Zaterdag 28/05/2022

Het grote gelijk van de grootste gemene kijker

'Het scherm der verbeelding': Nederlandse schrijvers over televisie

Eric Min

Over televisie wordt weinig geschreven en nagedacht, althans in essayistische zin. Dat is een van de stellingen die Michaël Zeeman en Maarten Doorman verdedigen in hun voorwoord bij Het scherm der verbeelding, een bundel opstellen over het medium. Ik denk niet dat de bewering van de samenstellers klopt. Lieden als Umberto Eco, Marc Holthof en Frans Aerts, dans le désordre, hebben boeiende bladzijden aan het fenomeen gewijd. Uit het werk van Neil Postman en Pierre Bourdieu wordt ook in Het scherm der verbeelding graag en goed geciteerd. Zeeman en Doorman hernemen zelfs de integrale tekst van Enzensbergers onvolprezen essay over het 'nulmedium' dat acht jaar geleden verscheen in Lof der inconsequentie; de schaduw van de auteur spookt onder meer door de bijdragen van Herman Pleij, Martin Bril en Anna Luyten.

Er worden dus wel veel intelligente stukken over de treurbuis gepleegd. Ook de inspirerende essays uit deze bundel zijn als krenten in de pap: we kijken verlangend uit naar de volgende hap. Wanneer Frits Abrahams zijn laatste alinea ingaat, wil ik al weten waarover Maarten van Rossem schrijft. Na het verhaal van K. Schippers maakt Pleij zijn opwachting. Aangenaam, gaat u zitten. Het scherm der verbeelding is een meeslepend boekje.

Het geheugen van de modale westerling wordt vandaag eerder door televisiebeelden bevolkt dan door verhalen. Belangrijke voorvallen uit een mensenleven, 'straffe' avonturen en toeristische landschappen worden door het kleine scherm van een waarmerk voorzien. Niet de beelden ontlenen hun werkelijkheidswaarde aan het echte leven, maar omgekeerd: wie de geijkte kreet 'het was net als op de televisie' hoort, weet hoe laat het is.

Dat de beelden hun eigen logica volgen, zal ons een zorg zijn. Geweld op de buis is snel en decoratief, "dat prachtige ketsen van de kaakslag, het krakende kruis van een boosaardig tegenstander dan wel de zoemende inslag van meer dan trefzekere kogels" (Pleij). De fabrikant van Camel-sigaretten liet niets aan het toeval over in de door hem gesponsorde serie Man against Crime: sigaretten moesten op kalme, elegante wijze gerookt worden, door nette en heldhaftige lui. In het prachtige verhaal 'Na de reclame' van K. Schippers, de enige onversneden literaire bijdrage in de bundel, komt een nieuwslezeres na een slippartij in een onweersbui terecht. "Niet eerder heeft ze dit water gevoeld, geproefd, zo dicht is ze er nog nooit bij geweest (...) Niets bestaat nog officieel, of ze uit een gebouw is gekomen waar voetstappen en andere geluiden in de gangen altijd iets onwrikbaars aankondigen."

Het medium vervreemdt, maar het heeft ons bestaan ook enorm verrijkt. Neem de taal. Woorden als 'frisdrank' of 'gekte', staande uitdrukkingen uit Jiskefet of uit programma's met Van Kooten en De Bie worden razendsnel overgenomen. Herman Pleij zalft en slaat: die kreten wijzen op oppervlakkigheid en ellipsering van de taal, maar je kunt evengoed vinden dat onze woordenschat vandaag een permanente fitnesstraining ondergaat.

Ook de schrijvende pers heeft zich aan de beeldenstorm aangepast. In de jaren zestig holde het new journalism de televisie achterna met sfeerstukken en reportages die omtrekkende bewegingen maken voor ze naar de feiten doorstoten. Hoofdredacteuren begrepen dat ze het veel te snelle medium met achtergrondbijdragen en kleurige weekendmagazines te lijf moesten gaan. Misschien heeft Adriaan van Dis de literaire avondjes in Nederland wel hun definitieve vorm gegeven (halfronde tafel, karaf water en twee flessen wijn). Het theater en de opera gingen stoeien met videoschermen en simultaan gespeelde scènes; de toeschouwer mag zappen. En wie geïnterviewd wordt, weet wat er verlangd wordt: voorgesprek, mise en scène, ingestudeerd antwoord.

Zelfs het publieke treurwezen volgt de codes van de televisie. Bij groot verdriet horen bloemen "van de meest uiteenlopende aard, met bijgevoegde brieven en gedichten". Als Het scherm der verbeelding een Belgisch boek was geweest, spatte de kleur wit (van Fabiola, de ballonnen en de marsen) uit de bladzijden, zeker weten. Nu schrijdt prinses Diana door menig stuk. Anna Luyten, die een warrig en met voorspelbare citaten uit het werk van Plato, Nietzsche, Berkeley en Arendt gelardeerd pleidooi voor emo-tv wil houden, vindt ter plekke een nieuw soort humanisme uit, jenseits het postmodernisme "met zijn verafgoding van het esthetische". Terwijl de kist met de prinses aan de einder verdwijnt, vraagt zij zich af "waarom gewone mensen (sic, EM) die door het leven in het nauw gedreven zijn volgens de criticasters niet het recht hebben om via de televisie (...) hun gevoelens te tonen. Het is wat cru gesteld, maar niet iedereen kan boeken schrijven met een gedoseerde vorm van kwetsbaarheid." Het is wat cru gesteld, maar de club van hitsige voyeurs en flitsende geldwolven knikt goedkeurend wanneer Anna, de rechterborst ontbloot en de blik op oneindig, op de verkeerde barricade klimt.

Misschien is een gezond wantrouwen tegenover het cultuurpessimisme wel het cement dat de opstellen van deze bundel samenhoudt. De intellectuele sceptici en semi-totaalweigeraars die de televisie minachten en zweren bij Proust, zo lezen we hier - als dát geen waarmerk van wereldvreemdheid is. Frits Abrahams, columnist bij NRC Handelsblad, vat zijn gram als volgt samen: "De hypocrisie van lettrés die doen alsof ze in hun vrije tijd uitsluitend Proust lezen, maar zich stiekem vermeien met Derrick, Sonja Barend en misschien zelfs Goedele Liekens. De luiheid van intellectuelen die liever vroeg naar bed gaan dan dat ze naar Diogenes kijken of naar een literair programma van Michaël Zeeman."

Het is allemaal de schuld van sociologen als Pierre Bourdieu, die de televisie als een gevaar voor de beschaving beschouwt, en van doemdenker Postman, die hier om de haverklap aanbelt om zijn droeve theorieën uit Amusing Ourselves to Death (1985) te zien weerleggen. Voor geleerden is het nooit goed: plat amusement deugt niet maar de hogere pretenties van tv-makers zijn pas echt verdacht. Cultuurprogramma's degraderen alles wat waarde heeft tot smakeloos en veel te snel entertainment dat geld in het laatje moet brengen.

Van Rossem is het daar niet mee eens. De hogere cultuur is niet minder commercieel dan de massacultuur, en de vereenzaamde zapper blijkt ook al een mythe te zijn. Gemiddeld kijken we in gezelschap, en we laten ons niet zo gemakkelijk manipuleren. Nelleke Noordervliet getuigt: "Ik heb de stroom beelden zien groeien, het tempo zien toenemen en de schaamte zien verdwijnen. We hebben verbazend veel geleerd in de afgelopen decennia. We kunnen veel vlugger kijken. We hebben aan een half woord en een half beeld genoeg (...) Ik was toen een stuk dommer, liever gezegd: trager van begrip." Cultuurpessimisme is als aderverkalking; Noordervliet prefereert het fuck you-gebaar boven het geheven vingertje.

Verkrampte intellectuelen hebben ook totalitaire trekjes. Socrates verkondigde al dat het schrift een bedreiging voor het geheugen was, en later zorgde de drukpers voor "een vulgaire vervlakkerij die op goedkoop papier weinig duurzaam gedachtegoed probeerde te slijten aan een willig massapubliek" (Pleij). Ooit boycotte de VARA-radio Johnny Jordaan; de luisteraar werd met harde hand opgevoed tot Dietrich Fischer-Dieskau. Jazz was een twijfelgeval, strips moesten wijken voor het goede boek en de televisie was het volgende slachtoffer.

Misschien heeft de strijd voor onbespoten, hogere cultuur gewoon met (kijk-)cijfers en het eigen gelijk te maken. Beschaving kan je moeilijk delen met de massa. Wie een boek leest, regisseert zijn eigen exclusiviteit. Televisiekennis is quizkandidatenwijsheid is listig vermaak is veelweterij is tempo. De intellectuelen haken dus af, of ze zweren bij programma's die stijlmiddelen hanteren als "tergende leegte en zware onbegrijpelijkheid": retrospectieven van de Taiwanese film, Duitse denkers uit het interbellum of lieden die eindeloze zomeravonden vullen met fijnzinnige discussies voor gelijkgestemden. "Ooit bestond er een cultuurmonopolie van de welgestelde sociale bovenlaag", schrijft Jan Blokker. "Dat is door de televisie niet doorbroken. De televisie heeft ervoor gezorgd dat iedereen die dat wil er maling aan kan hebben."

Abrahams is de enige die zijn opstel nadrukkelijk als een apologie van de beeldbuis aankondigt, maar de teneur van zijn stuk is representatief voor de overige bijdragen. Hier wordt verwoed naar het goede van televisie gegraven, en met succes. Het rijtje oogt eindeloos: de buis biedt troost in verwarde tijden, toegang tot cultuur, een spiegel voor onze normen en waarden (zou homoseksualiteit zo ruim aanvaard zijn zonder de rolmodellen uit allerlei tv-programma's?). De tv heeft het goede gesprek geconsacreerd als de menselijke omgangsvorm bij uitstek. Zelfs de veeleisende kijker mag niet klagen: met enige handigheid zapt hij elke dag wel drie uur verantwoord voer bijeen.

Het is allemaal waar, en gelukkig hanteren de praktiserende volgelingen die Het scherm der verbeelding volschreven af en toe wat superieure ironie. Zo voert Nelleke Noordervliet het 'meta-kijken' op, "de weigering zich aan onversneden kijken over te geven, omdat je dat te ordinair vindt (...) Het is de smoes van hele en halve intellectuelen om het eigen kijkgedrag voor zichzelf te verantwoorden, eigenlijk altijd iets anders doen". Meewerken aan dit boek, bijvoorbeeld.

De enige echt verontrustende gedachte staat te lezen in het boeiende essay van Herman Pleij - of hoor ik de ironische ondertoon niet meer? Televisie is voor hem een droomfabriek en vooralsnog "het enige succesvolle tegengif tegen het nog immer uitdijende succes van het onstuitbare rationalisme". Het beeldscherm als ankerpunt voor de stuurloze emotionaliteit van onze tijd die de afstandsbediening nodig heeft om een "compenserende wanorde" te creëren? Fraai is dat: een wetenschapper die, tongzoenend met Goedele Liekens en Henk van der Meyden, de Verlichting onderuithaalt. Pleijs pleidooi voor het "vrijuit laten galopperen van de zintuigen, zonder de teugel van de ratio, waardoor men zich onbekommerd kan en laat onderdompelen in een warm bad vol instant-toevalligheden", is een echo van Enzensbergers 'nulmedium' - de kijker zapt elke poging tot inhoud en betekenis gewoon weg.

Ook voor Martin Bril is televisie "een drainagepunt, vergelijkbaar met het putje in de douchecabine: al het water dat het lichaam reinigt, stroomt er onvermijdelijk naartoe". De grootste gemene kijker schakelt zijn toestel in om zichzelf uit te schakelen. De toverdoos heeft zich in elk geval een plaatsje in onze cocon toegeëigend. Van een scherm dat niet aan staat gaat iets beschuldigends uit, merkt Bril op. Eigenlijk is wat we elke dag te zien krijgen van een aanstootgevende opdringerigheid, maar we blijven turen. En schrijven.

Abrahams zet een punt achter zijn opstel met de mededeling dat hij nu even naar Boudewijn Büch gaat kijken: de televisie heeft gewonnen. Dat is ook een beetje de conclusie van dit boek. En wat dan nog? Als het nulmedium tot een kleinood als Het scherm der verbeelding kan inspireren, is de uitvinding niet helemaal tevergeefs geweest.

Michaël Zeeman en Maarten Doorman (samenstellers), Het scherm der verbeelding - Opstellen over televisie, met bijdragen van Nelleke Noordervliet, K. Schippers, Herman Pleij, Jan Blokker, Martin Bril, Anna Luyten, Frits Abrahams, Maarten van Rossem en Hans Magnus Enzensberger, Meulenhoff/Kritak, Amsterdam/Leuven, 234p., 798 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234