te vergeten de sanseveria. ça, c’est moi. Dat vind ik prachtig. Het is een kleine demonstratie van individualisme, van verzet in een wereld waarin alles steeds meer op elkaar gaat lijken. Ik doe ook zelf mee. Op mijn vensterbank staat een eend in beton die ik ooit gemaakt heb.”

Fotograaf Georges Vercheval, fotograaf van ‘la poésie dans le presque rien’: ‘België is een goudmijn van alles wat niet ‘mooi’ of ‘groots’ is. Nergens vind je zo’n chaos.’ Beeld Tim Dirven

De raamtheaters dateren van begin jaren 70, maar je kunt de taferelen net zo goed vandaag nog fotograferen in volkswijken. Ze lijken tijdloos.

“En toch zie ik trends. Zo is de sanseveria duidelijk bezig aan haar terugtocht. Je ziet ze nog zelden. De raamtheaters spiegelen ook de Belgische immigratiegeschiedenis. Italianen hielden hun vensterbanken aanvankelijk leeg, maar dat veranderde naarmate er meer gemengde huwelijken waren. Vaak waren het wat oudere Belgische oorlogsweduwen van een jaar of veertig die na de oorlog trouwden met een jongere Italiaanse immigrant. Tradities veranderden, vermengden zich. Mijn moeder had een grote zuivelwinkel waar op een bepaald moment een Italiaanse vrouw kwam werken. Onder haar invloed kwamen er bij ons thuis goede koffie en spaghetti op tafel. In moeders kaaswinkel werd gorgonzola verkrijgbaar, speciaal voor de Italiaanse klanten. Ik kreeg ze ook over de vloer van mijn fotowinkel, waar ze pasfoto’s lieten maken voor hun papieren. Omdat ze bijna geen geld hadden, durfde ik weinig of niets te vragen. Andere fotografen zetten zes Italianen op een rij voor een foto en knipten hun hoofden er dan uit. Die handelsgeest miste ik.”

In L’ordre des choses staat een fotootje van zijn eerste fotowinkel in Gilly. Georges Vercheval in gedurfde artistieke letters op het raam geschilderd, een sanseveria op de vensterbank. Het is 1958.

“Ik was toevallig in de fotografie gerold. In de donkere kamer van mijn leraar wiskunde, een amateurfotograaf, raakte ik betoverd door de magie van het rode licht en de foto’s die in het water ontwikkelden. Ik ben altijd un visuel geweest. Als kind ging ik tijdens tramritten altijd vooraan naast de conducteur zitten om alles goed te kunnen zien. Ik had een oog voor veranderende landschappen, ook later, toen ik met de trein vanuit mijn woonplaats Schaarbeek naar La Louvière reisde. Oude steenwegen met kasseien werden viervaksbanen; de lange linten arbeidershuisjes die erbij hoorden verdwenen. Het Belgische landschap veramerikaniseerde terwijl het voorbijschoof langs mijn treinraam.”

Vercheval maakte een foto die het kantelende tijdperk volledig vatte: de bijna lege parking van de eerste Cora-supermarkt in de streek, een immense vlakte die doet denken aan een luchthaven ergens in de leegte van Nevada. Niet toevallig belandde het beeld ooit per ongeluk in een fotoboek over Amerika. Alleen de naakte, zwarte terril op de achtergrond doet vermoeden dat dit West-Europa is.

“Die veramerikanisering begon al begin jaren 50. Terwijl de eerste generatie warenhuizen, zoals Au Bon Marché, nog in de stadscentra stond, vestigden de hypermarkten zich aan de rand. Daar waren ze alleen met de auto bereikbaar. Het uitzicht van veel Belgische steden is daardoor drastisch veranderd, net als het platteland. Als je van Doornik naar de kust rijdt, passeer je in Kortrijk een vreselijk rommelig stuk met schreeuwende reclames. Ik hou er niet van, maar op een vreemde manier heeft het wel een zekere schoonheid. Ik ben geen romanticus die op zoek gaat naar idyllische landschappen uit een voorgoed voorbij verleden. Logo’s van bedrijven, tankstations en reclameborden neem ik graag mee in het beeld. Ze spiegelen de tijd.

“Met de veramerikanisering kwam ook de fastfoodcultuur. Brooddozen verdwenen. Tegelijk zag je ook de interimkantoren oprukken en de fabrieken gebouwd met prefabmateriaal. Snel voedsel, snelle arbeid, snelbouw. Dat is allemaal onderdeel van hetzelfde fenomeen: de ontbinding van een duurzame samenleving.”

Bij het oude België horen rook en roet. Lakens mochten niet te lang aan de wasdraad hangen omdat ze snel zwart werden; het zwarte stof kwam langs alle kieren de huizen binnen.

“Geen enkele partij protesteerde daartegen. Het ecologisch bewustzijn was nul. Politici als de socialist Jules Destrée schreven in de meest lyrische toonaard over fabrieksrook: ‘Les Fumées, les fantasques, les merveilleuses Fumées!’ Rook was vooruitgang, pollutie een teken van economische dynamiek en arbeid. Kinderen gingen op de spoorwegbruggen staan om de rookpluimen van de stoomtreinen op te snuiven. Mijnwerkers stierven bij bosjes aan stoflong, maar ze hielden vaak hartstochtelijk van hun werk. Maar mijn vader was zich er toen al zeer van bewust dat de vervuiling een aanslag was op de gezondheid. Daarom stuurde hij me naar een school die verder van de stad af lag.”

Vercheval houdt van reeksen. Zoals steengroeven, lichtmasten, geschilderde reclames op blinde gevels en vooral terrils. Decennialang legde hij ze obsessief vast in honderden, misschien duizenden foto’s. Het zijn geheimzinnige zwarte piramides, in zichzelf gekeerd, majestueus. Ooit waren er honderden. In delen van Limburg, Charleroi, de Borinage en Luik lijkt het nog altijd alsof de builenpest is uitgebroken in het landschap. Ook het leven rond de bergen legde hij vast, de wonderlijke biotoop van scheve arbeidershuizen in rode baksteen met hun achtertuinen, gescheiden met betonplaten en koterij van golfplaat, van de terrains vagues met zelfgemaakte voetbaldoelen, de korenvelden.

Een ouder koppel zit in hun tuin, in de schaduw van de industrie. Beeld Tim Dirven

“Terrils zijn monumenten van de arbeid, opgericht door de mijnwerkers zelf. Ze zijn nauw verbonden met mijn familiegeschiedenis. De vader en grootvader van mijn vrouw waren mijnwerkers. Mijn vader werkte als bediende in een steenkoolmijn. Kort na de Tweede Wereldoorlog – ik was veertien – mocht ik hem vergezellen tijdens een afdaling naar le fond waarin hij optrad als tolk voor een gezelschap Amerikaanse en Engelse bezoekers; hij was de enige in de mijn die een woord Engels sprak, vandaar. Een onvergetelijke ervaring.

“Terrils waren ook oorden van plezier en spel. Lusttuinen. Als kind heb ik er lange dagen doorgebracht. En later werden ze het decor van de opstanden en stakingen toen de Belgische industrie begon in te storten. Daarom was ik zo verbolgen toen men ze begon af te graven om te gebruiken voor de taluds van de autosnelwegen die overal werden aangelegd. In de jaren 60 en 70 daverden hier dagelijks hele colonnes vrachtwagens door de straten. Tientallen terrils zijn verdwenen, nog veel meer werden voorgoed verminkt. Dat heeft het Belgische landschap geschonden.

“Terrils zijn geen afvalbergen, maar gesteente dat samen met de steenkool opgedolven werd, soms op meer dan een kilometer diepte. Deze getuigenheuvels verdienen eerbied als een deel van het landschap en de geschiedenis. De arbeid in de mijnen heeft veel mijnwerkers hun longen gekost – ze stierven aan silicose, een vorm van stoflong. Vandaag zijn de terrils de groene longen van de streek.”

We doen de stad uitgeleide in de straten rond de Boël-fabrieken. Op een mooi gazon zit een echtpaar in strandstoelen voor hun tuinhuisje. ‘Samy’ staat er boven de deur. Het is de naam van hun hond die rondjes rent op het gras. Aan een draad hangen twee broeken te drogen. De zon is mild, de wolken maken spektakel in de lucht. Een perfecte dag voor was in de wind.

Het enige wat de idylle verstoort zijn twee anti-inbraakstickertjes met de afbeelding van een camera op de ruiten van het tuinhuisje.

“Ach, misschien is het alleen maar afschrikking”, zegt Karl. “Ooit werd mijn vissersgerief eruit gestolen. Des jeunes, ziet u…”

Op de achtergrond liggen de staalrollen van de fabriek waar hij zijn hele leven gewerkt heeft. Vrachtwagens uit Oost-Europa rijden af en aan. Altijd is er passage, altijd is er iets te zien. Karl raakt er niet op uitgekeken al sinds hij op zijn zesenvijftigste met pensioen ging.

“Toen ik in ’66 begon, werkten hier zesduizend arbeiders, nu geen duizend meer. Er zijn uitgebouwde industrieparken met goed openbaar vervoer in de streek, maar er komen weinig nieuwe bedrijven. De overheid doet haar best, maar het slaat moeilijk aan.”

Hij wil nog iets laten zien. Iets très belge, jawel. Net achter zijn tuinafsluiting, waar de vrachtwagens aanschuiven, ligt een loodrecht fietspad dat ineens om onverklaarbare redenen een korte, scherpe chicane maakt, alsof het een onzichtbaar spook wil ontwijken. Het lijkt een kunstwerk. Land art.

“Daar stond ooit een boom”, wijst Karl met Samy op de arm. “Geen bijzondere, vond ik zelf, maar na veel discussies werd uiteindelijk beslist hem niet op te offeren voor het fietspad. Vervolgens werden er allerlei metingen uitgevoerd voor de curve van de bocht. Ik heb er nog staan op kijken. Dat bleef maar duren. Maar een week na de aanleg van het pad is de boom dan tóch gekapt.”

De Morgen geeft tien exemplaren weg van Brutopia, het nieuwste boek van Pascal Verbeken. Surf naar http://demorgen.be/brutopia

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234