Vrijdag 06/12/2019

Het geheugen van de stenen

Pierre Platteau / Foto's Filip Claus

Traag, onbegrensd traag, gaat de deur open. Het gezicht dat tussen de smalle kier verschijnt, het gezicht van mijn moeder, kijkt mij recht in het gelaat, geeft secondenlang geen blijk van herkenning. Ik verkil. Is er iets wat ze me kwalijk neemt? Ik zoek, maar vind niks, we hebben allang geen gemeenschappelijk geheugen meer. Achter in het huis klinkt geblaf, het machteloos schrapen van hondenpoten tegen een gesloten deur. Mijn moeder blijft me aanstaren. Ten slotte, alsof een onzichtbare kracht de herinnering in haar hoofd losbeitelt, ontspannen de trekken zich. De grimas van altijd aanwezige pijn vormt zich, kort, tot een glimlach, haar doffe ogen lichten op, onder de gezwollen huid krijgen de wangen even echte kleur. Ze maakt zich nog altijd op als dertig, veertig jaar geleden, en daarom ziet ze er tegenwoordig uit als een uitdrukkingsloze gepoederde pop, waaronder het leven toch tekeer is gegaan. Ik buig me over haar heen voor een omhelzing, maar ze kust niet terug. Van de grijze trui die ze haastig over haar schouders sloeg om de voordeur te komen openmaken, wiebelt een mouw tussen ons in, wanneer ze snel de deur weer sluit.

"Kom vlug binnen", zegt ze. "Mama heeft kou."

Snel trippelt ze tot aan het einde van de gang, als ze daar de deur van de salon opent, stormt een kleine zwarte hond op me af, holt om mijn benen heen, frenetiek achter zijn eigen staart aan, en springt dan omhoog terwijl hij met zijn harde nagels krassen maakt over mijn blauwe pak. Met gebogen schouders staat ze ernaar te kijken.

"Dolleke! Dolleke!", vermaant ze gelukkig.

Een paar weken geleden stierf haar lievelingshond Dolly, een groter dier, maar met dezelfde spitse zwarte snuit die bij opwinding een stuk van de boventanden vrijliet. "Kijk, hij lacht!", wees ze dan telkens. Toen hij doodging vulde zijn afwezigheid haar dagen met verdriet, en mijn zus en mijn stiefvader zetten haar aan om meteen een nieuw dier te kopen. "Ik wil niet!", schijnt ze gekrijst te hebben, terwijl ze haar op de plaatselijke dierenmarkt in de rug voortduwden voorbij de lage kooien van honden, katten, duiven. "Dolly! Dolly!", jammerde ze, tot ze een soort dubbelganger aantrof, maar kleiner, en hem met één lettergreep verschil in haar leven van gewoonten opnam. Nu kijkt ze vertederd hoe hij tegen me opspringt, en murmelt, meer tegen hem dan tegen mij: "Dolleke is een schavuit." Dat zei de hondenverkoper, en ze zegt het hem steeds maar na, ze maalt allang niet meer om een grote keuze aan woorden.

Lange tijd heb ik haar honden - Dolly, en daarvoor een halfblinde op de steenweg gevonden buldog, en nog daarvoor een wit-bruine foxterriër genaamd Mascotte - voor me uit geschopt, maar nu ik goed weet dat alle plaatsvervangende strelingen bij zo'n dier terechtkomen, ben ik daarmee gestopt. We gaan de salonkamer binnen. "Je zit hier", zeg ik, terwijl ik rondkijk.

Hier, dat zijn de dooreenlopende salon, eetkamer en keuken van mijn zus en zwager, aan wie het huis toebehoort en die zelf de benedenverdieping en de hoogste etage in gebruik hebben. Alles is er tot op de millimeter geschikt: vooraan de lage tafel met eromheen de bleke stijflederen fauteuils en het televisiemeubel waarvan het toestel in de kast verstopt zit. De grote tafel met de bijpassende stoelen, overal er precies even ver ondergeschoven, en de buffetkast waarop, als ze over een paar weken dood zal zijn, een uitvergrote foto van mijn moeder, in een protserige lijst geplaatst zal worden. Al het donkerbruin in deze kamers wordt nu even heller gekleurd door binnenvallend zonlicht, dat ook reflecteert op het alomtegenwoordige, op alle kasten, in alle hoeken, op het raamkozijn en de schoorsteenmantel, uitgestalde tin. Het lijken, denk ik, als zoveel blinkende tralies, en ik herhaal mijn vraag: "Je zit dus hier."

Ze heeft de trui nu aangetrokken, knoopt ze dicht.

"Voor de kou", fluistert ze. "Boven is het toch zo onmenselijk koud. Weet jij wel wat dat is, altijd maar door dat trapgat moeten? Van de keuken, terwijl ik nog bezweet van het koken, de trappen op naar de salon! Dan voel ik zo de kou op mij vallen!" Ze siddert, en draait de radiator lager. "We zullen zo meteen naar boven gaan." Zuinig wacht ze, laat mij mee wachten, tot de kou hier de warmte overheerst, om weer naar haar eigen verdieping te gaan. De hond heeft zich op een kussen genesteld.

"Hoe is het?", vraag ik.

"Goed", antwoordt ze.

"Echt alles goed?", dring ik aan.

Ze haalt haar schouders op. "Hoe zou het moeten zijn? Altijd hetzelfde."

Ik besluit om mijn stilaan opkomende woede nu los te laten. "Wat wil dat zeggen, altijd hetzelfde?"

Ze wil er nog niet op ingaan, haalt alleen weer haar schouders op. "Altijd hetzelfde", herhaalt ze koel. Maar omdat ze weet wat er gaat komen, wordt ze nerveus en hoest. Dezelfde hoest van altijd die vochtig uit haar lippen spat, maar hol weerklinkt in haar ingevallen borst.

"En je gezondheid?", vraag ik vals.

Ze knikt hijgend.

"Je staat er nochtans weer bij met een sigaret", boor ik verder. "En die hoest, dat is zeker een muziekje? De hoeveelste is het al vandaag?"

Ze doet een trek. "Dat is het enige wat ik nog heb. Wat rest er mij anders nog?"

Het klinkt zakelijk, maar ze rekent op mijn tolerantie. Om goed het terrein te kunnen overzien, laat ik haar vertellen over haar dagelijks leven. Dankbaar om mijn bereidwilligheid begint ze de klachten op te sommen, onderstreept die met verontwaardigde, maar in aanzet gebroken gebaren. Eigenlijk is zij helemaal alleen in dit grote tochtige huis. En zij heeft er zich nooit thuis gevoeld, ze is er komen wonen voor Vera en Raoul. Niemand geeft echt om haar, tenzij om haar te gebruiken als meid voor alle werk. De wekelijkse schoonmaakbeurt. De was en de strijk, en haar rug die zo'n pijn doet. Mijn zus, die de gezamenlijke winkelnamiddag waar ze iedere zaterdagnamiddag zo naar uitkeek, plots tot een maandelijkse terugbracht. Mijn stiefvader Cyriel, die op een hele godganse dag nog maar amper een bakkes opentrekt tegen haar. 's Avonds zitten ze stom naast elkaar het halfachtjournaal te bekijken, daarna gaat ze maar in bed liggen lezen. Alleen. Want nooit is hij geïnteresseerd in dezelfde programma's als zij, en wanneer hij, onder het zappen, bij een Duitse zender terechtkomt, flitst hij meteen treiterig weer weg. En eten dat hij doet, altijd maar eten. Traag mimeert ze hoeveel hij eet tijdens, en nog meer, tussen de maaltijden. "Het is degoutant", besluit ze.

"Wat lees je dan in bed?", vraag ik.

"Nu ben ik een roman bezig", antwoordt ze vlijtig, "van Lilli Palmer. Je weet wel, de actrice. Wist jij dat zij een joodse was? Indertijd..."

"Wat is de titel van dat boek?", vraag ik.

"...in Duitsland werd daar zelden over gesproken. Maar..."

"De titel", zeg ik. "Ik vraag de titel."

Ze aarzelt. "Ik geloof dat het iets met 'nacht' is", meent ze, me hulpeloos maar nog steeds vol vertrouwen aankijkend.

Ik besluit om haar nu de volle laag te geven. "Nacht!", sis ik schamper. "Nacht, zo donker als je nicotinelongen, zeker? En wat zijn dat voor verhalen die je me altijd moet vertellen? Ik hoor al jaren niks anders!"

"Dat is niet waar!", gooit ze er vlug tussen.

Ik verhef mijn stem.

"Je woont hier niet graag, maar je blijft er wonen. Je wilt winkelen, maar als Vera niet gaat, jij dus ook niet meer. Om acht uur kruip je in je bed als een larve! Zeg mij eens: waarom leef jij eigenlijk nog? Met dit soort leven kun je evengoed dood zijn! Waarom? Hé!"

Ze negeert de heftigheid van mijn uitval. "Ik zou af en toe wel eens graag uit rijden gaan. Is onze auto geen prachtig bieke? Mensen hebben daar al veel geld voor geboden. Maar Cyriel laat hem maar in de garage staan, hij wil nergens meer naartoe."

"En treinen?", tier ik. "En trams! En bussen! Zijn die er niet?"

"Maar hij wil nooit met me mee!", schreeuwt ze terug.

"Ga dan alleen!", hak ik.

Ik weet dat dit het moment is waarop ze telkens breekt. Inderdaad. Ze begint te hikken van verdriet, en tranen die ze me niet wil bekennen, wellen in haar ogen. Ze neemt een zakdoek, verfrommelt hem al in haar handen, nog voor ze haar ogen bet.

"Daarvoor ben ik toch niet getrouwd! Om alleen te moeten leven!", roept ze opstandig. Dan weent ze stil voort. "Ik zal niemand niks meer vertellen. Niemand zal nog iets weten van mij."

Haar tranen generen me, telkens opnieuw, en ik spreek de zin uit die ik van haar leerde: "Ik zeg dit voor je goed, ma. Omdat ik wil dat je gelukkig bent."

Ze snuift, nog altijd gekwetst, maar gaat dankbaar in op mijn teken van einde der vijandelijkheden. Met haar roodomrande ogen kijkt ze naar me op.

"Ik zal je zeggen", fluistert ze. "Ik kan niet meer... Ik durf niet meer ergens alleen naartoe gaan. Ja, hier in de gemeente. Naar de winkel. Of een toertje wandelen met Dolleke. Maar naar de stad! Een metro nemen!"

"Je moet niet overdrijven", zeg ik.

Met getuite lippen zuigt ze lucht naar binnen. "Ik heb schrik gekregen van álles. Laatst stond ik in de lift in de Inno. Je weet hoe graag mama in de winkels rondloopt. Plots viel het weer over mij! Het koude zweet brak me uit. Ik dacht dat ik nooit meer buiten zou geraken. Ik dacht dat ik nooit meer thuis zou raken!"

Ze strekt haar hand, die ze overdreven laat trillen.

"En dan beef ik zo."

Weer vol vertrouwen kijkt ze naar me op. "Dat is pas onlangs zo gekomen. Vroeger had ik dat niet. Je weet toch hoe ik vroeger was."

"Gaan we niet naar boven?", vraag ik. "Is er koffie?"

"Ik zal je een filter opschenken", zegt ze goedig. "Kom, Dolleke!"

De hond springt razendsnel recht wanneer ze de deur opent, en holt vierklauwens de steile trap op, hier en daar een trede missend. Ik loop achter mijn moeder, en moet mijn tred aanpassen aan haar onregelmatige stap. Vlak voor me zie ik hoe de blauwe pantoffels die haar kousenvoeten omsluiten, telkens voorzichtig een steunpunt zoeken, en ik hoor haar hijgen. Op de tussenverdieping duwt ze de deur van de keuken open. Daar staat een ouderwets gasfornuis in een hoek van de kamer, een lage, zware, oude gootsteen is bevestigd in de andere. Daartussen is het raam dat uitziet op de achterzijde van hun slaapkamer en op de aanzet van de smalle, langwerpige tuin. Tegen het raam is de tafel geschoven, waarop met plastic klemmen het afwasbare tafellaken is bevestigd.

Mijn moeder neemt een metalen filter uit de kast, vult hem zorgzaam met kleine schepjes koffie. Ik duw de aangrenzende deur open, de tot badkamer herbouwde stalling, waar ook haar wasmachine staat, en de wc. Boven op de toiletkast liggen de plaatselijke reclamebladen waartussen Cyriel heimelijk, maar ze weet het toch, zijn kleine seksblaadjes verstopt. Ik loop weer de keuken door waar ze nu staat te wachten met gekruiste armen, afwezig glimlachend, tot het water kookt.

"Ik ga al naar boven."

"Hij is weer zo ongedurig, hé Dolleke!"

De woonkamer is kil. De deur gaat nooit meer wijdopen omdat daar de muziekinstallatie staat, een oude platendraaier met boxen en een zware bandopnemer. Sommige platen liggen, als steun tegen andere die rechtop geklasseerd staan. Op rood-witte dozen schreef Cyriel met zwarte stift wat er op de geluidsbanden staat: Heinz Hoppe, Helmut Zacharias, James Last, Willy Schneider, Gasparone. Daarnaast staat er een fauteuil met, in het midden, het kussen voor de hond. In de glazen kast staan serviezen uitgestald, en een open doos met zilveren bestek tegen roodfluwelen bekleding. De biscuit figuurtjes waar mijn moeder zo van houdt: een herder, een herderinnetje, een oud echtpaar op een bank. Boven op de kast staat de met goud afgezette kristallen vaas die ze kreeg toen ze, na zestien jaar samenleven met Cyriel, toch nog officieel met hem trouwde. Typisch, er is bij het blazen een fout gebeurd, waardoor een van de bovenste inkervingen lelijk naar buiten stulpt. Onder de televisie ligt het programmablad geschoven, open op de dag van gisteren, en enkele magazines die mijn moeder af en toe koopt: Das Neue Blatt, Hör Zu.

Ik kijk naar buiten. Voor het huis de bochtige weg die zich, hellend, dalend, van het ene naar het andere kruispunt slingert. Ergens, onzichtbaar van hier, komt hij wel uit in een groener stuk van het Pajottenland. Achter de huizen aan de overkant, allemaal in open bebouwing, zijn alleen rokende fabrieksschouwen zichtbaar, platte hypermarktgebouwen en, tegen de horizon, flatgebouwen gevangen in een wolk van smog. Vaak heb ik me afgevraagd waarom ze, na een half leven in de drukste, levendigste gemeenten van Brussel, Sint-Jans-Molenbeek en Anderlecht, later steeds is terechtgekomen in die zielloze randwijken van Drogenbos, Ruisbroek en nu Alsemberg. Na haar dood zal me een licht opgaan. De straten rondom Solingen waar ze opgroeide, met namen als Meigen, Dorperstraße, Richard Wagnerstraße, waren qua structuur en sfeer embryo's voor deze laatste domicilies uit haar leven. Ik weet dat ze hier zal sterven. Ik voelde het toen ik meehielp bij de verhuizing, en even alleen stond in deze kamer, nog voor het bloemetjespapier tegen de muur plakte. Het besef dat dit haar laatste huis zou zijn als een zekerheid over me heen. Een insect, dacht ik. Een insect in een dichtgeschoven luciferdoos. Ze komt binnen met de koffie.

"Jij geen koffie?", vraag ik.

Ze haalt haar portemonnee uit een lade, opent de knip.

"Ik moest een nieuwe foto laten maken voor mijn busabonnement", zegt ze. "Kijk eens."

Ik neem de pasfoto aan. Ze flatteert niet maar heeft de werkelijkheid gevat. Ongenadig. Het dunne bruine haar, tot dor volume geföhnd. De zware wallen onder haar ogen. De vermoeide, maar nog steeds uitdagende blik achter de bril. De mond staat lichtjes open omdat haar laatste gebit nooit goed paste, en zo steken haar onderlip en kaak naar voren. Het doet me denken aan een ouderwetse koffiemolen waarvan de lade niet goed dichtschuift. Ik zie de aanzet van wat ze droeg, de dag van deze foto: een donkerblauwe wollen blouse, met een wit lijntje geborduurd aan de hals. De lens heeft ook haar moeilijke ademhaling gevat. Ze ziet er uitgeput uit, van het poseren in zo'n klein hokje.

"Sta ik er niet schoon op?" ,vraagt ze trots, speels.

Ook dat heeft me jarenlang geïrriteerd, dat kinderlijke, kirrende stemmetje, in contrast met de vrouw die ze geworden was. Tot ik leerde hoe ook dat weer zijn oorsprong vond in haar jeugd. Hoe oud was ze toen Goebbels, tot op het laatst, boven de gebombardeerde steden nog, die vergiftigde films losliet? Tweeëntwintig. Die films waarin Marika Rökk, Ilse Werner en Kristina Söderbaum erin slaagden alle symbolisch aan de oorlog verbonden hindernissen te overwinnen met hun wapen van praktische, kindvrouwelijke, ijzersterke seksuele monterheid.

Ze slaat mijn reactie gade. Ik wil zacht spreken, maar mijn stem klinkt nu alleen maar toonloos. Ik geef haar de foto terug.

"Je hebt kleur genomen", zeg ik.

Ze doet nog even het kindvrouwtje, een grimas die door haar oude masker heen scheurt.

"Mama wou in kleur!", mokt ze.

De laatste persoon met wie ze vriendschap sloot was de Comtesse. Geen gravin, maar wel de dienstbode van een gravin. Hun tuinen paalden aan elkaar, en als het weer het toeliet zaten ze toch nog bleek en rillerig onder een bain de soleil de stand van de wereld te bespreken. De Comtesse ging een zorgwekkende oude dag tegemoet, want de gravin had altijd al verzuimd om sociale lasten te betalen en, ze waren het erover eens, die verarmde adel zou totáál geruïneerd worden door via een proces al dat achterstallige geld op te eisen. Mijn moeder en de Comtesse ontfermden zich over de gravin: boosaardig keek die toe hoe twee reumatische dames haar huis telkens weer op orde brachten, en sandwiches mee hadden. Telkens beloofde ze: "Volgende keer zullen we samen koffie drinken!", maar koffie noch voorouderlijk servies werden ooit bovengehaald. Mijn moeder gnuifde toen ze het huis verlieten: misschien heeft ze wel geen koffie, en heeft ze het servies al moeten verkopen. De Comtesse sprak dat pro forma tegen, maar arm in arm geven ze elkaar gelijk. Wat zij hadden opgebouwd hadden ze allemaal zelf gekund, van niks begonnen, maar zie nu: de verwarming zonder angst laten aanstaan, het licht op de gang mag blijven branden - ze hadden een goed leven verkregen.

Toch was het hoogste compliment, en waarom ze het deden, iedere week opnieuw: dat moment dat de gravin in haar okerrode, verkreukte blouse hun hand vastnam, en sluw opmerkte: "Wat is het goed om in deze tijden met deftige vrouwen om te gaan!"

Ze waren in hun deftigheid gewikkeld als in hun verleden.

Een paar uur nadat de monitor op de intensive care-kamer nog enkel een vlakke streep toonde, liep ik door de straten waar we ooit wat leven gedeeld hadden. Het geheugen van de stenen. De escargotdame waar ze, voor haar nieuwe gebit, altijd een portie at stond er nog. Ik kon niet anders dan zeggen waarom ik daar liep. De escargotdame sprak de éloge die mijn moeder het liefst van al gehoord zou hebben: "Votre maman était une femme très convenable!"

Mijn moeder leerde ik pas goed kennen toen ik een kind was. Verrukt keek ik toe hoe zij, als een mooie goochelaarster, de weekdagen naar haar hand zette. Glimlachend vertrok ze, vroeg of laat, naar mysterieuze bestemmingen waar ze, zo zei mijn grootvader, werkte om ons in leven te houden. Soms gingen we haar, altijd heel even maar, opzoeken en zag ik hoe ze snel maar precies hemden waste, uitwrong en streek, en van grote tafelkleden de broodkruimels wegwapperde, hoe haar werkgevers, zelfs de meest norse bazin, haar om die inzet beminden. Zelfs in deze eerste vredesjaren inspireerde haar Duitse nationaliteit niemand meer tot haat.

Op een keer nam mijn grootvader me mee tot aan de voet van een imposante grijze fabriek. Achter de haag wachtten we, keken omhoog naar het minuscule raampje waar ze op de afgesproken tijd zou verschijnen. Het duurde lang. Normaal, legde mijn grootvader me uit, ze mocht immers niet weg van haar machine, haar collega's zouden even haar werk overnemen opdat ze naar ons zou kunnen zwaaien. Ik was geschokt toen ik haar zag: in die lichtblauwe werkblouse, met die rare pet op haar hoofd, verschilde ze in niets van de andere vrouwen om haar heen. "Waarom dragen alle vrouwen een tulband?", vroeg ik.

"Dat is geen tulband, zot!", schaterde ze.

Een sirene snerpte hen terug naar binnen. Toch vertrouwde ik erop dat ze straks weer dezelfde, die andere - mijn moeder - zou zijn.

Ik leerde haar pas goed kennen toen ik kind was, en het duurde niet lang: haar dynamisme verpulverde, de taal die ze bereid was geweest te leren werd een hortend, vermoeid, en ten slotte gelaten gebrabbel van verschillende nationaliteiten en steden onder elkaar. Haar haar en teint werden dof. De man die deze verandering, die nederlaag in haar had bewerkstelligd, was de man van wie ze hield, mijn vader.

Met de montere, haast kinderlijke zakelijkheid die haar ook kenmerkte, aanvaardde ze het een tijdlang als een logisch verlengde van de oorlog dat hij zo boosaardig was teruggekeerd. Ze noemde het verdriet dat nog wat duurt. Ze haalde aan hoe ze elkaar hadden leren kennen in die bunker: bij de eerste sirenes was zij er meteen naartoe gerend, in schort nog. Hij kwam later binnen, in zijn piekfijn uniform. Voor een Vlaming sprak hij goed Duits.

Ze begreep wel zijn wrok, maar vertrouwde erop dat hij nu vlug die nutteloos geworden politieke dromen zou opgeven. Ze was tolerant over het feit dat zijn verblijf in de gevangenis hem wantrouwend en jaloers had gemaakt, ze incasseerde zijn slagen. Ze leerde ons rekening te houden met zijn gewelddadige woede-uitbarstingen. Het was niet anders dan de bombardementen die in november 1944 het oude hart van haar geboortestad Solingen hadden vernield. Zo was het, ja. Ze zong: "Es geht alles vorüber, es geht alles vorbei", en dan keek ze glimlachend naar mij. "Slechte mensen hébben geen liedjes." Ze weerstond zijn blik vol haat. Wij maken wel een goed leven, beloofde ze.

Terwijl ik deed alsof ik met mijn rode speelgoedautootje bezig was, begreep ik het moment waarop ze besloot hem te verlaten. Er kwam gestommel uit hun slaapkamer, ik hoorde iets vallen, en dan slaakte zij een kreet, een snerpende, door merg en been gaande kreet. Haar stem deinde uit, blubberend tussen snot en tranen, haast dol van wanhoop klonk ze. Al het geld dat ze had kunnen sparen, scheurde hij nu voor haar ogen in snippers. Ze jammerde als een gewond dier. Een ultiem verdedigingsmechanisme overtuigde haar dat ze nu weg moest, dat ze het gedroomde Wirtschaftswunder op de vierkante meter zonder hem moest opbouwen. Ze ging weg, maar het verhaal vervolgt helaas zo: tot ze stierf, bleef de schaduw van de oorlog over haar.

Het zijn hier allemaal straten met bloemennamen, huizen zonder bloemen. De geharde weg leidt naar de eerste van drie sociale flatwoningen, gebouwen die erbij staan als kartonnen bunkers. Vuilgeel. Frau von Papens stem knispert hijgend door de deurtelefoon. "Vierde verdieping!", commandeert ze.

Maar ik vind de lift niet. De benedengang voert langs vele deuren die overvloedig genummerd zijn - dit is tenslotte Duitsland - maar er komt geen einde aan de transit. Ten slotte vinden twee Turkse pubers me die me feilloos naar Frau von Papen brengen. Die steekt me ongeduldig haar stok toe: "Kom vlug binnen, want ik ben ziek."

Haar rommelige, armoedige kamer is niet geluidsdicht, door de flinterdunne muur hoor ik discussies, een schreiend kind, een spoelbak. Frau von Papen wil me best vertellen over de tijd dat zij samen met mijn moeder in de fabriek werkte. Bij Oscar Jenisch, ja, die bestaat nog. "We leverden bouten en schroeven en moeren voor de Wehrmacht." Frau von Papen blaast minachtend haar rode, ongezond bolle wangen op: "We waren nog zo jong!"

Mijn moeder komt niet tot leven onder haar woorden, hoogstens ontwikkel ik mentaal een oud-modieuze zwart-witfoto.

"Buiten de fabriek zagen we elkaar alleen maar om de veertien dagen, wanneer het vergadering was van de Bund Deutscher Mädel." Frau von Papen glimlacht. "Dat was de vrouwelijke afdeling van de Hitlerjugend. Dat was verplicht." Ik glimlach ook. Dat weet ik.

"Maar daar gebeurde niks hoor. De Gauleiter was niet eens fanatiek. We keken naar een film. De Brokkenpiloot. Of we maakten een tocht door de stad. Ik vergezelde haar dan telkens weer naar huis, naar de Schutzstraße."

Hoe was mijn moeder voor ze mijn moeder was? Frau von Papens herinneringen zijn stroef onder obligate woorden. "Heel plichtbewust. En toch altijd vrolijk."

"Praatte ze over jongens? Danste ze graag? Van welke muziek hield ze?"

"Jongens!", briest Frau von Papen kwaad. "Mijn man is gesneuveld in Rusland. Anders zou ik hier niet zitten in deze Scheißezimmer tussen Scheisseausländer!"

Plots ontspant haar gezicht. Ze krijgt pretoogjes die wegzinken achter een wal van wang. "Op een keer waren we gaan dansen in Schloß Burg. Ik geloof dat ze toen echt verliefd werd. Een jongen in uniform, hij was zeker in verlof, hield haar nauwkeurig in het oog. Zij keek terug. Ze glimlachten naar elkaar. Ten slotte had die moed genoeg verzameld om haar te komen halen voor te dansen. Uw moeder keek haar ogen uit, ze schrok. We giechelden en lachten alle twee. Er kwam geen einde aan die jongen! Hij was over de twee meter lang! Uw moeder proestte het uit. Dat vond ze werkelijk te belachelijk, zo'n model. Zo iemand wilde ze niet. Schade."

Twintig centimeter minder en ik was niet geboren.

Ik zit in café A l'hélice op de hoek van de Odonstraat en het Adolphe Lemmensplein. Aan de andere hoek van de straat liep ik haar ooit tegemoet omdat ze overuren had gemaakt in de Vache Qui Rit en het dus niet kon weten: Caryl Chessman was toch geëxecuteerd.

De schroef van de helikopter hangt nog altijd boven de plaats waar ooit de vernikkelde oude toog stond, maar die is nu weggehaald en er is niks voor in de plaats gekomen. Het geeft het café dat nog altijd café is de sfeer van een uitdragerij. Een paar jongens drinken limonade aan een tafeltje nabij het venster. Ze dempen hun stemmen omdat ik er zit. De jonge baas bejegent me eerst wantrouwig, maar weet niet meer wat te denken als ik een whisky vraag, en hem dan ook nog opdrink. Het tweede glas zet hij minder uitdagend neer, hij is er nu wel zeker van dat ik geen flik ben.

Ik kijk naar buiten en het geheugen van de stenen komt over me. Dit was een café zoals er veel waren, één graad van deftigheid hoger dan het normale buurtcafé. Met nieuwjaar werden er papieren hoedjes opgezet, confetti gestrooid, en in rijen, armen op de schouder van wie voor host, rond de opzij gezette tafels en stoelen gehost. En elk jaar zou beter zijn dan het vorige. Het volstond hard te werken. Dan kwam alles vanzelf. Geluk, status, toekomst.

De paradox tussen die herinnering en de aanblik van hoe de straat er nu bij ligt is vrij ondraaglijk. Ik stap naar buiten.

Langs de Zeemtouwersstraat, waar de eerste vestiging van Sobemi was. In de jaren vijftig en zestig werden er vrouwen uit Italië en Hongarije aan het werk gezet, onder andere om blikken dozen te vervaardigen. De directie, dat wist heel de buurt, maakte een potje van de veiligheidsvoorschriften. Gillend, geschrokken en geschokt tot in het diepst van haar ziel stormde ooit een Italiaanse vrouw de straat op om omstanders haar bloedende, verminkte hand te laten zien. In het café aan de overkant wordt nu onderhandeld over de verkoop van gestolen auto's.

De Ecole de la Providence oogt afwerend. Schuin aan de overkant is het kruidenierswinkeltje van monsieur Tata, een zachtmoedige homofiel, altijd op geruite pantoffels, nu voor eeuwig gesloten.

Het café waar de laatste Belgen van de buurt de laatste hatelijke carré vormden, heeft het opgegeven. FN heeft alleen nog onzichtbare wortels hier.

De straten zijn verlaten, ook de Odonstraat waar mijn moeder langzaam haar sociale opgang bewerkte, overuur na overuur, en steeds een nieuw stukje meubilair. Twee huizen verder is er een moskee, aan de woning zelf wordt nu gewerkt. Ik zie dat kamers doorgeslagen werden, een oude en jonge Marokkaan dragen spullen naar binnen. Zwijgend zien ze mijn doelloos slenteren aan. Niet vijandig, niet nieuwsgierig. Toch vragend.

Eerst wil ik niks zeggen omdat ik vind dat het hun zaken niet zijn, maar... Als je iemand op een verlaten landweg ontmoet, en hem niet groet, dan beledig je hem. Ik loop op de oudste man toe en zeg dat ik hier vroeger heb gewoond.

Hij drukt me de hand en wijst met open handpalm naar binnen. "Allemaal nieuwe zaken", zegt hij. "We maken een goed leven."

Vanaf volgende zaterdag vindt u 'Het geheugen van de stenen' om de twee weken in De Bijsluiter.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234