Maandag 26/10/2020

Het eiland was een soort gevangenis

Alles wat David Mitchell aanraakt, lijkt wel in goud te veranderen. Zijn nieuwe roman, De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet, was nog geen week uit of hij stond al op één in de Britse charts, flink op weg om net als Wolkenatlas een half miljoen keer over de toonbank te gaan. Het boek speelt in het Japan van eind achttiende eeuw en beschrijft een wereld vol gevangenissen, bestuurd door angstige, totalitaire despoten.Door Marnix Verplancke

David Mitchell schrijft originele historische roman vol humor over handelspost Deshima

In een vorig leven, lang voor hij de succesvolste Britse schrijver van zijn generatie werd, trok David Mitchell net zoals zoveel pas in de Engelse taal afgestudeerde jongeren naar Japan om er les te geven aan een privé-universiteit. Hij belandde in Nagasaki, leerde er Keiko kennen, de toekomstige moeder van zijn twee kinderen, en raakte er gefascineerd door de Japanse cultuur. In de voormalige baai van Nagasaki, door de woningdruk uitgegroeid tot een binnenzee, zag hij een geheimzinnig eiland liggen, Deshima. Tot het einde van de achttiende eeuw was dit een handelspost van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de enige die de op isolement gerichte machthebbers in Edo toelieten en daardoor ook de enige, zij het zwaarbewaakte poort naar de buitenwereld. Dit was een plaats waar hij ooit over wou schrijven, besefte hij toen al, maar het zou elf jaar en vier andere romans duren voor hij er echt toe kwam.

Maar nu is dat boek er dus. De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet is een originele en tot de verbeelding sprekende historische roman geworden die massa’s leesplezier oplevert zonder ooit voorspelbaar te zijn. En daarvoor gebruikt Mitchell de literaire technieken waarvoor hij, zeker sinds Wolkenatlas, bekend is geworden: door het boek heen wisselen van locatie, genre en vertelstandpunt. Zo maken we in het eerste deel kennis met de Zeeuwse klerk Jacob de Zoet, die naar Deshima verhuisd is om er in vijf jaar tijd een klein fortuin te verdienen opdat hij zijn toekomstige Anna een waardig leven zou kunnen bieden. Eens daar blijkt het eiland een oord van gekonkel en corruptie te zijn waar in feite maar één man te vertrouwen is: dokter Marinus. Via hem komt Jacob in contact met de innemende Orito, een vroedvrouw die dokter wil worden. In het tweede deel verandert Mitchell het geweer van schouder en trekt hij de Japanse bergen in, waar hij ons horrorgewijs binnenvoert in een nonnenklooster dat fungeert als harem voor het ernaast gelegen mannenheiligdom en waar systematisch kinderen verwekt worden die gebruikt worden als basisgrondstof voor een levenselixir. Jacob de Zoet, toch het hoofdpersonage van het boek, kijkt hier toe van op de zijlijn en wordt maar een paar keer genoemd. Het derde deel van Mitchells roman, verteld vanuit heel veel verschillende standpunten, neemt ons dan weer mee aan boord van een Engels fregat dat na het failliet van de Verenigde Oost-Indische Compagnie de Nederlanders van Deshima wil verjagen, waarbij de Zoet, inmiddels opgeklommen tot plaatsvervangend Opperhoofd van de handelsmissie, opnieuw een prominente rol speelt.

Wat meteen opvalt aan De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet is het humoristische gehalte van de roman, waarbij alle registers tussen slapstick en fijnzinnige satire opengetrokken worden, en dat heeft volgens Mitchell veel te maken met de specifieke locatie waarin hij zijn roman plaatste: “Toen ik over Deshima begon te schrijven had ik geen idee van de problemen die gepaard zouden gaan met die locatie.

Het eiland was een soort gevangenis, een bijzonder sterk gecontroleerde samenleving waar een kwart van de bevolking bestond uit Japanse tolken en spionnen. Bovendien was het regime van de Shogun gesloten en totalitair, en daardoor ook bang van verandering. Japan was volledig geïsoleerd van de rest van de wereld, met uitzondering van Deshima, waar de poort op een kier stond, maar wel met zo min mogelijk gevaar op ideologische besmetting. Dat klinkt fantastisch, maar om in die omstandigheden een goed verhaal voor een roman te vinden is aartsmoeilijk. Je hebt immers toeval nodig om een verhaal spannend te maken, en totalitaire regimes willen dat toeval zo volledig mogelijk uitbannen. Voor een roman heb je ontmoetingen nodig in de trant van ‘Stel je voor dat wij elkaar hier in deze kamer aantreffen, en nog wel alleen...’ maar dat zat er op Deshima niet in. Het hele systeem was erop gericht om dat juist tegen te gaan. Om daar een mouw aan te passen diende ik me dus soms op de rand van de geloofwaardigheid te begeven en daar kwam de humor me goed van pas. Die kon mijn verhaal verlevendigen.”

Hoe belangrijk was Deshima eigenlijk voor de VOC? Op het ogenblik dat u het eiland beschrijft was het zo corrupt geworden dat er praktisch niets meer naar Nederland ging.

“Deshima was vooral belangrijk als pluim op je hoed, niet omdat het je iets zou opbrengen. ‘Wij Nederlanders zijn de enigen die handel kunnen drijven met Japan’, iets van die aard. Puur prestige dus. Het runnen van Deshima heeft wellicht altijd meer gekost dan het opbracht, maar zolang degenen die de boekhouding deden deelden in de opbrengst van de corruptie, diende niemand in Amsterdam dit te weten. Zo’n systeem kan lang meegaan, maar ooit komt het Enronmoment en dan stort de boel als een kaartenhuisje in elkaar, wat voor de VOC gebeurde op 31 december 1799, toen de compagnie failliet verklaard werd.”

Hoe stonden de Japanners tegenover Deshima?

“Economisch gesproken was Deshima ook voor hen door de corruptie een ramp. Zij zagen in Deshima echter een venster op de wereld. Dat eiland vormde hun volledige buitenlandpolitiek. Een deel van het huurgeld dat de Nederlanders jaarlijks dienden te betalen voor het gebruik van Deshima bestond uit een almanak met wereldnieuws. De Japanners wisten dus dat er een land bestond dat Amerika heette en dat er in Frankrijk een revolutie had plaatsgegrepen. Hoe het bestuurlijk apparaat van de Shogun in Edo Deshima zag, hing af van de partij die aan de macht was. De conservatieven wilden het eiland liefst zo vlug mogelijk sluiten om de buitenlandse invloed helemaal te weren, terwijl de progressieven nieuwsgierig waren naar wat er elders gebeurde. Traditioneel werd in Japan bijvoorbeeld de Chinese geneeskunde beoefend, met een verbod op het opensnijden van lichamen. Geen enkele Japanse dokter wist dus hoe het menselijk lichaam werkte. In de jaren 1780 kwam daar een einde aan toen wetenschappers een Chinese en een Nederlandse tekst over de werking van het lichaam naast elkaar legden, het lichaam van een ter dood veroordeelde vrouw openden en merkten dat de Chinese tekst gewoonweg onzin vertelde en de Nederlandse het bizar genoeg bij het rechte eind had. Voor progressieven was dat een argument om via Deshima te weten te komen wat die misschien toch niet zo stomme Europeanen wel dachten. Het begon dus allemaal met geneeskunde, maar daar kwam automatisch taal bij en voor ze het wisten zaten de Japanners verlichtingsteksten te lezen. Het resultaat was dat er tegen het einde van de achttiende eeuw overal Nederlandse scholen opgericht werden.”

Waarom was Japan zo bang voor dat buitenland?

“Dat kwam vooral door het succes van de jezuïeten. De Spanjaarden hadden de Japanners gewaarschuwd voor de Portugezen. Eerst komen de missionarissen, zeiden ze, en daarna de invasiemacht, en de Portugezen zeiden hetzelfde over de Spanjaarden. De Europeanen stonden immers niet bekend als grote handelaars, maar wel als meedogenloze veroveraars. Daar was meer mee te verdienen. Tegen 1640 waren er ongeveer een miljoen christelijke bekeerlingen in Japan en dat maakte Edo zenuwachtig. Dat waren immers een miljoen stomme confucianistische boeren die zich zonder morren lieten onderdrukken minder. Opeens gehoorzaamden zij de paus, en die zat nog wel in Rome, aan de andere kant van de wereld. En die kerel riep op om ongehoorzaam te zijn en zelfs als martelaar te sterven, want dan ging je rechtstreeks naar de hemel. Voor de boeren bracht het christendom een bijzonder verlokkelijke boodschap: het maakt niet uit wie je bent, je kunt net zo goed naar de hemel gaan als ieder ander. En het enige wat je moest doen was in God geloven. Toen de boeren in opstand kwamen tegen het gezag en die opstand verbonden aan de christelijke boodschap, was voor Edo de maat vol. De buitenlandse invloed diende ingeperkt of zelfs totaal ongedaan gemaakt te worden. De Nederlanders konden hen nog overtuigen dat zij oké waren om handel mee te drijven. Zij waren protestanten, opperden ze, en zieltjes winnen kon hen gestolen worden. Zij zaten alleen in het Verre Oosten voor het geld. Zij mochten zich op Deshima vestigen. Op dat moment exporteerde Japan koper, zilver en goud, en twee seizoenen werken op het eiland maakte je een rijk man. Tot de Japanners doorkregen dat ze afgezet werden natuurlijk, en de prijzen stegen, maar de legende als zou Deshima het oosterse Eldorado zijn, deed toen al de ronde. Marco Polo beschreef Japan immers al als het eiland van goud en zilver.”

Was dat Japanse isolationisme uiteindelijk wel zo slim?

“Wanneer je kijkt naar wat er gebeurd is met India en Java, of wat het lot geweest is van de Noord-Amerikaanse indianen of de Australische en Tasmaanse aboriginals, was het toch niet zo’n slecht alternatief. Op lange termijn was het natuurlijk nefast. Gelukkig zag Japan net op tijd in dat het land zijn grenzen diende open te gooien. In de jaren 1860 werd de godsdienstvrijheid weer ingevoerd en doken er overal christelijke gemeenschappen op die hun religie meer dan twee eeuwen ondergronds beleefd hadden. Anders waren de Japanners net zo verstard geworden als de Koreanen. Die hadden geen Deshima en leefden begin twintigste eeuw in een zestiende-eeuwse staat omgeven door negentiende-eeuwse staten, waardoor het land een vogel voor de kat was. Maar totalitaire despoten denken daar niet aan. Meer zelfs, als ze een toekomstgerichte, open geest hadden, zouden het helemaal geen totalitaire despoten zijn.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234