Maandag 28/09/2020

Woon-zorgcentraCoronavirus

Het drama van de woon-zorgcentra: ‘Ik wist: als ik hem straks terugzie, is het in een kist’

Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Bij het uitbarsten van de coronacrisis waren alle ogen op de ziekenhuizen gericht. Zouden er genoeg bedden zijn op intensieve zorgen? Waar konden nog FFP2-mondmaskers gescoord worden? Was het personeel opgewassen tegen een zondvloed aan patiënten? Intussen sloop de vijand geruisloos de woon-zorgcentra binnen, waar de slachtoffers bij bosjes blijven vallen. We trokken, gewapend met mondmasker en handgel, naar het front. ’De angst zegeviert: de handen van sommige collega’s liggen helemaal open van het wassen en ontsmetten.’

DE DIRECTEUR: ‘Normaal tellen we in ons rustoord twee overlijdens per maand, niet per dag. Dit is onmenselijk’

Directeur Kurt Stabel klinkt alsof hij net een oorlog heeft uitgevochten: moe en droef. Met 13 overlijdens op 80 bewoners is het Brasschaatse woon-zorgcentrum Buitenhof zwaar getroffen.

Kurt Stabel: “Elk woon-zorgcentrum heeft ervaring met sterven, maar niet in dit tempo. Normaal tellen we hier twee overlijdens per maand, niet per dag. Dat is onmenselijk.”

Wanneer hebt u gemerkt dat het virus binnen uw muren zat?

Stabel: “Op 14 maart hebben we een eerste personeelslid naar huis gestuurd met lichte koorts. Een dag later ging een tweede personeelslid ziek naar huis, twee dagen later nog eentje. Slechts één van hen werd na lang aandringen getest door haar huisdokter. Op 18 maart kenden we het resultaat: positief.

“Het liefst was ik toen massaal beginnen te testen. Ik wil niemand met de vinger wijzen, maar het gebrek aan testcapaciteit heeft ons de das omgedaan. Ik had op 5 maart al een mail gestuurd naar het agentschap Zorg en Gezondheid met de vraag om alsjeblieft testkits voor de woon-zorgcentra te voorzien. Dat kon niet. Toen ze het geweer eindelijk van schouder hebben veranderd, was ons eerste corona-overlijden al een feit.

“In het begin dacht iedereen: we halen de Covid 19-gevallen er zo uit. Hoge koorts en een felle hoest, daar moesten we alert voor zijn. Maar van de dertien mensen die hier zijn overleden, hebben er tien nooit die symptomen gehad. Bij ouderen manifesteert de ziekte zich anders.”

Had u voldoende beschermingsmateriaal?

Stabel: “Ja. Ik had op eigen houtje van alles bij elkaar gezocht. Ik vroeg collega’s of ze wat van hun stock konden missen en ging rondsurfen op het internet. Je zou mijn mailbox nu eens moeten zien: ik krijg de ene na de andere mail van louche firma’s die me maskers en alcoholgel willen verpatsen. Waarschijnlijk zitten daar eerlijke bedrijven tussen, maar ik zou niet weten hoe ik ze eruit moet filteren. En de vraag blijft: wat heb je aan materiaal, als je niet weet hoe de vijand eruitziet? We waren blind aan het werken. Sommige bewoners die we dagenlang als coronapatiënten hebben behandeld, bleken achteraf een simpele verkoudheid te hebben.”

Wat voor symptomen hadden de besmette bewoners?

Stabel: “De meesten hadden lichte koorts, zagen wat roder in het aangezicht en hadden een afwezige blik, maar voelden zich niet ziek. ‘Het is niet erg, Kurt,’ zeiden ze, ‘dit is minder dan een griepje.’ Dan ging het een dag of twee beter, waarna ze opeens pijlsnel achteruitgingen.

“In de meeste gevallen konden we met de familie bespreken wat voor behandeling ze nog zagen zitten. Niet iedereen koos voor het ziekenhuis, maar het gebeurde wel. Morgen krijgen we twee bewoners terug die zich er in het ziekenhuis op miraculeuze wijze hebben doorgesparteld. Niemand is zijn bejaarde vader of moeder hier komen weghalen. Mensen van 90 hebben kinderen van 70: die zijn zélf ook bang.

“In sommige ziekenhuizen zijn slachtoffers eenzaam en alleen gestorven, maar hier hebben we dat in de meeste gevallen kunnen vermijden. Sommigen vragen zich af: was het wel verstandig om die familieleden binnen te laten? Komaan, zeg! Die mensen waren aan het sterven! Dat doe je niet alleen.

“De meeste families hebben begrip voor de moeilijke situatie waarin we moeten werken. Dat merken we aan het grote aantal bedankkaartjes en mails. Het is dubbel: die mensen zijn ons dankbaar, maar wij hebben hun moeder of vader niet kunnen beschermen.”

U werd zelf ook ziek.

Stabel: “De dokter dacht eerst aan oververmoeidheid, tot ik op een nacht hoge koorts kreeg. Uiteindelijk is mijn hele gezin ziek geworden. Van ons vijven was ik er het ergst aan toe, met acht dagen hoge koorts. Net toen ik me afvroeg: ‘Wat als ik morgen niet meer kan ademen?’, voelde ik het virus uit mijn lichaam stromen en ging het beter. Een week geleden had ik dit gesprek niet kunnen voeren: ik had zo’n droge mond dat ik voortdurend moest drinken om te kunnen praten. En mijn smaak- en geurzin waren weg.

“Een aantal medewerkers is ziek geworden en uitgevallen, maar gelukkig niet allemaal tegelijk. Al die bescherming is mooi in theorie, maar als een bejaarde in zijn stoelgang op de grond ligt, kun je hem niet oprapen op een propere, veilige manier. Iedereen heeft hier zijn leven gewaagd. En bij iedereen – verplegers, poetshulpen en kookploeg – doet het nu pijn. Wij zijn geen ziekenhuis: onze mensen wónen hier. We kennen en verzorgen hen al jaren, en opeens zijn ze weg. Het is hier nu veel rustiger dan een paar weken geleden, en dat maakt ons droevig. Iedereen verwerkt het op een andere manier. Sommigen hebben het mentaal zwaarder dan anderen. Onze jongere medewerkers durven nog weleens joelend door de gangen te lopen – hun manier om stoom af te laten – terwijl onze oudere medewerkers zich daaraan storen. Maar als team komen we hier sterker uit, daar ben ik zeker van. Als we straks genoeg tijd hebben gekregen om te rouwen, dan hoop ik dat er weer plaats zal zijn voor plezier. Op dit moment voel ik me haast schuldig wanneer ik lach.”

Kurt Stabel, directeur van WZC Buitenhof: 'Niemand is zijn bejaarde vader of moeder hier komen weghalen. Mensen van 90 hebben kinderen van 70: die zijn zélf ook bang.'Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Iedereen – bewoners en medewerkers – is intussen getest.

Stabel: “Van de bewoners bleken er 46 positief en 16 negatief. Twee derde van de medewerkers testte ook positief, maar bijna iedereen is aan de beterhand. Ik durf voorzichtig te stellen dat wij onze piek achter de rug hebben, maar voor de sector ziet het er somber uit. Als ik onze getallen extrapoleer naar Vlaanderen, dan zitten we straks misschien met 13.000 doden op 80.000 bewoners in de woon-zorgcentra. Al hoop ik dat ik het fout heb: misschien hadden wij gewoon brute pech.”

Wat vond u van de voorgestelde maatregel om bezoek binnenkort weer toe te laten?

Stabel: “Te zot voor woorden. Hoe komen ze daarbij? Ik vraag me af of in die Veiligheidsraad iemand aan tafel zit die de woon-zorgcentra écht goed kent. We kregen meteen na die mededeling telefoon van families: ’Wij komen morgen langs!’ Dat hebben we geweigerd. Dit is nog lang niet voorbij.”

DE VERPLEEGKUNDIGE: ‘Trauma’s verwerken’

Vera – niet haar echte naam, ze doet haar verhaal liever anoniem – is thuis aan het uitzieken. Tot ze haar testresultaat kreeg, was ze ervan overtuigd dat ze een gewone griep te pakken had. ‘Omdat ik me niet echt ziek voelde. In het begin had ik alleen spierpijn en wat last van mijn keel.’ Maar met bevestigde besmettingen in het woon-zorgcentrum in een centrumstad waar ze als verpleegkundige werkt, kon de uitslag maar één kant op: Covid-19.

Vera: “Pas na de eerste bevestigde besmetting kreeg het personeel mondmaskers en brillen, maar toen zat het beestje al binnen.”

Voordien werkten jullie zonder bescherming?

Vera: “Ja. Iedereen van het personeel was vragende partij voor mondmaskers, maar ik vermoed dat ons woon-zorgcentrum er geen of onvoldoende had. Na de eerste besmetting waren de mondmaskers er opeens toch, maar iedereen kreeg er slechts eentje per dag. Nu hoor ik van alles over maatregelen en tests voor iedereen, maar dat is too little, too late.

“Onze eerste besmetting deed zich voor op de afdeling voor bewoners met dementie. Dat zijn gevoelsmensen: het enige wat ze soms nog hebben, is lichamelijk contact. Hoe leg je aan hen uit dat het dagelijkse kusje op de wang niet meer mag? Ze weten niet wat hen overkomt. Ze snappen niet dat ze absoluut op hun kamer moeten blijven. We hebben nog geprobeerd de besmette bewoner te fixeren, maar ze slaagde erin zich los te wrikken. Even hebben ze overwogen de hele afdeling als besmet te beschouwen en in quarantaine te plaatsen. Voor zo’n isolatie, met een sas en dergelijke, hebben ziekenhuizen de nodige infrastructuur, maar wij niet. Nog voor de directie zich over de kwestie kon buigen, had het virus zich al verspreid buiten de afdeling en had isolatie geen zin meer. Het was dweilen met de kraan open. In een paar dagen tijd gingen we van één positieve bewoner naar vier.

“Tussen het personeel heerste er in het begin grote solidariteit, maar naarmate de toestand erger werd, nam de angst toe. Toen de besmetting nog op één van onze twee verdiepingen zat en iemand van het besmette gedeelte om hulp vroeg, was het antwoord soms vlakaf: ‘Nee, daar ga ik niet naartoe.’ Ik begrijp dat: iedereen denkt aan zijn eigen situatie. Bij het personeel heb je ook mensen die tot een risicogroep behoren. Een collega met een baby met een aangeboren hartafwijking komt elke dag met de daver op het lijf naar het werk. Vroeger werden de douches voor het personeel zelden gebruikt. Nu wil iedereen na z’n shift douchen. Alles om dat virus niet mee naar huis te nemen.”

Hoe voelde het om voor het eerst een kamer met een besmetting binnen te gaan?

Vera: “Zodra een eerste bewoner besmet was, riep de hoofdverpleegkundige ons samen. ’Wie wil nog in die kamer gaan verzorgen?’ Het antwoord was haast unaniem: ik niet. Een uur later riep ze mij en een collega op om naar die kamer te gaan: ’De bewoner is gevallen en moet opgeraapt worden.’ Binnen bleek die bewoonster helemaal niet op de grond te liggen, maar gewoon op bed. Je zou het een test kunnen noemen, maar ik neem het de hoofdverpleegkundige niet eens kwalijk: je móét die kamer binnen. Je kunt die bewoonster niet aan haar lot overlaten. De eerste keer is de drempel hoog, daarna draai je de knop om en doe je het gewoon. We hebben allemaal voor deze job gekozen omdat we willen zorgen.”

Heerste er intussen paniek onder de bewoners?

Vera: “De mensen die nog alles beseffen, weten goed genoeg wat er boven hun hoofd hangt. Zij horen ook de berichten op tv. Eén bewoonster klaagde ’s ochtends over kortademigheid: ‘Ik heb het zo warm.’ Ik nam al haar parameters – bloeddruk, saturatie, temperatuur – maar kon niks vinden. Pas toen ze zei: ‘Ik heb alle symptomen waarover ze praten op tv’, besefte ik: die vrouw had geen corona, maar angstaanvallen.

“De richtlijnen die we kregen, veranderden dag na dag. Op den duur printte ik ze ’s ochtends uit en nam alles mee: ik kon het soms niet meer onthouden.”

Er doen veel verhalen de ronde over eenzaam sterven.

Vera: “Eerst mocht niemand van buiten bij de stervende bewoners, daarna weer wel. Een collega van me is haar vader in ons woon-zorgcentrum verloren. Op maandag bleek hij positief en mocht ze niet bij hem; op dinsdag plots weer wel. Omdat hij zich even beter voelde, is ze ’s avonds naar huis gegaan. Die nacht is hij alleen overleden. Dat zijn schrijnende toestanden.

“Wanneer dit allemaal voorbij is, zal er serieuze traumaverwerking nodig zijn voor het personeel. Het zou me niks verbazen als sommigen het niet meer zien zitten om nog in deze sector te werken. Ik zie ook hoe sommige collega’s smetvrees ontwikkelen: hun handen liggen helemaal open, maar ze blijven wassen en ontsmetten. De angst haalt de bovenhand.”

Wilt u nog terug?

Vera: “Ja. Liever vandaag dan morgen. Ik ben door mijn huisarts veertien dagen in quarantaine geplaatst, ook al voel ik me niet meer ziek. Het voelt als een gevangenisstraf, omdat ik weet dat ze nu handen tekortkomen op het werk. Een collega van me voelt zich wél ziek, maar testte negatief en is weer aan het werk gezet. Ik zou zo met haar willen ruilen, maar ik mag niet. En intussen hoor ik de berichten: we zitten nu aan overlijden nummer zestien. Het voelt verschrikkelijk dat ik er niet kan zijn voor onze bewoners.”

DE THUISVERPLEGER: ‘Eenzaam wegkwijnen’

Ilse Schepers hoeft er niet over na te denken: als het tot een corona-uitbraak komt in het woon-zorgcentrum waar ze dagelijks negen bewoners gaat verzorgen, dan gaat ze mee met hen in quarantaine. ‘Ik wil mijn mensen niet in de steek laten.’

Ook als je dan zelf besmet raakt?

Ilse Schepers: “Ja. Iemand moet hen toch verzorgen?

“Voorlopig valt het mee bij mijn patiënten. Omdat de directie al heel vroeg geen bezoek meer toeliet? Misschien. Ik heb zelf ook vroeg mijn voorzorgen genomen. In het begin vonden collega’s dat ik overdreef, als ik met mijn elleboog de liftknop induwde. Nu doen ze het allemaal.”

Had je voldoende beschermingsmateriaal?

Schepers: “De woon-zorgcentra hebben grote tekorten, maar voor ons, zelfstandigen, is het al helemaal behelpen. Het heeft wat creativiteit gevergd, maar ik heb nu genoeg maskers en handschoenen om het even vol te houden. Alleen spatmaskers, FFP2-maskers en zo’n medische schort kon ik echt niet vinden. Ik heb even getwijfeld om zélf zo’n spatmasker in elkaar te knutselen.

“Morgen krijg ik mijn eerste bevestigde coronapatiënte terug. Ze was naar het ziekenhuis gegaan voor haar kankerbehandeling. Omdat ze hoestte, hebben ze haar getest. Ze bleek positief, maar is hersteld en komt morgen terug naar het huis waar ze met een vijftal andere bejaarden woont. Ik ga hen allemaal in quarantaine plaatsen: volgens mij is dat hele huis besmet.”

Zijn je patiënten bang voor het virus?

Schepers: “Ze zijn vooral bezorgd om mij: ’Wij hebben onze leeftijd, maar jij bent nog jong.’ Kom ik thuis van het werk, dan laat ik mijn kleren achter in de hal en spring ik meteen onder de douche. Onlangs zaten we met het gezin aan tafel. Ik was moe, hoestte en had het warm. ’Jij hebt het,’ zei mijn dochter. Waarop mijn man: ‘Ze is moe omdat ze al maanden veel te hard werkt. Ze hoest omdat ze meer rookt dan anders. En ze heeft het warm omdat ze een vrouw is van 48.’ (lacht)

“Na een dag werken ben ik léég, maar het einde is nog niet in zicht. We kijken nu bang naar de rustoorden, maar straks vergeten we de bejaarden die thuis wonen. Sinds de kinesist niet meer mag langskomen, worden ze stram en vallen ze nog sneller. Ik zie ook veel eenzaamheid. Ik verzorg een koppel tachtigers – de man heeft parkinson. Sinds hun zoon in quarantaine zit, ben ik het enige levende wezen dat ze nog zien. Straks kwijnen die mensen weg.”

DE MANTELZORGERS: ‘Toekijken aan het raam’

Thuis verkommeren van eenzaamheid of corona oplopen in een rustoord? Ad Van Kerkhove en Herwig Lampaert hadden die keuze niet: hun echtgenotes zijn zo hulpbehoevend dat een woon-zorgcentrum de enige optie was. Nu is het bang afwachten of dat veilige oord straks ook in het oog van de storm belandt.

Ad Van Kerkhove: “Ik heb tweeënhalf jaar voor mijn vrouw Rita gezorgd, tot ik er bijna aan onderdoor ging. Op den duur stond ze tien keer per nacht op, trok ze haar stapschoenen aan – vroeger waren we heel sportief – en zei ze: ‘Kom, we gaan wandelen.’ Toen wist ik: het lukt thuis niet meer.”

Herwig Lampaert: “Tussen mijn vrouw Rolande en mij was het liefde op het eerste gezicht. We zagen elkaar voor het eerst op 17 december 1959, op een groot bal. Toen de muziek stopte, koos ze mij uit voor de volgende dans. Ik heb haar vastgepakt en nooit meer losgelaten. Tot die vreselijke ziekte kwam: vasculaire dementie. Acht jaar geleden is ze opgenomen in WZC Sint-Eligius. Zolang ze nog gezond is en van het leven kan genieten, wil ik haar bij me houden.”

Mantelzorger Ad Van Kerkhove met zijn vrouw Rita: ‘Ik was bang dat ik niet meer bij haar zou mogen, maar omdat er personeelsleden ziek thuis zitten, kunnen ze mijn hulp gebruiken.’Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Door het virus zijn jullie nu van elkaar gescheiden.

Lampaert: “Vroeger ging ik elke dag naar haar toe, 365 dagen per jaar. Onze drie kinderen vroegen: zou je niet wat minder vaak gaan? Maar ik werd naar haar toe gezogen. ’s Ochtends vroeg bracht ik haar een ontbijt met zaden, pitten, noten en fruit: ik had gelezen dat die dingen helpen tegen allerlei ziektes. Drie weken nadat de woon-zorgcentra in lockdown waren gegaan, lieten ze niet meer alle mantelzorgers toe. Nu, als 86-jarige loop ik evenveel risico als mijn vrouw: als ik haar besmet of zij mij, dan hebben onze kinderen straks twee overlijdens te verwerken, zonder dat ze afscheid van ons kunnen nemen.

“Ik zie mijn vrouw alleen nog door het raam. Ik ga elke dag, zo rond het middaguur – dan is ze het meest alert – en blijf dan anderhalf uur zitten kijken hoe een ander haar eten geeft. Voor zover ik kan zien, gaat het goed met haar. Ze lijkt niet depressief.”

Ad, jij mag wel nog binnen in het woon-zorgcentrum, en bent je vrouw Rita net eten gaan geven.

Van Kerkhove: “Dat is mijn grote geluk: ik zou geen blijf weten met mezelf, als ik alleen thuis zou zitten. (Begint te huilen) Ik ben zo bang.

“Ik kan geen fout woord zeggen over het woon-zorgcentrum: de zorgen waarmee ze mijn vrouw omringen, zijn fantastisch. Ze hebben van bij het begin gedaan wat ze konden om die ziekte buiten te houden, maar ze hadden het materiaal niet. De directrice houdt ons dagelijks op de hoogte. Intussen staat de teller van de coronagevallen op zes. Het eerste positieve geval kwam aan als een mokerslag. Ik dacht meteen: nu gaan ze me niet meer bij mijn vrouw laten. Maar omdat er ook personeelsleden ziek thuis zitten, kunnen ze de hulp van mantelzorgers goed gebruiken. Behalve mijn vrouw geef ik ook elke dag een 97-jarige dame met dementie te eten.”

Bent u bang hen te besmetten?

Van Kerkhove: “Daar sta ik niet te veel bij stil. Ik wil er gewoon zijn voor Rita. Om binnen te mogen moet ik een heel protocol doorlopen: handen ontsmetten, temperatuur meten, mondmasker opzetten.”

Durft u uw vrouw nog te knuffelen?

Van Kerkhove: “Ze snapt niets van wat er gebeurt, maar als ik haar vastpak en haar gezicht streel, is ze blij. Als ik bij de mensen die nu geen bezoek meer krijgen, gewoon even over hun hand wrijf, dan zie ik ze al opfleuren. Ze hebben medicatie en medische zorgen nodig, maar ook genegenheid. Andere vormen van communicatie hebben ze niet meer.

“Af en toe komt één van Rita’s beste vriendinnen aan het raam wuiven. Ze is bang dat mijn vrouw haar anders straks niet meer zal herkennen. Dan zet ik Rita zo dicht mogelijk bij het venster. Wanneer ze in de gaten krijgt dat haar vriendin daar staat, wordt ze plots enthousiast. Prachtig om te zien. En dan sta ik naast haar te blèten.”

Lampaert: “Hoeveel Rolande nog beseft? Moeilijk te zeggen. Vroeger zat ik elke dag urenlang bij haar, dus herkende ze me redelijk goed – dat veronderstelde ik toch. Nu sta ik aan de andere kant van dat raam en kan ze me niet horen, voelen of ruiken. Haar reacties zijn summier. Meestal zit ze me met grote ogen aan te kijken. Het verlangen om haar nog eens aan te raken is groot.”

Van Kerkhove: “Ik weiger eronderdoor te gaan, hoe zwaar het ook wordt. Slaappillen of antidepressiva wil ik niet slikken. Het enige waaraan ik me optrek, zijn die paar uurtjes dat ik naar haar kan. De rest is eenzaamheid.”

Herwig Lampaert: 'Ik zie mijn vrouw Rolande alleen nog door het raam, elke dag zit ik anderhalf uur naar haar te kijken. Het verlangen om haar aan te raken is groot.’Beeld Wouter Van Vaerenbergh

DE ROUWENDE FAMILIE: ‘Afscheid zonder kus’

Op 3 april telde ons land volgens viroloog Steven Van Gucht 183 coronadoden. Patricia Vangheluwe zal het getal nooit vergeten: bij die 183 hoorde ook haar vader Jacques. Hij woonde in WZC Westervier in Brugge, waar vorige week 54 van de 90 bewoners positief testten.

Patricia Vangheluwe: “Hij was 89 en fysiek nog in prima conditie. Op zijn 84ste ging hij met één van de kleinkinderen zelfs nog klimmen op de klimmuur – hij was zijn hele leven sportleraar en kinesist geweest. Alleen zijn brein liet het de laatste jaren afweten: dementie. Vorig jaar, op zijn verjaardag, hebben we hem laten opnemen in Westervier.”

Was hij er graag?

Vangheluwe: “Eerst had hij het moeilijk, maar de laatste maanden had hij zijn draai gevonden. Hij zwierf er graag rond. Dan trok hij zijn rode jas aan, en wandelde dan eindeloos door de gangen. Ik ging nog bijna elke dag op bezoek en om de twee weken haalde ik hem op zondag naar hier. Dan schilde hij de aardappelen, hielp me bij de afwas of keken we samen een film van Louis de Funès. Zijn kleinkinderen herkende hij nog allemaal.”

Was hij zich bewust van de pandemie?

Vangheluwe: “Niet echt. Eén van de laatste keren dat ik bij hem op bezoek ging, zei hij plots: ’Je mag hier niets meer aanraken.’ Maar ik denk niet dat hij begreep waarom.

“Na de lockdown kreeg ik het zwaar. Ik wist niet of hij begreep waarom ik plots niet meer kwam. De verpleging zorgde er wel voor dat ik elke dag met hem kon videochatten. De eerste keer dat ze hem de tablet toonden, dacht hij dat hij naar een foto van mij zat te kijken. Ik probeerde hem uit te leggen: ‘Papa, ik kan niet komen door alle zieke mensen.’ Hij keek me dan wat onbegrijpend aan, lachte en zei: ‘Dankjewel voor je telefoontje.’”

Patricia Vangheluwe verloor haar vader aan corona. 'Ik voel niks dan dankbaarheid voor het zorgpersoneel, maar op onze overheid ben ik ontzettend kwaad.'Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Gingen jullie ook wuiven aan het raam?

Vangheluwe: “Het woon-zorgcentrum raadde dat af. Je weet niet hoe iemand met dementie dan reageert. Misschien had het hem onrustig gemaakt en had hij dan geprobeerd naar buiten te komen. Nu heb ik er spijt van, maar dat probeer ik van me af te zetten.

“Opeens was er die mail: een vermoedelijk geval van Covid-19. Papa had toen ook al milde symptomen. De huisarts ging langs, maar ze dacht niet dat hij het had. Hij zat nog heel kwiek in zijn stoel: hij was zo sterk. Voor alle zekerheid hebben ze toch een test gedaan. De volgende dag viel de bom: hij was positief. Ze vroegen me of hij nog naar het ziekenhuis wilde, maar papa had me altijd gezegd dat hij thuis wilde sterven. In het ziekenhuis was hij misschien het zoveelste nummertje geworden; in het woon-zorgcentrum bleef hij tenminste een mens.

“In een paar dagen tijd ging zijn gezondheid enorm achteruit. Op woensdag kreeg ik telefoon: of we afscheid van hem wilden nemen. Alleen mijn broer en ik mochten binnen. We werden helemaal ingepakt voor we zijn kamer in gingen. Ik was zo emotioneel: ik had hem twee weken niet gezien, en plots lag hij daar op zijn sterfbed. Hij zag er mager en verzwakt uit, maar toch ook rustig. Praten lukte niet meer. Toen ik hem zei dat ik hem graag zag en hem bedankte voor alle liefde die hij ons had gegeven, kreeg ik nog een stille glimlach. Een kus, een knuffel, een kruisje op het voorhoofd: het mocht allemaal niet meer. Ze hebben hem nog wel de ziekenzalving gegeven, terwijl vijf van zijn kleinkinderen aan het raam stonden toe te kijken. Zo hebben ze toch ook een beetje afscheid kunnen nemen van hun opa. Toen ik die kamer verliet, wist ik: als ik hem straks terugzie, dan is het in een kist.

“De dagen nadien is hij blijven vechten, terwijl wij thuis zaten te wachten. Toen de verpleegster belde om ons over zijn toestand te vertellen – dat deed ze op den duur elk uur – vroeg ik: ‘Wil je in zijn oor fluisteren dat hij mag loslaten en naar zijn moeder en vrouw mag gaan?’ Dat heeft ze gedaan. Op vrijdagmiddag om drie uur is hij overleden.”

Een anonieme verpleegkundige: ‘Collega’s die zélf tot een risicogroep behoren, komen elke dag met de daver op het lijf naar het werk. Sommigen willen niet meer in de zorg werken.’Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Heb je het gevoel dat hij alleen is moeten gaan?

Vangheluwe: “Nee. Ze waren 5 minuutjes voordien nog gaan kijken. Ik put troost uit de gedachte dat zijn verzorgers mijn broer en mij hebben vervangen aan zijn sterfbed. Ze hebben me nog een foto gestuurd die was gemaakt een paar dagen voor hij ziek werd. Daarop ziet hij er gelukkig uit. Zelfs tijdens de lockdown kon hij nog lachen.

“Toen de coronacrisis losbarstte, had ik nooit gedacht dat mijn vader één van de slachtoffers zou worden. Ik dacht: ‘Daarbinnen zit hij veilig.’ Ik had er geen rekening mee gehouden dat het beest hem daar zou kunnen treffen, maar ik neem het woon-zorgcentrum niks kwalijk. Voor het personeel voel ik alleen dankbaarheid. Hoe ze erin geslaagd zijn om tijdens een zware crisis toch nog zoveel warmte te geven, dat vergeet ik nooit. Straks, als dit allemaal voorbij is, dan wil ik naar hen toe. Om hen te bedanken. En omdat ik nog met vragen zit: wat heeft papa nog gezegd die laatste dagen? Welke kleren hebben ze hem aangedaan voor ze hem in zijn kist legden? Misschien helpt het om alles af te sluiten. Alleen op de overheid ben ik ontzettend kwaad: ze zijn pas in actie gekomen toen het kalf al verdronken was. Geen enkele test of maatregel brengt mijn vader nu nog terug.”

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234