Vrijdag 15/01/2021

Het DNA van de ondernemer

'We hebben nog een hele weg af te leggen vooraleer we de Amerikanen inhalen. Vlaanderen heeft goeie wetenschappers maar die kennis wordt nog te weinig gebruikt om echt ondernemerschap van de grond te krijgen in de biotechnologie.'

Wat Hugo Van Heuverswyn van Innogenetics eind vorige maand zei bij de opening van het biotechnologiecongres ingericht door het communicatiebedrijf Applied Life Science Strategies en het Vlaams Instituut voor Biotechnologie geldt lang niet alleen voor Vlaanderen. Heel Europa blijft achter bij wat zich in de VS aan ontwikkelingen voordoet op het vlak van biotechnologie: daar wordt meer dan vier keer zoveel geld gespendeerd aan onderzoek en ontwikkeling, de omzet van biotechproducten is er bijna zes keer groter dan in Europa en in de Amerikaanse biotechindustrie werken 140.000 mensen, tegenover 39.000 in Europa (zie ook tabel).

"Daar komt stilaan verandering in", aldus Mike Ward, uitgever van BioCentury. "De biotechindustrie was in de jaren tachtig een vrijwel uitsluitend Amerikaanse aangelegenheid. In het begin van de jaren negentig sprong Groot-Brittannië als eerste Europese land op de biotechnologietrein. En nu is het Europese continent zijn achterstand aan het inhalen. De kloof tussen de VS en Europa wordt in elk geval kleiner. Het Europese publiek gaat aandelen kopen van biotechnologische bedrijven en de overheid zal de sector actief steunen. Dat doet het tij keren."

De cijfers bewijzen dat. In 1997 is de omzet van de biotechindustrie in Europa met meer dan de helft gegroeid, de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling zijn met een kwart toegenomen en er kwamen op één jaar tijd 11.000 arbeidsplaatsen bij.

Met bijna 250 bedrijven die actief zijn in de biotechindustrie is Groot-Brittannië nog steeds duidelijk koploper in Europa, op een afstand gevolgd door Duitsland met 170 bedrijven. Daarna komen Frankrijk, Zweden en Nederland. België telt een vijftigtal biotechbedrijven.

Het is ook op de Londense beurs, de London Stock Exchange (LSE), dat de meeste biotechnologische bedrijven genoteerd staan. Maar twee nieuwe initiatieven - de Easdaq, als pan-Europese beurs, en de Euro.nm, een netwerk van lokale beurzen (Parijs, Amsterdam, Brussel, Frankfurt) - concurreren momenteel volop met de Londense beurs om jonge innovatieve biotechnologiebedrijven naar zich toe te halen.

Waarom zijn er in Europa drie markten voor beursnotering nodig, terwijl de VS toekomen met één markt, de Nasdaq? "Eigenlijk willen die drie beurzen hetzelfde", geeft Clive Pedder van de Euro.nm toe: "bedrijven met groeikansen - en dat zijn jonge innovatieve biotechnologiebedrijven - naar ons toehalen. Op termijn zal er slechts één markt in Europa nodig zijn. We denken dat onze gedecentraliseerde aanpak de beste zal blijken te zijn. We zullen zien waar de bedrijven naartoe trekken. Uiteindelijk zal dat de doorslag geven."

"Op het continent wordt Groot-Brittannië ingehaald", zegt Ward. "Het aantal starters is in Duitsland nu al groter dan in Groot-Brittannië. En in de andere Europese landen wordt gebiologeerd naar dat Duitse mirakel gekeken. Toch is er een verschil. Op het continent worden nieuwe biotechnologiebedrijven meestal opgericht door beginnelingen. In Groot-Brittannië heb je veeleer te maken met ondernemers die bedrijfjes in serie oprichten en dus het klappen van de zweep kennen."

Bovendien gaat het de laatste tijd minder goed met de Britse biotechnologiebedrijven. Dat bewijzen de schommelende waarderingen van de op de beurs genoteerde Britse biotechbedrijven. In 1996 raakt de markt verhit. Britse vlaggenschepen zoals British Biotech, Scotia Holdings, Celltech, Chiroscience, worden overgewaardeerd, zodat er een kloof in waardering ontstaat tussen Britse en Amerikaanse biotechbedrijven. Mike Ward: "Dat is vorig jaar rechtgetrokken, toen de terugval in het budget voor productontwikkeling van deze bedrijven bewees dat de reacties op de markt teleurstellend waren: klinische tests sloegen tegen of producten vonden geen bijval bij de consument."

De dalende waardering van Britse biotechbedrijven gaat verder in 1998. Meest opvallend hierbij is de recente neergang van British Biotech, die vooral te maken heeft met berichten over de verkoop van belangrijke aandelenpakketten door het management toen een aantal onderzoeksresultaten bleek tegen te vallen.

Ondertussen zitten de biotechbedrijven op het continent in de lift. Zo verdubbelde het afgelopen jaar de marktwaarde van Innogenetics, dat op de Easdaq genoteerd staat. De marktwaarde van twee andere vooraanstaande bedrijven - het Duitse bedrijf Qiagen (op Euro.nm in Frankfurt) dat zich toelegt op bioseparatietechnieken en het Franse Genset (op Euro.nm Parijs) dat technieken van mapping en sequencing van het menselijk genoom op de markt brengt - nam met de helft toe.

"In Europa is er voldoende geld voorhanden voor biotechbedrijven", zegt Ward, "je moet alleen je broodheren kunnen overtuigen met een sterk verhaal dat duurzame returns verzekert." En die returns kunnen een hele tijd uitblijven.

Dirk Boogmans, ex-vice-president van de GIMV: "De ontdekking van een nieuw geneesmiddel duurt gemiddeld drie jaar en kost 350 miljoen dollar; de klinische tests nemen nog eens zes jaar in beslag, met een kostenplaatje van 250 miljoen dollar." De langetermijntrend leert dat het jaarlijks aantal nieuw gelanceerde producten in de farmaceutica stelselmatig afneemt, terwijl de kosten voor onderzoek en ontwikkeling elk jaar stijgen.

Het opstarten van een biotechbedrijf is een zeer kapitaalintensieve bezigheid. Je hebt van bij de aanvang een managementteam en een volledige researchploeg nodig. Dat ligt helemaal anders wanneer je in de sector van de informatietechnologie of multimedia met een bedrijf begint. Daar kan je al met een 30 miljoen frank van start gaan.

Vanwaar moet dat vele geld dan wel komen? Er zijn de venture capitalists of risicokapitaalbedrijven die de eerste risico's van het opstarten dragen. Boogmans: "Het voorbije decennium zijn de venture capital-investeringen in de Amerikaanse biotechindustrie verdrievoudigd. Ook in Europa neemt het aandeel biotechinvesteringen op basis van risicokapitaal toe."

De kans dat een biotechbedrijf overkop gaat is het grootst in de allereerste ontwikkelings- of preklinische fase van een nieuw product (de kans op mislukking is dan 90 procent). Dat risico neemt vervolgens af bij de verdere ontwikkelingsstappen van het product. Hier biedt de biotechnologie goeie vooruitzichten: er zullen steeds meer biotechbedrijven publiek gaan die hun activiteiten kunnen spreiden over producten in een verschillende risicofase.

Maar risicokapitaal alleen is niet voldoende, er zijn ook andere financieringskanalen nodig. Grote farmaceutische concerns beginnen meer belangstelling te tonen voor samenwerking met kleine innovatieve biotechnologie-ondernemingen. Deze trend doet zich al langer voor in de VS, maar maakt nu ook in Europa opgang. Binnenkort zal voor heel wat traditionele farmaceutische producten de periode waarin ze beschermd zijn door een octrooi aflopen. Van dan af zullen de marges op die producten onder druk komen te staan. Deze concerns beschikken dikwijls niet zelf over voldoende eigen productontwikkelingen om dit verlies te compenseren. Zo zal bijvoorbeeld het Britse concern Zeneca in het jaar 2000 nog maar één product in de laatste klinische testfase hebben - een medicament tegen borstkanker. Zulke gaten kunnen kleine en middelgrote biotechnologiebedrijven opvullen. Die zijn meestal creatief en beweeglijk, ze volgen nieuwe onderzoekswegen en kunnen zo nieuwe producten aanleveren.

Chemische concerns zoals SmithKline Beecham, Hoffmann-La Roche, Glaxo Wellcome, Novartis, Zeneca, Johnson & Johnson, Bayer en vele andere, gingen in het voorbije jaar soms tot twintig verschillende allianties aan met kleinere bedrijven. Hun tactiek verschilt meestal met vroeger.Tot voor enkele jaren kocht een groot bedrijf zich in een vroeg stadium in bij een kleine onderneming. Als het nieuwe product dan echter op de markt niet aan de verwachtingen voldeed, was men zijn geld kwijt. Nu zal het concern een beperkte participatie nemen in het kleine bedrijf en een verdere beloning laten afhangen van de resultaten.

"Die trend blijkt ook uit de cijfers", zegt Dirk Boogmans. "Terwijl in 1993 maar 4 procent van het onderzoek en de ontwikkeling in farmaceutische concerns uitbesteed werd aan kleinere bedrijven, is dit in 1996 al opgelopen tot 27 procent."

Kunnen Vlaamse biotechbedrijven ontsnappen aan dit verlies aan controle op de verdere marketing en verzilvering van de eigen vindingen? Hugo Van Heuverswyn van Innogenetics vindt van wel: het ondernemerschap moet in Vlaanderen meer naar voren komen. Er is het voorbeeld van Plant Genetic Systems dat te vroeg verkocht is aan het Duitse AgrEvo, zodat Vlaanderen een van zijn koplopers kwijtspeelde. En Vlaamse biotechnologische vindingen worden dikwijls door buitenlandse bedrijven gecommercialiseerd, zoals het geneesmiddel tPA tegen bloedklonters, een uitvinding van de Leuvense wetenschapper Collen, waarop het Amerikaanse Genentech de exclusieve rechten kreeg in ruil voor royalty's.

De aandeelhouders van PGS kozen in 1996 eieren voor hun geld: bijna alle grote agro- en chemische concerns, waaronder Bayer en Novartis, stonden te dringen om de technologie inzake transgene gewassen van PGS op te kopen. Agrevo van de Duitse chemiereus Hoechst verwierf het verlieslatend bedrijfje voor 17 miljard frank, het hoogste bod uit de geschiedenis van de biotechnologie. Een andere keuze zou geweest zijn een alliantie aangaan met een agrochemisch of zaadbedrijf, of kiezen voor een beursnotering op de Nasdaq of Easdaq. Dat laatste gebeurde niet, uit vrees voor verlies aan controle op de verdere gang van zaken.

Het verhaal van Innogenetics is anders. In 1985, na een jaar zoeken, vinden de oprichters het nodige startkapitaal bij private investeerders (73 procent) en bij de GIMV (27 procent).

"Er bestond in die tijd geen risicokapitaal in Vlaanderen, dus goed dat de GIMV er was", zegt Rudy Mariën, voorzitter van de raad van bestuur van het bedrijf, "maar dergelijke investeringsmaatschappijen beginnen wel direct over een exit op de beurs te praten. Dat is een nadeel. En in het bestuur kijken ze te veel naar de cijfers, terwijl men daar toch iets van biotechnologie moet kennen. Beter is dat er investeringsmaatschappijen zouden komen die gespecialiseerd zijn in biotechbedrijven."

"Van bij het begin hebben we gesteld: laten we de diagnostica die we ontwikkelen (tests om ziekten zoals aids, hepatitis of Alzheimer op te sporen) ook zelf verkopen. Zo genereren we inkomsten", aldus Mariën. Dat blijkt uit de bedrijfsinkomsten voor de periode 1985-1997: 22 procent komt voort uit onderzoek en ontwikkeling en 46 procent uit de verkoop van producten. "Daarnaast namen we ons voor op internationaal niveau strategische allianties af te sluiten, zodat de eigen kennis niet wordt weggegeven."

Waarom koos Innogenetics in november 1996 voor een notering op de Easdaq? Mariën: "Omwille van de professionalisering van het management, de internationale erkenning en de externe groei. Maar heel belangrijk blijkt nu ook het participatieplan van ons personeel te zijn. Wetenschappers denken alleen in termen van loon. Dankzij dit optieplan zijn ze meer betrokken geraakt bij het reilen en zeilen van het bedrijf. Dat motiveert hen. Ze kijken nu eerst nog snel even naar de koers van het aandeel vooraleer ze 's avonds naar huis gaan."

Maar ook na een beursintroductie blijft het risico van verlies van controle bestaan. En dat is een scenario waarvan het management het script niet zelf schrijft. Toch staat het bedrijf momenteel sterk. De waarde van Innogenetics wordt volgens Penny Edge, vice-president marketing van de Easdaq, begroot op 1.550 miljoen dollar. Bij introductie was dat nog 246 miljoen dollar. De uitgifteprijs van het aandeel bedroeg 12 dollar; nu staat het aandeel al 63 dollar. Dit geeft het bedrijf de slagkracht om afspraken tot samenwerking te maken met partners zoals Solvay, Abott, Genzyme. Verder bestaat het plan om in elk afzetland een distributeur over te nemen. Begin 1999 wordt op het technologiepark in Zwijnaarde een nieuwe productie- en kantoorruimte in gebruik genomen. Die is helemaal volgens de normen van de Amerikaanse Food and Drug Administration ingericht om zo de diagnosticamarkt in de VS volop te bewerken. Het aantal werknemers zal dan oplopen tot zeshonderd mensen.

Maar opdat het ondernemerschap aan bod kan komen in een regio zoals Vlaanderen is meer nodig dan geld alleen. Nu we veel dichter staan bij een explosie van biotechnologische toepassingen in de gezondheidssector, de voeding, de landbouw, het milieu, lijkt het beschikbaar komen van grote sommen kapitaal voor interessante ontwikkelingen geen punt meer. Wat veel langzamer evolueert, is de houding van mensen.

Dat blijkt uit de ervaringen in Biovalley, een drielandenregio aan de Boven-Rijn, waar via overdracht van technologie en mensen uit bedrijven en universiteiten 21 nieuwe biotechbedrijfjes van start gingen. Het gaat om een initiatief dat op gang getrokken is door de plotse afbouw van drieduizend arbeidsplaatsen in de plaatselijke chemievestiging Novartis, na de fusie tussen Ciba en Sandoz in 1996.

"Het grootste obstakel is een mentale verandering bewerkstelligen bij professoren, onderzoekers en managers die financieel veilig zitten in hun job en niet inzien waarom ze risico's zouden lopen door een bedrijf op te starten. Tegelijk moeten daarbij de juridische en fiscale mogelijkheden herbekeken worden", vindt een promotor van het Biovalley-initiatief.

"Cruciaal is ook dat geïnvesteerd wordt in de kennis omtrent biotechnologie bij de bewoners van deze regio en in het debat met het publiek. In Zwitserland bestaan er veel reserves tegenover gentechnologische toepassingen op mens, dier en plant. Je moet aan dat publiek uitleggen wat er precies gebeurt, wat de grenzen zijn - bijvoorbeeld wanneer controversiële items zoals het gekloonde schaap Dolly aan de orde zijn. Zo'n investering in communicatie rendeert in de toekomst."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234