Vrijdag 27/01/2023

Het groote niete, waar geen wind is, niets is

De bruine, modderige vlekken herinneren ons aan de omstandigheden waarin het gedicht tot stand kwam

Door Geert Buelens

Dat 11 november er geen feestdag is, daar wen ik maar niet aan sinds ik in Nederland werk. Het land slaagde erin neutraal te blijven tijdens de Eerste Wereldoorlog en hoewel de aandacht voor de Groote Oorlog er nog altijd toeneemt, blijft hij in de schaduw staan van het conflict dat met Anne Frank, het bombardement op Rotterdam, de Brug Te Ver in Arnhem en de Hongerwinter voor het belangrijkste ijkpunt in de twintigste eeuw zorgde. Het einde van de Tweede Wereldoorlog wordt er bijgevolg wel groots en plechtig herdacht, op 4 en 5 mei. Die data zijn niet zonder symboliek. Mei betekent lente, mooi weer, een nieuw begin. 11 november daarentegen komt vlak na Allerheiligen en Allerzielen en staat voor kortende, donkere dagen waar onwillekeurig een sluier van rouw overheen ligt.

Zo beschouwd passen die herdenkingsdagen mooi bij de positie van deze oorlogen in ons collectief geheugen. Na de Tweede Wereldoorlog volgde inderdaad een lente: de opbouw van de sociale welvaartsstaat en van de Europese Unie, die eindelijk vrede bracht in onze gewesten. De Eerste Wereldoorlog staat in nog altijd toenemende mate voor zinloze dood en destructie. Hoewel we op 11 november de Wapenstilstand van 1918 herdenken stellen veel historici dat de naweeën van het conflict tot de tragedie van de Tweede Wereldoorlog hebben geleid. Door die bril bekeken markeert 11 november dus niet het einde, maar de aankondiging van de donkerste winter uit onze geschiedenis.

In zijn zopas verschenen Dynamic of Destruction. Culture and Mass Killing in the First World War (Oxford University Press) maakt de Ierse historicus Alan Kramer duidelijk hoezeer de Groote Oorlog een kantelmoment is in onze cultuur. Als deze oorlog al in het teken kon staan van een begrip als 'overwinning' dan bleek die enkel bereikt te kunnen worden door een tot dan nooit geziene vernietiging. Daarbij ging het niet enkel om het uitschakelen van het vijandige leger, maar ook om het moedwillig verbranden van cultuurschatten en het terroriseren en uitmoorden van de burgerbevolking. Deze destructiedynamiek begon in augustus 1914 in België (onder meer met de vernieling van de universiteitsbibliotheek in Leuven en de moord op 248 onschuldige burgers daar) en zou voorts onder meer leiden tot de decimering van de Serviërs (een kwart miljoen soldaten en 300.000 burgers vonden de dood), het bloedbad dat de Bulgaren aanrichtten in Thracië en Macedonië en de genocide op de Armeniërs. Lichamen werden aan flarden gereten, longen aangetast, geesten ontregeld.

Overal in ons land heeft deze ontstellende oorlog sporen achtergelaten. De Westhoek ligt bezaaid met militaire begraafplaatsen en, zo bleek onlangs weer, nog altijd dodelijke munitie. En overal in België staat op dorpspleinen een monument voor de gesneuvelden waarop prominent de namen van de lokale slachtoffers van '14-'18 zijn aangebracht en, welhaast als een bijgedachte, ook de kortere lijst gesneuvelden van '40-'45. Onze literatuur lijkt op het eerste gezicht veel minder door deze oorlog beïnvloed. Enkel Bezette Stad van Paul van Ostaijen is gecanoniseerd en aangezien dat boek zich grotendeels in Antwerpen afspeelt, heeft het slechts in geringe mate aandacht voor de slachtpartijen aan het front. Hetzelfde geldt voor het onschatbare dagboek van Virginie Loveling, die zich veelal in de buurt van Gent ophield. Nagenoeg volstrekt vergeten is het werk van onze eigen war poets - gedichten van Vlaamse dichters-soldaten die net als hun Britse collega's Siegfried Sassoon en Wilfred Owen geprobeerd hebben de gruwelen van de oorlog in woorden te vatten. De lijst Vlaamse oorlogsdichters is nochtans lang: August van Cauwelaert, Fritz Francken, Karel Elebaers, Jozef Simons, Filip De Pillecyn, Dirk Vansina, Ward Hermans, Hilarion Thans... ze hebben de klank en het aanschijn van onze literatuur niet veranderd, maar hun stem mag nog altijd gehoord worden.

Tegelijkertijd doet die stem de eigenlijke oorlogservaring onvermijdelijk onrecht aan. Hoe groot ook de beschreven ellende, de lezer kan ze nog altijd tot zich nemen zonder de angst, het lawaai, het kokhalzen (die rottende lijken, de stinkende kadavers) en de alomtegenwoordige ratten en modder die het dagelijkse leven aan het front kenmerkten. Zo beschouwd is het wel gepast dat het vel met daarop het gedicht 'Avond op 't slagveld' uit de collectie van het AMVC-Letterenhuis bruine, modderige vlekken vertoont. Meer nog dan de opvallend sentimentele verzen van dichter Daan Boens herinneren die ons aan de omstandigheden waarin het gedicht tot stand kwam. De tekst zelf geeft in eerste instantie weinig aanleiding het in oorlogssferen te gaan zoeken: 'Wanneer de lichte navend komt het uur verzachten, / terwijl de late zonne trekt heur roze klêeren aan / [...] als dan de schemer droomt, in zalige gedachten; // Dan wordt me 't leven schoon, en schoon het dage-strijden, / daar ik van de'avend voel de diepere innigheid, / die zich, als moeders-armen, om de wereld spreidt; // Dan voel ik ook geen vrees voor 't later levens-lijden, / en word ik sterk en groot en vol van de eeuwigheid, / die, in mijn menschenhart, deed hoop en vrede glijden.' Al heel snel na Wapenstilstand oordeelden tijdgenoten vernietigend over het gros van de Vlaamse frontpoëzie: wat hadden deze laat-negentiende eeuwse overpeinzingen te maken met de geïndustrialiseerde oorlogsvoering waarin de soldaten terecht waren gekomen? "De vele front-tableautjes met hun ijzingwekkende ledigheid, de zoete rijmen die niet dieper zinken dan het oor" ergerden ook de schrijvende frontsoldaat Filip De Pillecyn.

Toch is dit vers van Boens misschien minder wereldvreemd dan het lijkt. Rechts onderaan op dit papier schrijft hij 'Before going to trenches'. Onder die titel zou het gedicht terechtkomen in de eerste van Boens' drie Eerste Wereldoorlogbundels, Van glorie en lijden (1917). Zo probeerde de tweeëntwintigjarige dus overeind te blijven tijdens de geest en lichamen dodende hel van de IJzer: door zich vast te klampen aan een welhaast subliem natuurgevoel dat in deze context niet veel meer kan zijn geweest dan een herinnering, door zich - bij gebrek aan de lijfelijke aanwezigheid van geliefden - voor te stellen dat de avond hem omhelst als was het zijn moeder.

Een jaar later publiceerde Boens Menschen in de grachten, door zijn grote voorbeeld Karel Van de Woestijne later geroemd als "het beste want humaanste boek verzen, dat de oorlog heeft geïnspireerd". Van zwijmelen-bij-valavond is dan geen sprake meer. In de plaats komen de donkerste, meest ontnuchterende oorlogsverzen die ooit in het Nederlands zijn geschreven: 'Gij maan, verdwijn! - Ik wil nacht en duisternis, / zoodat wat om mij is, verkoolt, voor eeuwig, / en wat in mij leeft, sterft; - geen hoop, geen kommernis, / ik wil het groote niete, waar geen wind is, niets is.' Dat is wat we gedenken op 11 november, altijd opnieuw en zonder eind.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234