Vrijdag 20/05/2022

Het geheugen van de stenen

Namiddag in Borgerhout

Deze straat, deze huizen die nu als mokkend zwijgen onder de onophoudelijke motregen tot leegstand zijn uitgewoond, bieden nog maar weinig herkenbaarheid met hoe het er hier vroeger uitzag, ooit, een momentopname halfweg de jaren zestig. Het was een zomernamiddag, zinderend begonnen, maar daarna loom, drukkend - het was alsof de plaveien mee lucht verdampten, bijna niemand op straat. Enig soelaas boden de buurtcafés: voorbij hun open deur lonkten de frisse tegels, er dwarrelden stofdeeltjes boven de vernikkelde toonbank, een in het voorbijgaan opgemerkte pas getapte pint straalde als een miniatuurzon. Maar ik had niet genoeg geld om naar binnen te gaan. Ik verbleef nog niet lang in deze stad, stapte maar rondjes en rondjes om haar te leren kennen, zag mensen op bussen en trams wachten, in de rij staan voor de bioscoop, boodschappen doen - dezelfde levens leiden als elders, maar in een ander dialect. Omdat ik geen referentiepunten had volgde ik alsmaar de tramsporen, en slaagde er zo in om na een tijd, de stad en haar voorgeborchten te ontwarren tot knooppunt van mezelf.

Mijn kleren pasten niet bij deze hitte, maar ik had er geen andere. Ik droeg een winterpak waarvan ik me afvroeg in welke bui ik het wel had gekocht: het was bruin met kanariegele strepen. Het hemd paste erbij, dácht ik, evenals de rafelige das. Hier en daar begon de stof van het kostuum al aardig te glimmen, en in de broek zat geen enkele illusie van plooi meer. Integendeel: zodra ik erin stapte rolden de pijpen zich nauw tegen mijn benen, waardoor het leek alsof ik ronddraafde in een rol balatum. De zool van een van mijn schoenen was los, en maakte een klepperend enerverend geluid, waardoor mensen zich afvroegen wat ik kwam verkopen en zich uit de voeten maakten. Maar in afwachting van betere tijden was ik nu alleen maar handelsreiziger van mezelf.

Ik belde aan op het nummer dat ik zocht, de grote groene deur ging open en een vrouw die ik toen oud vond zei: "Ja, meneer?" alsof ze daarmee haar zin eindigde in plaats van begon. Wanneer ik antwoordde dat ik Fabien eens kwam bezoeken, opende ze de poort nog verder, en kreeg ik zicht op een ruime binnenplaats met stallingen, stapelplaatsen, een paar ramen met gordijnen ervoor en, over de hele eerste verdieping heen, een gaanderij met reling ervoor. Alsof het om het begin van een toneelstuk ging kwam er plots, uit een of andere deur, een nog oudere vrouw tevoorschijn. Beiden keken afkeurend toe hoe Fabien op me toeliep, nog altijd kaarsrecht, een beetje wippend, en net zoals toen dwangmatig bezig de mouwen van zijn nu lichte trui naar boven en dan weer tot aan zijn polsen te schuiven. "Wij kennen deze mens niet, Fabien," mompelde de jongste van beide vrouwen. Zij bleek zijn moeder, en hij antwoordde dat ik een kameraad was uit zijn legerdienst.

"Je hebt gezegd dat ik eens moest langskomen."

Fabien keek me aan met zijn heldere ogen. "Daar heb je goed aan gedaan."

We hoorden niet bij hetzelfde peloton, maar wel smaldeel, of hoe heten die dingen, waardoor we tegen elkaar opbotsten telkens wanneer er grootscheepse oefeningen of parades werden voorbereid. Maar eigenlijk leerden we elkaar echt goed kennen in de legerbibliotheek, een piepkleine ruimte waar een geheel in baard omwikkelde man die gediplomeerd kunstschilder wilde worden, de scepter zwaaide, en die ook waarschuwingen uitdeelde als je bijvoorbeeld naar Albert Camus greep: "Pas op! Dat is filosofie!"

We waren immers ook maar soldaten van de vliegveldverdedigings-eenheden, opgeleid tot kanonnenvlees dat in geval van oorlog voornamelijk tijd moest winnen.

Fabien vonden ze daar maar een vreemde eend in de bijt, zijn haar stak stekelig omhoog, hij had altijd blozende wangen, naast een bijzonder adellijke neus. Zijn houding was verwijfder dan zijn karakter, zodat hij weliswaar aan te harde represailles van de andere miliciens ontsnapte - maar toch werd hij algauw Fabienne genoemd. Slechts één officier had het tergend op hem gemunt, een kapitein die de bijnaam Cowboy droeg, en die bij iedere lichting alle overlevingsproeven en brevetraces of hoe heten die dingen, telkens nog eens participeerde. Het was op zo'n oefening, waar je met ransels vol stenen en met geweren water moest doorwaden, muren en andere obstakels overklimmen, elf ronden lang, dat hij de kans zag Fabien aan te pakken. Die stond ronden achter, hij kon haast niet meer vooruit, en snakte, paars, naar lucht. Wanneer de Cowboy en een paar anderen en ik weer tot zijn hoogte waren geraakt, jammerde hij: "Ik kan niet meer!"

Cowboy snokte: "Het moet."

"Maar dan ga ik dood!", snikte Fabien.

"Dan moet dat maar", zei Cowboy gretig. Hij grinnikte toen hij mijn blik zag die waarschijnlijk haat inhield en had ik hem aangevlogen, had hij het me misschien zelfs niet aangerekend. Hij keek me recht in de ogen en glimlachte, vloekte: "Zo'n Fabienne!"

Later, het maakte de leiding rustiger, werd Fabien gedetacheerd om in de mess te werken, en zagen we elkaar minder. Maar bij het afzwaaien had hij gezegd: "Als je in Antwerpen bent, kom me dan maar eens opzoeken. Ik woon in Borgerhout."

Daar zitten we dan met zijn drieën aan een blankgeschuurde houten tafel. Ik wou dat ze me iets te drinken aanboden, maar geen van hen maakt aanstalten. Ik snak naar water en vraag beleefd waar zich het toilet bevindt. "Toe maar, toe maar...", antwoordt Fabiens moeder raadselachtig, en wijst me waar het is. Ik heb pech: er is geen kraantje om me even te verfrissen. Wanneer ik terugkom, wacht ze tot ik ben gaan zitten en vraagt dan: "Is meneer ook zo?"

"Zo," de verwijzing, het woord waardoor de homofielen zich in die tijd konden ophouden tussen afstand en knusheid, veiligheid en stigma.

"Maar dat weet ik toch niet, ma," zegt Fabien. "Vraag het hem zelf. We kennen elkaar van bij het leger."

Ze kijkt me aan. "Ik zou het u op de man af willen vragen, maar dat is niet beleefd." En als ik blijf zwijgen: "Fabien heeft deze namiddag uitgekozen om te bekennen dat hij zo is. Voor de mannen." De oudste vrouw maakt een geluid dat op brullen lijkt.

"Waarom heb je dat toch gedaan, Fabien?", vraagt zijn moeder.

Zoals ik me van hem herinner beschouwt hij het probleem van alle kanten. "Wat bedoel je, ma?", vraagt hij vriendelijk. "Het gezegd of het precies vanmiddag gezegd?"

Ze praat verder tegen me: "Daarna is zijn vader weggelopen. Dat doet hij anders nooit, na de middag, weglopen. Ik had kip gemaakt met gekoelde appelmoes en kroketten."

De zonnestralen beginnen de tafel te raken.

"Moeten we nu denken dat het onze schuld is? In de familie is het nog nooit voorgekomen. Is het niet, ma?"

"Nooit!", beaamt de grootmoeder kordaat.

"Vroeger bestond zoiets niet." Zijn moeder bekijkt me vijandig alsof ik het ben die hier de wereld heb binnengelaten.

"En dat terwijl ik weet dat er niks aan hem mankeert. Hij is niet abnormaal, hij is goed voorzien van oren en poten. Ik weet dat. Van als hij een bad neemt. Een moeder loert ernaar."

De oude vrouw haalt de natgeschreide zakdoek van voor haar mond. "Een grootmoeder ook."

Fabien zit nu helemaal in de zon. "Maar ma, dat is toch geen drama. Lees maar de statistieken."

"Ik wil mijn zoon niet in de statistieken."

Achter me hoor ik de groene poort open- en dichtgaan, er wankelt een grote zware man tot bij de tafel. Wanneer hij mij in het oog krijgt, sist hij: "Ben je nu tevreden?"

Zijn vrouw werpt op dat hij het misschien verkeerd voorheeft met me, maar dat woord maakt hem razend. "Verkeerd! Verkeerd!", briest hij, draait rond zijn as, en tuimelt naast een stoel.

"Wat mij ongerust maakt," zegt Fabiens moeder, "is dat zoveel gevallen zelfmoord plegen."

"Mama," zegt Fabien plechtig. "Ik zal nooit zelfmoord plegen. Er verandert niks. Ik neem onze papa zijn zaak over. Voilà."

De man, nog altijd op de grond, kijkt naar zijn schoenen. "En wat staat er nu?", roept hij. "Wat staat er nu? En zonen. En zonen!"

"Ik maak wel een toekomst, papa," belooft Fabien.

Nu krijgt de man mijn broekspijpen in het oog. "Fameuze toekomst," snikt hij.

Ik sta rechtop en begin afscheid te nemen. Nu vraagt de moeder wel of ik iets wil drinken, maar Fabien komt ertussen. "Hij is gewoon iemand die ik ken uit het leger, mama." En naar mij met een knipoog. "Kom op een andere keer maar eens terug."

Wanneer de poort achter me in het slot valt hoor ik, gedurende de tijd dat ik me afvraag welke richting ik moet uitgaan, de stemmen nog even oplaaien, dan worden ze weer gedempt. Ik zal het hier nooit meer terugvinden, dacht ik, en dat was ook zo, tot bij toeval, vandaag. Er is geen poort meer die het huis afschermt, en een deel van de binnenplaatsen wordt gebruikt voor sluikstorten. En het blijft maar regenen.

Toch voel ik even de flits duizeligheid die herinnering telkens met zich meebrengt. Hier weerkaatsen nog steeds de stemmen van die zomerdag, met hun tonaliteit van hoop en teleurstelling, verontwaardiging, en met, ondanks alles toch het geloof toen van maakbaarheid van dagelijks geluk. Hij blijft in de muren gegrift, die namiddag, als een onzichtbaar fresco, een sindsdien bevroren sparteling.

Pierre Platteau

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234