Vrijdag 17/09/2021

Het gevoel een Franse film binnen te wandelen

Het Gare du Nord, nu gestroomlijnd tot de speeltuin van aalsnelle TGV's, vormt voor Belgen en Nederlanders vanouds de inrijpoort naar Parijs. Voor vele schrijvers is het Gare du Nord dan ook de personificatie van een ongetemperd, soms overmoedig verlangen naar Parijs, al draait het weleens uit op een zinsbegoocheling en is een plots opstekende grimmigheid nooit ver weg.

'Onze kunstenaars moeten de poëzie in het station gaan zoeken, zoals hun ouders die in bossen en rivieren vonden", zo bepleitte de naturalist Emile Zola ooit uit volle borst. "Peut-être le bonheur, n'est-il que dans les gares", vulde Charles Cros in een gedicht aan. Midden de negentiende eeuw beproefden schrijvers met tremolo hun pen aan de nieuwe kolossen van steen en gietijzer. Stations waren de kroon op het werk van de industriële revolutie, het kloppende hart van elke grootstad die zichzelf respecteerde. De schuimbekkende stoomlocomotieven die in megalomane overkappingen tot bedaren kwamen, spraken tot de verbeelding van zowel proleet, kleinburger als scribent. De schrijver Blaise Cendrars maakte gewag van "moderne industriepaleizen, opgericht ter ere van de godsdienst van de eeuw: de eredienst van de spoorweg". Ook de Russische schilder Malevitsj zong in trance de lof van de stations, deze "vulkanen van het leven", waar alle menselijke emoties in een rusteloos va-et-vient door elkaar wemelden. Het station van de grootstad, schreef Willem Frederik Hermans in Door gevaarlijke gekken omringd (1988), was als "het hol van de draak en had een overeenkomstig uiterlijk, onmetelijk groot, altijd bedrieglijk op iets anders lijkend: een kasteel, een kerk, een tempel en met sinistere overdaad versierd". Stations zetten de zinnen op scherp, want "gevoelige mensen worden op een station hoopvol, bang of ongelukkig en allerlei verwachtingen bekruipen hun anders lege fantasie" aldus nog Hermans, die mistroostig concludeerde dat "spoorstations" de "sexshops van de verte" zijn.

Het Parijse Gare du Nord maakt op deze perifrase geen uitzondering. Gebouwd door de Duitse architect Hittorff tussen 1861 en 1865, in nauw overleg met de Parijse stadsvernieuwer Haussmann, was het aanvankelijk ondubbelzinnig gericht op imponeren. De massieve beelden op de lange voorgevel getuigen er nog steeds van, iets wat de Franse schrijfster Malika Wagner in haar roman Eindpunt Gare du Nord (1992) fijntjes inspireerde: "We stonden op het mooiste station van de wereld. In de stad, de enige, echte. Het Gare du Nord, waar de reizigers werden opgewacht door voluptueuze gebeeldhouwde vrouwen. Ze stonden op de uitkijk op het dak. Negen in getal, hun namen waren in de gevel gebeiteld. Je had Amsterdam, Berlijn, Keulen, Parijs precies in het midden en nog meer grijze, welvarende steden, die daar al sinds lang voor onze tijd stonden in hun stenen draperieën. Het gaf een ontegenzeglijk gevoel van vrijheid."

Het Gare du Nord symboliseert voor veel schrijvers de welhaast glorieuze intrede in Parijs. De piepende remmen van de trein kondigen een Frans paradijs aan, dat zich spoorslags zal ontvouwen. Hugo Claus laat het hoofdpersonage André in Een zachte vernieling (1988) Parijs binnenrijden als "Alexander de Veroveraar". Met een paar rake borstelstreken wordt de exotiek van Parijs dik aangezet. "In de damp van het station. Zijn dit de inboorlingen? Donkerder, dunner, heftiger dan de Belgen. (...) Een oude man in een blauwe overall draagt een siamees katje in een vogelkooi. Arabieren met alpinopetten op. Een getatoeëerde Oosterling trekt een karretje voort, vol kapot porselein." De verteller raakt bevangen door een onverklaarbare opwinding: "Met een hart dat bonkt. Ik dacht dat dat alleen in boeken voorkwam. Het begon toen ik uit het denderende raam hing, kolengruis flitsend tegen mijn gezicht, en de witte koepel op de heuvel tussen de grijze daken ontdekte, Montmartre, mijn minaret, mijn Mekka." De ironie is niet ver weg, maar misschien is de basisemotie vergelijkbaar met wat de Nederlandse journalist Alexander Cohen op 12 mei 1888 schreef: "Parijs! Frankrijk! Het zong en jubelde in mij: Frankrijk! Parijs! Ik had de grond wel willen kussen, en ik zou het misschien ook hebben gedaan, als het Gare du Nord niet zo onooglijk was geweest. Er is, van de grote Parijse stations, niet een dat zich zo weinig leent tot demonstraties van deze aard, en ook geen waar de reiziger bij het naar buiten komen, een zo onbehaaglijke indruk krijgt van de stad der steden. Maar ik was niet teleur te stellen. Ik was immers in Parijs."

Ook voor Remco Campert was het station in de jaren vijftig een rode loper naar de lokkende lichtstad: "Zodra ik het Gare du Nord uitloop, heb ik zin in schrijven. Dan loop ik bijna te huilen. Het is alsof ik mijn werkkamer binnen stap, en die werkkamer is sinds de jaren vijftig nauwelijks veranderd. In Parijs loop ik iedere minuut te schrijven. Hier niet. In Amsterdam denk ik vaak, gadverdamme, wat moet ik hier. Het is een provinciestad. In een wereldstad lukt het schrijven me beter. Parijs is, zeker wat de kunst betreft, op grote gebaren gericht." (interview met Jan Brokken) In zijn laatste roman Een liefde in Parijs (2004) beschrijft hij de stad ook als "zwaar en in zichzelf gekeerd". Parijs heeft aan uitbundigheid ingeboet, maar aan melancholie gewonnen.

De Nederlandse tekenaar Opland associeerde het Gare du Nord met een intrede in een andere, majestueuze wereld: "Ik herinner me het Gare du Nord, groot, naakt, somber, de reuk van stoomlocomotieven en die enorme affiches van Dubonnet: du, dubon, Dubonnet. Een meesterlijke stad, het was de grote wereld. Een van de eerste keren kwamen we Jan Brusse tegen op de Champs Elysées, waar hij een uitzending had in het Nederlands voor de Franse radio. Hij interviewde ons alsof we Stanley en Livingstone waren." De Nederlandse essayist Rudy Kousbroek, die van 1950 tot 1971 in Parijs woonde, beschrijft de aankomst vooral als een intellectuele openbaring: "Toen ik in 1950 in het Gare du Nord uit de trein stapte stond ik, zonder dat ik er iets bijzonders voor had moeten doen, in een land waarvan de taal en de literatuur mij niet ontoegankelijk waren. (...) Ik zie Parijs weer voor me zoals ik het toen zag - de brede straten in het ochtendlicht, met het zilveren water dat door de goten stroomde: de monumentale architectuur die soms de onwerkelijke indruk maakte van een filmdecor. Het gevoel een Franse film te zijn binnengewandeld. Het werd het grootste intellectuele avontuur van mijn leven en het gevoel van bevrijding duurt nog steeds."(La France aux Pays-Bas, 1985)

Nog zintuiglijker klinkt het bij Adriaan Morriën in 'Madame Alpaca' (Plantage Muidergracht, 1988) in wat een van de mooiste initiatie-fragmenten over Parijs mag heten: "Op het Gare du Nord stap ik in de metro, zoals ik lang geleden mijn eerste pak met lange broek heb aangetrokken (...), maar pas als ik op de Champs-Elysées uit de aardbodem verrijs, sta ik werkelijk in de lichtstad. De avond valt: 'le ciel se ferme lentement comme une grande alcôve.' Behalve een literaire voelde ik ook een erotische ontroering. Ik onderga deze eerste ogenblikken als een ontsteltenis in mijn penis. Ik zie de eerste echte Parisienne: 'fugitive beauté dont le regard m'a fait soudainement renaître'. Maar zij heeft mij niet eens opgemerkt! Zij kijkt langs mij, in het licht van haar eigen verwachtingen."

Niet alleen zijn de Parisiens bikkelhard voor nieuwelingen, ook de jungle van het Gare du Nord laat af en toe haar tanden zien. Simon Vinkenoog werd er geconfronteerd met de norsheid van de Fransen. Nochtans had hij ermee leren leven. Parijs beschouwde hij als een "smeltkroes waarin je je rondwentelde" en "je wende aan de onbeschoftheid van de Parijzenaars." Hoewel. Toen hij op het Gare du Nord per abuis met zijn koffer tegen een Fransman aanstootte, siste die hem toe: "Ah, ces sales étrangers."

Nog slechter verging het Jan Brokken, die er een ontluisterende tuimeling maakte. "Ik herinner me hoe ik naar Bordeaux reisde en te veel bagage bij me had. Op de trap van het metrostation onder het Gare du Nord bezweek ik onder de last, ik viel languit, honderden Parijzenaars stapten over me heen en weer was er die voor een dorpsjongen superbe sensatie: hier besta ik niet." (Ik herinner mij, Privé-Domein, 1988)

Epicurist Eric De Kuyper koppelt aan een doortocht langs het Gare du Nord steeds een bezoek aan Terminus Nord, het restaurant met de opulente spiegels, vlak tegenover het station. In Een tafel van één. Reisberichten (1990) beschrijft hij hoe hij tuk is op de "ondefinieerbare sfeer" en de "opwindende drukte" die er heerst: "Ik heb er al vaak gegeten; (...) Meestal zoals vandaag, vlak voordat de trein vertrok; of direct na aankomst in Parijs. De eerste of de laatste beet in de appel die Parijs heet. Elke keer weer een gebeurtenis die de aankomst vierde of het vertrek milder maakte."

De Kuyper raakt niet uitgekeken op de snelheid waarmee het eten er gebracht wordt: "Nauwelijks heb je besteld, of daar heb je je voedsel al voor je neus op je bord. Er is veel, heel veel bedienend personeel, van de razendsnelle soort. Schotels vliegen door de lucht, nagejaagd door de kelners. Ze landen op je tafel om meteen weer te verdwijnen. De kelners zijn er werkvee en de gasten eetvee." Ondanks deze connotatie prijst De Kuyper de kwaliteit van het voedsel: "Het merkwaardige en unieke is dat je daar buitengewoon goed kunt eten, dat het personeel vriendelijk en hoffelijk is, dat je zo uitgebreid kunt eten als je wilt, en dat je nooit het gevoel hebt opgejaagd te worden." Waarna hij concludeert dat dit "gejaagde levensritme" uit de belle époque moet stammen: "Het is een versnelling die wij hebben verleerd, juist omdat snelheid in onze tijd altijd gepaard gaat met kwaliteitsverlies."

Toch bekruipt De Kuyper in Terminus Nord een lichte vorm van paniek, wanneer hij tijdens het eten vaststelt dat zijn portefeuille niet meer in zijn binnenzak zit. Is de criminaliteitsgevoelige omgeving van het Gare du Nord verantwoordelijk? "Dat hij gestolen zou zijn, kon ik me moeilijk voorstellen (al had ik Pickpocket van Robert Bresson vaak genoeg gezien om te weten dat men in de omgeving van het Gare du Nord diefstallen volgens heel subtiele strategieën ensceneert, waartegen de meeste beveiligde portefeuilles kansloos zijn)." De garderobejuffrouw brengt raad. Algauw kan de carrousel van Terminus Nord weer met een licht hart worden gadegeslagen: "De obers, alle obers waren elegant en dansten bedrijvig rond, wensten me 'bonne continuation'. Een uitdrukking die misschien ietwat komisch klinkt, maar zoveel prettiger is dan de vraag of het heeft gesmaakt."

Ook schelm-schrijver Jan Cremer schoof ooit de benen onder tafel in een restaurant tegenover het Gare du Nord. Hij kan er niet nalaten stampij te veroorzaken én daarover op te scheppen. Op doortocht naar Spanje gaat hij met ene Claudia "koffiedrinken in het Restaurant des Flandres". Wegens acuut geldgebrek moesten de uitgehongerden "met smachtende blik" "dampende schotels, schore, mosselen en lekkere sandwiches aan onze ogen en neus voorbij laten gaan". Even later "zwichtte" Cremer "bij het zien van de volle kroezen koel bier die overvloedig door omzittenden werden verzwolgen". Uiensoep, mosselen, koppen chocola en cognac completeren de roes. Wie zal de som ophoesten?

"Toen het tijd werd om weer tussen de rails te gaan, zei ik tegen Claudia: 'We gaan nu artikel 3 doen uit Jan Cremers Reishandboek. We hebben niet genoeg om te betalen of moeten morgennacht in Barcelona op straat slapen. Ik begin ruzie met jou. Jij loopt kwaad weg. Ik jou achterna. Ren naar perron zeventien en wacht daar op me. (...) Ik begon ineens tegen haar te schreeuwen: 'Wat denk jij gotverdomme wel met je kale kak? Mij een beetje koeioneren hier? Vreet die kersentaart op of ik gooi 'm op de grond gotverdomme!' Nog wat onzeker stond Claudia op en toen ik siste: 'Vlug loop de zaak uit', deed ze het. Omstanders die onze woordenwisseling hadden bemerkt keken begrijpend, terwijl Claudia de deur uitstoof. Ik bleef verbaasd zitten. Keek wat verlegen om me heen. Stond weifelend op en liet het lege pakje Gauloises op tafel liggen. Toen rende ik achter haar aan." (Ik Jan Cremer. Tweede Boek, 1966)

In het kader van de Boekenweek verschijnt Philip Freriks', 'Gare du Nord. Verhalen over Frankrijk', uitgeverij Conserve. Van W.F. Hermans verschijnt 'De weerspannige slaper, Parijse notities' (samengesteld en ingeleid door Arjan Peters), De Bezige Bij.

'Behalve een literaire voelde ik ook een erotische ontroering' (Adriaan Morriën)'Ik viel languit, honderden Parijzenaars stapten over me heen en weer was er die voor een dorpsjongen superbe sensatie: hier besta ik niet' (Jan Brokken)

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234