Maandag 09/12/2019

'Het geld kwam uit Brussel'

De rijke families trokken in de 19de eeuw naar Brussel, want Charleroi had wel industrie, maar geen universiteit of cultureel leven

Biot, Francine, politiecommissaris. Dat is de - voorlopig - laatste naam die aan het lijstje geschorste en al dan niet al formeel van gesjoemel beschuldigde politici en ambtenaren van Charleroi mag worden toegevoegd. Zij zal worden opgevolgd door Tratsaert, de onbesprokene, maar dat werd eerder ook van Biot gezegd. In het Maison de la Presse van Charleroi, strategisch gelegen recht over het gerechtsgebouw, wordt alles met aandacht gevolgd. De lokale collega's worstelen er tegelijk met gevoelens van schaamte en van journalistieke trots: schaamte omdat deze grootste stad van Wallonië altijd maar zieker lijkt te zijn dan ze al was, trots omdat dankzij de 'affaires' de lokale pers zich van een loodzwaar politiek juk kon verlossen, en niemand meer spaart.

Alles begon bij ene schepen Despiegeleer. Later volgden een compleet schepencollege, een burgemeester (Van Gompel), een gemeentesecretaris en de gemeentelijke ontvanger, diverse hoge ambtenaren, maar ook een bedrijfsleider met de naam Vandezande. Als gevolg van dat alles functioneert het ambtelijk apparaat van Charleroi niet meer, en dat is de stad meer en meer aan te zien, bijvoorbeeld in de onmiddellijke omgeving van het Expogebouw, ooit de trots van de stad, nu een openbare stortplaats.

Despiegeleer, Van Gompel, Van Dijck (schepen geweest), Vandezande, Van Cauwenberghe junior (die wacht op een proces wegens slagen en verwondingen) en natuurlijk Van Cauwenberghe senior, die stoïcijns blijft zeggen dat bij al wat na 1995 is gebeurd (toen hij Waals minister-president werd) hij geen enkele verantwoordelijkheid draagt. We zullen zien. Maar als ik dat lijstje overloop, dan valt mij altijd - noem het beroepsmisvorming - de Vlaamse klank van de familienamen op. Nu duikt dus een Tratsaert op. Je kunt eruit besluiten dat de integratie van de (voorouders van) deze allochtonen wel bijzonder goed is verlopen. In Luik heten of heetten ze overigens Reynders, Cools, Onkelinx, Demeyer (de huidige burgemeester), van gesjoemel is daar geen sprake.

Maar waarom is Charleroi zo ziek?

Er bestaat, wat Charleroi betreft, een andere lijst met namen, namen die ginder iedereen kent, namen als Delhaize, Cornet, Dupuis, Mestdagh, Bufquin des Essarts, Chavepeyer, Paulus de Châtelet, Tirou, de Dorlodot, Mayence.

Niet toevallig dragen de grote boulevards van Charleroi die namen. Het zijn die van de grote industriële families die Charleroi hebben gemaakt, en die bijna alle Charleroi hebben verlaten.

In Le Vif/L'Express werd op de oorzaken van de 'ziekte' van Charleroi ingegaan door Jean-Louis Delaet, historicus en directeur van de bekende mijnsite Bois du Cazier. Zijn analyse is zowel sociologisch als historisch interessant. Delaet - let op de klank van de naam - ziet in het feit dat de grote boulevards hun namen dragen een "huldeblijk van de stad aan diegenen die de stad hebben gemaakt". Deze "grandes familles"' arriveerden in de 19de eeuw in Charleroi, of waren er al bedrijvig in de ontluikende industrie, en namen met overtuiging en bewust deel aan wat later de industriële revolutie zou worden genoemd. Zij investeerden in, fabriceerden en verkochten glas, steenkool, ijzer, maar ook touw en nagels. Er werd in deze kleine kring bewust onderling gehuwd. Zij werden burgemeester, Kamerlid of senator. Zij waren Charleroi.

Maar, zo merkt Delaet op, al van bij het begin van de 19de eeuw bleek dat de financiële autonomie van de families niet groot genoeg was om hun groot project te dragen. Voortaan 'kwam het geld uit Brussel', van banken als de Banque Lambert en de Société Générale de Belgique. In 1850 al behoorden 21 van de 24 hoogovens in Charleroi aan vier maatschappijen die door de Société Générale et de Banque de Belgique werden gepatroneerd. In ruil daarvoor kregen vele zonen van de families (de dochters volgden veel later) belangrijke posten in Brussel. De families zelf trokken bijna alle één na één naar Brussel, omdat Charleroi alleen industrie had, maar geen universiteit, geen cultureel leven: het stadhuis werd pas in 1936 gebouwd, de 'Beaux-Arts' in 1957. Al vanaf 1940 begon men vanuit 'Brussel' kapitaal uit Charleroi terug te trekken, om elders te investeren, bijvoorbeeld in het industrieel ontwakende Vlaanderen.

"Charleroi was dus enkel een plaats waar men toevallig voorbijkwam" ('un lieu de passage'), zo besluit Delaet zijn analyse. En daarom hebben de Van Cauwenberghes, de Viseurs en de Tratsaerten het vandaag zo moeilijk: je vervangt niet zomaar de Chavepeyers of de Dewandres van gisteren, laat staan de Bank Lambert of de Generale Bankmaatschappij van altijd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234