Zondag 18/04/2021

Het gevecht van een rebel

undefined

Hij was erbij op 10 februari 2007 toen Barack Obama bekendmaakte kandidaat te zijn voor de Democratische nominatie voor het presidentschap - niet toevallig in Springfield, ooit de woonplaats van een van Amerika’s grootste presidenten, Abraham Lincoln. Hij was erbij tijdens de slopende reeks voorverkiezingen die volgde en uitmondde in een turbulente tweestrijd tussen Obama en Hillary Clinton. Hij was erbij toen winnaar Obama in Denver de nominatie ontving, toen de eindstrijd tegen Republikein John McCain losbrandde, toen de Democratische kandidaat in zijn eigen Chicago als triomfator werd toegejuicht en toen hij in januari 2009 de eed aflegde als 44ste staatshoofd van de Verenigde Staten.Een kleine twee jaar lang volgde Richard Wolffe de politicus die hij in zijn boek steevast ‘the candidate’ noemt op de voet. Als Senior White House Correspondent van het weekblad Newsweek bekeek hij dit politieke spektakel vanop de eerste rij en had hij ook veelvuldig persoonlijk contact met Obama, op wiens aanraden hij trouwens zijn indrukken en ervaringen neerschreef in Renegade: the Making of a President.

Codenaam

Nu heeft ‘Renegade’, de codenaam waaronder Obama bekendstaat bij de mannen van de Secret Service, een nogal negatieve bijklank (‘afvallige’) maar in dit geval wordt er een rebel mee bedoeld. En dat is zeker van toepassing op Barack Hussein Obama, die vrijwel zonder politieke ervaring een gooi deed naar het presidentschap en zich weinig aantrok van politieke geplogenheden. Daarbij is hij nog zwart ook, hoewel hij door zijn gemengde achtergrond ook weer geen conventionele Afro-Amerikaan is. En ondanks, of misschien dankzij, zijn ‘gigantische ambitie’ kunnen we hier spreken, hoe paradoxaal ook, van een ‘voorzichtige en pragmatische’ renegade. Zoals in dit boek herhaaldelijk blijkt.Een boek dat begint op de verkiezingsdag, vorig jaar november, en eindigt met Obama’s eerste maanden in het Witte Huis. Maar de klemtoon ligt op de strijd die daaraan voorafging, op het politieke spektakel in twee bedrijven, dat al in 2007 begon toen Obama en zijn belangrijkste medewerkers, David Plouffe en David Axelrod, de strategie uitstippelden. Een campagne die van zijn ophefmakende openingszege in Iowa, via zijn al even verrassende nederlaag een week later in New Hampshire tot in alle uithoeken van het land werd uitgevochten, met ups en downs, tot Hillary Clinton in juni uiteindelijk de handdoek in de ring wierp. Hoewel Wolffe heel wat primaries onbesproken laat, is hij hier als reporter op zijn best. Sterker nog dan wanneer hij de eindstrijd beschrijft tussen Obama en de Republikein John McCain. Want hij lijkt beter op zijn gemak tussen de Democraten dan wanneer de Republikeinen hun intrede doen in dit boek.

Annus horribilis

Die ‘verslagen van het front’ worden aangevuld met details over Obama’s achtergrond. Maar wat Wolffe schrijft over diens Keniaanse vader en Amerikaanse moeder, zijn jeugd op Hawaï en de metamorfose van ‘Barry’, zoals hij als kind werd genoemd, tot zijn officiële naam ‘Barack’, voegt weinig toe aan wat we al weten - onder meer uit Obama’s autobiografie Dromen van mijn vader. Wolffe schiet pas echt in gang als the candidate in de politiek gaat. In de Grote Politiek dan, want de zeven jaar in de senaat van Obama’s thuisstaat Illinois komen zijdelings ter sprake. Dat grote werk begon met een miskleun, toen Obama in 2000 faalde in zijn poging een zetel in het Huis van Afgevaardigden te veroveren - een nederlaag die hem nu nog altijd dwars zit. Ook in andere opzichten werd dat eerste jaar van dit millennium trouwens Obama’s annus horribilis, want in zijn persoonlijke leven liep het niet goed, hij was niet welkom op de Democratische conventie die Al Gore nomineerde en hij kon zelfs geen auto huren omdat zijn credit card werd geweigerd.Maar aan veerkracht geen gebrek. Vier jaar later was hij meer dan welkom op de Democratische conventie in Boston en de toespraak die hij daar hield maakte hem in één klap tot een landelijke beroemdheid. “I can give a good speech”, weet hij zelf, en dat zou hij nog heel vaak bewijzen. Enkele maanden later slaagde hij er probleemloos in een Senaatszetel te veroveren, maar als de op een na laatste in anciënniteit kon hij zijn stempel niet drukken op politiek Washington. In plaats van geduldig verder te zwoegen, besloot hij om in 2008 deel te nemen aan de politieke Superbowl: de presidentsverkiezingen. Ook al besefte hij “I don’t really have to do this. Because being Obama turns out to be a pretty good gig.”Dat laatste kon niet altijd gezegd worden van de campagne die volgde, want dat werd lange tijd een verhaal van vallen en opstaan. Niet alleen omdat hij een lange en vaak bittere strijd moest uitvechten tegen zijn belangrijkste rivaal Hillary Clinton. Maar omdat, wanneer iemand zo meedogenloos in de schijnwerpers staat, elke fout wordt uitvergroot. En fouten waren natuurlijk onvermijdelijk. Soms kon hij daar zelf weinig aan doen, zoals toen de media ontdekten dat zijn spirituele mentor dominee Jeremiah Wright ooit in een preek de kreet “God bless America” had vervangen door “God damn America”. Obama was duidelijk verscheurd, maar nam toch afstand van Wright. Over de rol van de rassenkwestie heeft Wolffe trouwens interessante dingen te vertellen, zoals zijn thesis dat Obama “in zijn onopgeloste raciale identiteit zijn politieke filosofie en zijn levensdoel vond”. Obama’s foute opmerking dat de blanke arbeiders in vervallen industriële staten “bitter zijn en zich vastklampen aan wapenbezit, religie of antipathie tegen mensen die anders zijn” was heel wat minder handig. En dat juist iemand die zo vurig pleitte voor overheidsfinanciering “om de invloed van het grote geld en speciale belangengroepen in de politiek aan banden te leggen” het roer heel opportunistisch omgooide toen bleek hoeveel geld hij kon verwachten via kleine donaties van privépersonen, is niet bepaald principieel.Over geld gesproken: dat de economische crisis die door geldzucht werd veroorzaakt “het enige slagveld zou worden tijdens de presidentsverkiezingen” had het Obamakamp al snel door. De beschrijving die Wolffe geeft van de ontmoeting die kort na de fatale val van investeringsbank Lehman Brothers plaatsvond tussen een zwalpende president Bush en kandidaten Obama en McCain, is een van de té zeldzame passages waarbij de lezer het gevoel krijgt een vlieg op de muur te zijn. Ook leuk om te lezen: toen Obama na zijn nederlaag in Iowa een peptalk hield waarin hij voor het eerst “Yes we can” riep, raadde zijn (verder zeer begaafde) tekstschrijver John Favreau hem af dat te gebruiken “want ik wil niet dat iedereen ‘yes we can’ scandeert”. Jammer dat al die maanden in het kielzog van Obama niet meer van dat soort anekdotes hebben opgeleverd. En wanneer Wolffe over de relatieproblemen tussen Barack en zijn vrouw Michelle in 2000 schrijft dat er toen “weinig conversatie en nog minder romantiek was. Zij was boos om zijn egoïsme en carrièregerichtheid; hij vond haar koud en ondankbaar” toont hij zich wel bijzonder discreet over de politicus die hij duidelijk bewondert.

Emotieloosheid

Toen Obama Wolffe aanraadde dit boek te schrijven, verwees hij naar de klassieker The Making of a President, waarin Theodore White de campagne beschreef die John F. Kennedy in 1960 voerde. Wolffe gebruikt die woorden als ondertitel, maar hoewel hij best een boeiend beeld schetst van wat er tijdens zo’n verkiezingsmarathon gebeurt, is hij geen tweede Ted White. Niet alleen omdat de tijden veranderd zijn, omdat dit boek minder compleet is en omdat hij als embedded journalist wel erg zuinig is met kritiek. Maar vooral omdat hij niet waarmaakt wat in de hoestekst wordt beloofd: een inzicht geven in “wie Obama werkelijk is”. Ja, de nieuwe president is zelfverzekerd, intelligent en naar politieke maatstaven beschaafd, maar dat wisten we al. Interessanter is wat we lezen over Obama’s (uiterlijke) emotieloosheid, zelfs wanneer er rondom hem wordt getreurd of gejuicht. Een “verdedigingsmechanisme dat hij ontwikkelde toen hij als jongen door zijn vader in de steek werd gelaten”, schrijft de auteur, maar dat mechanisme heeft ook hem, toch een bevoorrechte getuige, gedwarsboomd bij het doorgronden van Obama. Wat Wolffe wel door had, is dat zelfs voor iemand met zoveel charisma en cool de politieke wittebroodsweken niet eeuwig duren. Hij eindigt zijn terugblik op de campagne dan ook met een enigszins bezorgde blik vooruit en hoopt dat Obama “als renegade de natie kan veranderen voordat de hoofdstad van die natie hem verandert”. Obama onderkent dat gevaar, want voor zijn derde grote politieke gevecht in twee jaar, de hervorming van de gezondheidszorg, gaat hij deze maand ouderwets en kleinschalig campagne voeren. Zoals hij deed toen hij zijn verkiezingscampagne begon, in Iowa. Hans Muys

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234