Donderdag 27/01/2022

Het grote talent van een bizarre 'cornichon'

Het Rops-museum in Namen: geopend wegens werkzaamheden

Namen / Van onze medewerker

Eric Min

Het Musée Félicien Rops, een patriciërswoning in de gezellige oude stadskern van Namen op een steenworp van het geboortehuis van de kunstenaar, staat in de steigers. De stoffige kamers waar het beste uit Rops' verzamelde werk tot voor kort met weinig middelen en veel goede wil werd tentoongesteld, worden vertimmerd. Het pand krijgt er gloednieuwe ruimten en een kleine filmzaal bij. Naar bedenkelijke vaderlandse gewoonte zullen de werken veel langer aanslepen dan gepland: ten vroegste in het voorjaar van 2003 zal deze plek een schrijn zijn voor het baldadige oeuvre van de "Belgische zigeuner" (Alphonse Daudet), die als geen ander kunstenaar uit het fin de siècle de fascinatie voor begeerte en aftakeling in zijn etsen wist te vangen. De tentoonstelling Félicien Rops, de flamme et de nerfs die vorige week werd geopend, is meteen een eerste en vrijwel permanente bouwsteen van de nieuwe presentatie. Ook de stemmige expositiezalen in de moderne aanbouw van het museum worden voorlopig ingenomen door de vaste collectie, zodat er jammer genoeg geen plaats meer is voor de uitstekende tijdelijke tentoonstellingen, zoals er de voorbije jaren enkele werden gehouden. Niet getreurd: tot eind 2002 trekt een groot deel van Rops' werk de wereld rond, maar een kort en krachtig overzicht van zijn beelden is voortaan weer in Namen te zien.

Félicien Rops (1833-1898) was een mens uit één stuk die wist wat hij waard was (en wat hij wilde, namelijk alles en wel nu meteen). Hij zou de mensen en de dingen van zijn tijd schilderen, "het moderne leven. Daar is het, enkele passen verwijderd, overal om ons heen, in de salon of op straat - het echte leven dat krijst en kirt, zich laat gaan en zichzelf vernietigt, dat pronkt met bladgoud en lompen, met vreugde en verdriet, met overspannen tronies die in geen andere eeuw te vinden zijn - deze tijd waarin geldzorgen en veel te hard piekeren onze gezichten tot maskers vervormen en de roze wangen van onze liefjes veel te vroeg dof doen worden".

Een onbehouwen bakkes, holle praal, in lompen gehulde miserie, wulps bloot, satanistische rituelen die de goegemeente moesten schokken... hij heeft het allemaal in etsplaten gekrast. Zijn tijdgenoten sloegen snel een kruisteken of keken hun ogen uit, allicht tegelijkertijd. "Que ce cornichon a du talent!", siste de al even flamboyante fotograaf Nadar tussen zijn tanden. Vincent van Gogh roemde het verbijsterende waarheidsgehalte van zijn "études de moeurs". Voor de dichter Baudelaire, die enkele keren in Namen op bezoek kwam, was de man die het beroemde frontispice voor zijn bundel Les Epaves had gemaakt, de enige echte kunstenaar die hij in België had ontmoet.

Niets was heilig voor de goddeloze Félicien. Dat wordt al in de eerste zalen duidelijk. In Brussel werkte hij mee aan het blad Uylenspiegel, dat van leer trok tegen clerus, kapitaal en oorlog. Rops' spotprenten zijn treffend en giftig, maar revolutionair is zijn vroege oeuvre niet echt. Op zijn scherpst is Rops in een tekening als Un enterrement au pays wallon; de tekst waarin hij naar het tafereel verwijst, werd op de muur naast de ets aangebracht. Tronies van beulen of gekken zijn het, die met tegenzin hun werk doen, Latijnse verzen citeren en een arme stumper begraven; bovendien verwijst de compositie van de prent naar de brave schilderijen van academische tijdgenoten. De vurige antiklerikaal zou nog veel verder gaan en zowat alle gevestigde waarden met zuren en gif te lijf gaan. In een brief aan een liberaal parlementslid merkt hij op "dat de enige echte liberalen blijkbaar socialisten zijn; als hij zelf katholiek was, dan liefst tot op het bot. God, naar wie toch niemand luistert, heeft trouwens zelf een hekel aan halfhartige geesten...

Maar het kan ook een zelfverzekerde querulant droef te moede worden. Dan trekt hij zich als een gewond dier terug in de natuur die hem wiegt, verzorgt en geneest. De fraaie landschapschilderijtjes die Rops langs de Maas of tijdens zijn buitenlandse reizen borstelt, zijn vredige vingeroefeningen van iemand die niet kan stilzitten en veel naar Courbet gekeken heeft.

Waar we ook kijken, zijn het echter vrouwen die de toon zetten. In de grote zaal krijgt de aquarel Pornokratès (1878) de ereplaats, als op een heidens altaar. Het is de statige gestalte van de prostituee die een zwijntje aan de leiband meevoert en ook al eens door het beeld mag wandelen in films van Peter Greenaway. Rops decreteerde dat zijn eigen negentiende eeuw geen boodschap meer had aan de Venus van Milo maar aan de borsten van de lichtekooi Tata. Veel van Rops' etsen zijn echter niet zomaar gratuit provocerend of hitsig maar regelrecht morbide en existentieel geladen: de dood waart rond in het leven zelf. Schrijver Alfred Delvau, voor wie de kunstenaar illustraties leverde, heeft dat goed gezien: "Ce ne sont pas des femmes, ce sont des nuits". Eerder zondags ogen wel de zusjes Duluc, twee derden van Rops' Parijse ménage à trois, die hem tot aan zijn dood trouw bleven. De schilder heeft hen in de rivier bij Bougival afgebeeld, maar in Namen krijgen we ook foto's, een jurk en accessoires uit hun modehuis te zien.

Op de eerste verdieping mag de echte Félicien Rops opstaan. Met uitzondering van de varkenshoedster en enkele wrange, nachtelijke etsen uit de goot van de grote stad was de Naamse artiest tot hiertoe gewoon een verdienstelijke Belgische variant van Gavarni, of een vroege Toulouse-Lautrec. Het zijn de illustraties voor Les Sataniques (1882) of Les Diaboliques (1884) van Barbey d'Aurevilly die baanbrekend zijn in al hun geile allegorische overdrijving. Vrouwen copuleren met stenen duivels, worden op een altaar genomen of bedrijven de liefde tijdens een atheïstisch banket. De dood stapt wijdbeens over Parijs, vermorzelt de Nôtre-Dame en strooit vrouwen uit over de stad. Illustraties voor werk van Verlaine, Mallarmé of Péladan vervolledigen het tableau. "Ce tant folâtre monsieur Rops" (naar een regel uit een sonnet van Baudelaire) fascineert ook vandaag nog, hoe overspannen de fantasieën van deze libertijnse, antiburgerlijke bourgeois ook mogen overkomen.

Het vernissagepubliek keek alvast zijn oogjes uit. Terecht natuurlijk: Rops mag opgenomen worden in het pantheon van de contraire, curieuze meesters uit een fin de siècle van lang geleden.

WAT: Félicien Rops, de flamme et de nerfs WAAR EN WANNEER: Nog tot begin 2003 in het Musée Félicien Rops, rue Fumal 12 te Namen (tel. 081/22.01.10). Elke dag open behalve maandag van 10 uur tot 18 uur (elke dag in juli en augustus).Info: http://www.ciger.be/rops/index.shtml.en ONS OORDEEL: Rops fascineert ook vandaag nog, hoe overspannen de fantasieën van deze libertijnse, antiburgerlijke bourgeois ook mogen overkomen.

Voor Baudelaire was Félicien Rops de enige echte kunstenaar die hij in België had ontmoet

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234