Donderdag 29/10/2020

Het enige wat ze over hebben zijn theeglazen

Mohammed Israil stroopt zijn broekspijpen op en laat zijn geschramde kuiten zien. Om te ontkomen aan de Taliban is hij in het pikkedonker door de doornenstruiken gehold, zijn vrouw en hun acht kinderen achter hem aan. Hij besloot te vluchten toen ze de mannen begonnen op te pakken voor het leger. 'De Taliban wilden soldaten om te vechten tegen de Amerikanen. We konden ons niet verbergen, want dan kwamen ze naar je huis en namen ze je kinderen mee.'

Naw Aabad

de Volkskrant

Bart Rijs

Mohammed heeft onderdak gevonden in een van de honderden hutten, bouwsels van staken en rieten matten die 10 kilometer van de frontlijn op een desolate berghelling staan. Er groeit niets: geen boom, geen struik, nog geen sprietje gras. In de zomer is de hitte ondraaglijk, in de winter snijdt de kou door merg en been.

Mohammeds familie is veilig (dit is het gebied van de Noordelijke Alliantie), maar de strijd om te overleven begint pas. Vanochtend heeft hij van zijn laatste geld thee en brood gekocht. "Het grote probleem is dat we helemaal niets te eten hebben."

In Afghanistan zijn volgens de Verenigde Naties zeker een miljoen mensen op de vlucht, en het is de verwachting dat het aantal zal verdubbelen. De rijksten en sterksten halen de grens; de anderen, die geen geld hebben voor smeergeld en transport, belanden in het gebied van het Afghaanse verzet. Dat kan de toevloed niet aan. "We zijn bang voor een humanitaire crisis", waarschuwt Abdullo Abdullo, een van de politieke leiders van de Noordelijke Alliantie. "Hier zijn we niet op voorbereid."

In het huttenkamp van Naw Aabad leven nu al twintigduizend mensen. Het zijn vooral Oezbeken en Tadzjieken, die meer te lijden hebben onder het bewind van de Taliban dan de Pashtoen. De eerste vluchtelingen kwamen anderhalf jaar geleden aan, maar elke nacht komen er meer bij. Omdat er in het stof niets valt te verbouwen, hebben ze een voor een hun bezittingen geruild voor eten. Het enige wat ze over hebben zijn dekens, een kookpunt en glazen voor de thee.

"Ik had een koe", zegt Mohammed Baz. "Maar omdat ik geen voer kon vinden, heb ik haar verkocht in de bazaar voor tweehonderd broden. De broden zijn op, en nu hebben we niets." Als leraar was hij een man van aanzien in zijn dorp. Hier draagt hij een vuile tulband, plakt het stof in zijn baard, en kan hij zijn familie niet te eten geven. "In Afghanistan leven we als beesten, niet als mensen."

Tientallen vuile kindergezichtjes gluren door de spleten van de hut waar de voormannen van het kamp zijn samengekomen. Ze praten door elkaar heen in hun haast om over hun problemen te vertellen. Geen water, geen eten, geen medische hulp, geen onderdak voor nieuwkomers. De vijftig kilo rijst en de fles bakolie die elke familie een tijd geleden van de hulporganisaties heeft gekregen, zijn op. Ze zijn gaten in de grond aan het graven, zodat ze beter beschut zijn als over twee maanden de winter invalt.

De minister voor Repatriatie en Ontheemden berekent met een potlood op een stukje papier hoeveel mensen in Naw Aabad en omgeving hulp nodig hebben: "12.400 families". In Afghanistan wil dat zeggen: meer dan zestigduizend mensen. Dr. Qadr, zoals hij eerbiedig wordt aangesproken, houdt zittend op kussens kantoor. Zijn ministerie is een huis met één verdieping en ligt een uur rijden van Naw Aabad. Zijn enige meubilair is een ijzeren kist met een hangslot. "Ik heb geen telefoon, ik heb niet eens een auto om de kampen te bezoeken. We hebben geen geld, want wij moeten oorlog voeren." Hij kijkt met jaloezie naar de internationale hulporganisaties met hun fourwheeldrives en dure radio's.

Zelfs die staan voor een onmogelijke logistieke opgave. Het noorden van Afghanistan, dat in handen is van het verzet, is bijna niet te bereiken. Hulp moet eerst van duizenden kilometers ver weg worden aangevoerd naar Tadzjikistan; dan met een ponton over de grensrivier Amoer Darja worden gezet (in het donker, want anders zouden de Taliban de overzetplaats kunnen beschieten); en ten slotte over bijna onberijdbare wegen naar de vluchtelingen worden gebracht.

Het verdelen van de hulp is het volgende probleem. "Niet alleen de vluchtelingen lijden honger, de plaatselijke bevolking ook", zegt Mahir Yaqobi van de hulporganisatie Acted. Afghanistan is een uitgemergeld land. De oogst is afhankelijk van de regen, en die blijft al vier jaar na elkaar uit. De velden zijn leeg, de rijst in de bazaar is sinds mensenheugenis niet zo duur geweest. "De bevolking van de kampen groeit zodra we hulp uitdelen. De mensen doen zich voor als vluchtelingen om ook wat te krijgen."

Van de 'humanitaire coalitie' waarover in de hoofdsteden van het Westen wordt gesproken, merken de vluchtelingen in Naw Aabad niets. De eerste hulp wordt binnenkort de rivier over gezet. Voorlopig peddelt Abdul Dzhaber zoals altijd op zijn fiets van hut naar hut, met niet meer dan een bloeddrukmeter en een stethoscoop in zijn tas. Dysenterie, malaria en hepatitis kan hij daarmee niet genezen. Daar heeft hij medicijnen voor nodig, en die zijn er niet. Op de helling boven het kamp liggen tientallen nieuwe graven.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234