Woensdag 21/04/2021

Het geluk betrappen

De Franse schrijver Philippe Claudel evoceert in 63 korte schetsen het parfum van zijn jeugd. Met zijn autobiografische 'Geuren' zet hij onze zintuigen op scherp. Dirk Leyman

Ze worden stilaan zeldzaam, de Franse auteurs die zich mogen verheugen in een bestsellerstatus buiten de Hexagone. Je moet al Michel Houellebecq, Emmanuel Carrère of Jonathan Littell heten, wil je ook in het buitenland potten breken.

Maar het is de 'provinciaal' Philippe Claudel die zijn collega's een voor een de loef afsteekt. Sinds Grijze zielen (2003), waarin hij tegen het decor van de Eerste Wereldoorlog een kindermoord uitbeende, is de schrijver door de halve planeet in de armen gesloten. Als een hazewind rept Claudel zich tegenwoordig van literair festival naar lezing, hier een vertaling in ontvangst nemend, daar een interview animerend. En ondertussen laboreert hij aan zijn derde film, Avant l'hiver.

Goncourt-jury

Onlangs klom de schrijver-cineast nog een paar plaatsen hoger in de Franse literaire pikorde. Claudel trad toe tot de jury van de Prix Goncourt. Tussen de krasse knarren van de Académie Goncourt moet de vijftigjarige zowaar de jonge garde personifiëren. "Ik vond dat ik al ruimhartig ben bediend door de literaire prijzen, dus werd het tijd om me ten dienste te stellen van de anderen", zo lichtte Claudel zijn demarche toe in de krant Metro.

Toch loopt Claudel niet zo hoog op met de Parijse kongsi's. Het woord 'provinciaal' vindt hij hoegenaamd geen scheldnaam. Meer zelfs, hij gaat prat op de verbondenheid met zijn terre natale in Lotharingen, de regio waar hij ook regelmatig zijn verhalen situeert. Nog steeds woont de auteur in zijn geboortedorp Dombasle-sur-Meurthe.

In zijn nieuwste autobiografische werk, Geuren, grasduint Claudel vrijelijk in zijn jeugd, wat resulteert in een miniatuurtheater vol haarscherp getekende plattelandsfiguren en zintuiglijke ervaringen.

"Ik had een bijzonder geprivilegieerde jeugd", vindt Claudel. "Mijn kinderjaren waren arm, maar niet miserabel. (...) Het was zeer goed." Geuren is dan ook een verrassend opgewekt boek van een auteur die vaak de donkere zijde van de menselijke soort blootlegt.

De leidraad in de drieënzestig schetsen, telkens hoogstens een pagina of vier, wordt gevormd door een geur, een parfum, een olfactorische ervaring. Niet voor niets citeert Claudel een frase van Charles Baudelaire als intro: "Laat me lang, lang, langdurig de geur van je haar opsnuiven, laat me er met mijn gezicht in verdwijnen."

Geuren zetten bij Claudel de herinneringen en de emoties in gang, volgens beproefd proustiaans procédé. Zo komt hij tot een abecedarium, van 'Aarde' tot 'Zwerftochten'. Het genre is hem op het lijf geschreven en heeft in Frankrijk trouwens veel liefhebbers. Denk maar aan Philippe Delerms bestseller La première gorgée de bière et autres plaisirs minuscules uit 1997.

Claudel, bedreven in sensuele, uitwaaierende taal, kijkt daarbij niet op een adjectief meer of minder. 'Bloemrijk' is voorzichtig uitgedrukt voor deze zin, waarin de geur van asfalt wordt opgeroepen: "In de elastische uren van de zomer, op de smalle, met rijp graan omzoomde wegen, graaft de zon tussen de grijze kiezels in de kammen van het asfalt oliezwarte, glinsterende, vettige riviertjes die aan auto- en fietsbanden en aan de zolen van vagebonden kleven." Met veel zwier leidt Claudel ons door het panorama van zijn adolescentie. Een occasioneel cliché kan hij daarbij helaas niet ontwijken.

Op de loer

Hij kijkt toe hoe zijn vader zich scheert ("De muziek van het scheerapparaat is een psalmodie") en ziet hoe het ritueel de zachtheid doet terugkeren en zijn verwekker weer verandert in een baby. Dan vertoeft hij in een drogisterij, om daar een lofzang op vervlogen odeurs af te steken. Vervolgens laat hij de o zo verschillende walmen van de iconische Gitanes of Gauloises-sigaretten in zijn neusgaten prikken. Of hij mijmert over de geruststellende, vertrouwde geuren van geliefden die de slaap deelden. En hoe proefde die eerste felbevochten kus nu weer?

Claudel wentelt zich geregeld in melancholie en nostalgie, maar zonder dat het klef wordt. Hij romantiseert het verleden niet, wél ligt hij voortdurend op de loer om met zijn woordenschat het kleine en het grote geluk te betrappen.

Toch spookt ook de dood veelvuldig door dit compendium, ze krijgt zelfs een apart lemma. Philippe Claudel constateert dat "de dood een huismus is": "Het bed van de dode is vaak het bed waarin hij is geboren, waar hij heeft gedroomd en bemind en zijn liefdes- of slapeloze nachten heeft beleefd."

Zoete gal

Hij begeeft zich op begraafplaatsen, om er de namen van de doden te lezen op de graftomben en ze als een litanie aan elkaar te rijgen. Vooral snuift hij er tegenstrijdige aroma's op: zowel "de lichtere geur van warme rots", maar ook "de misselijke geur van dode planten die een onaangenaam zoete gal in mijn keel opstuwt". Toch beslist Claudel dat hij ooit begraven wil worden in de veilige schoot van de aarde. "Doe mij maar een laatste kuil."

Claudel had iets goed te maken na zijn vorige roman, het ronduit teleurstellende Het onderzoek (2010), waarin hij al te driftig met het moraliserende vingertje zwaaide. Met deze gevoelige encyclopedische rêverie revancheert hij zich met verve.

Philippe Claudel leest op 15 december voor uit eigen werk op de Lange Nacht van het Korte Verhaal in cultuurhuis de Warande, Turnhout. www.warande.be

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234