Dinsdag 06/12/2022

Het cijferslot van de herinnering

Een filosoof onderweg: Stefan Hertmans. 'Steden'

Eric Min

Stuur een dichter naar een stad en hij brengt ze mee terug, in woorden verpakt. Stefan Hertmans schreef een indrukwekkend boek over de grote gretigheid van het kijken, lezen en leven in vreemde of vertrouwde straten. Steden is een verzameling aantekeningen over zijn geliefde plekken en dus ook over zichzelf. Intelligent en warm en opwindend, want "wat een mens niet voelt kan men hem ook niet uitleggen".

"De jonge man loopt snel en alleen door de menigte, die oplost in de nachtelijke straten; zijn voeten zijn moe van het uren lopen; zijn ogen zoeken begerig naar de warme ronde contouren van gezichten, naar de aandachtige flikkering van ogen, naar de houding van een hoofd, het optrekken van een schouder, de manier waarop handen zich spreiden en zich tot vuisten ballen; zijn bloed tintelt van begeerte; zijn geest is een bijenkorf van zoekende en stekende hoop." Een lang citaat uit Steden, de 'verhalen onderweg' van dichter en filosoof Hertmans, geschreven in zijn geliefde Triëst, Marseille of Gent?

Ja en neen: het is een fragment uit een verhaal van John Dos Passos op de tweede bladzijde van Hertmans' boek. De tafel is zorgvuldig gedekt, het feestmaal kan beginnen. Alles is er: de opwinding van de eenzame wandelaar, zijn verlangende blik, de literatuur die hij in zijn hoofd heeft meegebracht. Straks zal blijken dat Hertmans weleens boeken in zijn reiskoffertje stopt om eraan herinnerd te worden dat ze bestaan; ze liggen op het oude tafeltje voor het raam in Triëst "stil en gesloten te stralen".

De eerste grote namen zijn al gevallen, Dos Passos en Musil. Maar vooral is het Hertmans' erotische schrijven dat je door de bladzijden heen zal drijven - de gretigheid van het kijken, de polsslag van de begeerte, de goesting in straten en vrouwen. Steden leer je pas kennen wanneer je er van iemand houdt. Dat wist de joods-Duitse filosoof Walter Benjamin ook al. In Eenrichtingstraat schreef hij het op: "Een hoogst verwarde stadswijk, een stratennet dat jarenlang door mij werd gemeden, werd op slag overzichtelijk toen op een dag iemand van wie ik hield er ging wonen." Hertmans' citeert die zin niet, maar Benjamins schaduw spookt voortdurend door zijn bundel. De essays in dit stedenboek zijn geen echte reisverhalen maar erudiete filosofische beschouwingen, aards en tastbaar zoals elke wijsbegeerte die haar naam eer aandoet.

Het prachtige lijf van het Noorse dienstertje in Sydney deint weer terug naar de keuken, op de televisie in het benepen Tübingen wiegt tennisster Steffi Graf met de heupen om de volgende slag op te vangen. In Triëst valt Hertmans voor de zomerjurken en het altijd wisselende licht boven de baai. Hij herinnert zich de goedkope kamer en het Amerikaanse liefje in Venetië, en dit bedverhaal is lang niet het enige. In Wenen noemt de dichter het gevoel bij zijn naam: "het erotische verlangen, de neiging om mijn jasje aan te trekken en te gaan slenteren door de schemer, langslopende mensen recht in de ogen te kijken". Zelfs de dingen spannen samen om hem te verleiden. Of niet, want wie zich ergens gaat thuisvoelen ziet de vertrouwde straten niet meer. De wereld heeft dan opgehouden "zich voor onze blik op te maken, zich op te tutten met een ochtendglans of een scherpe slagschaduw bij een brede bocht".

In de sterkste passages vallen de stad en het begeerde lichaam gewoon samen. Schrikt Hertmans op uit een romaneske droom over straten en stenen, dan omhelst hij de slapende gestalte naast zich in bed. Hoe moet hij zijn utopische plattegrond van Brussel schetsen? Het antwoord staat tussen haakjes: "(daartoe moet je misschien nauwkeurig het lichaam van je geliefde tekenen)". In het lange verhaal over Wenen duikt er plots een 'hij' op, een reiziger die net is aangekomen in een nieuwe stad, "alsof hij een glimp opving van een mens met wie hij voor onbepaalde tijd het bed zou delen". De betovering slaat toe. Uit de blik van de schrijver vloeit al de eeuwenoude, lijmachtige substantie die de plekken en de dingen tot een zinvol geheel samenbindt. Eerst bouwen we met meetkunde en perspectief fraaie landschappen "alsof we zinnen vormen, 'zinsbouw maken' van de losstaande dingen om ons heen". En dan schrijven we erover.

De dichter wil weleens de toerist uithangen en door de clichés van het reizen waden, maar het mag ook iets meer zijn. Hij neemt geen genoegen met het gemoedelijke, verstrooide kijken van de gestudeerde stadsbezoeker of met de romantische vervoering die af en toe opwelt. Te veel Lambrusco heeft Hertmans' kritische bewustzijn aangescherpt: misschien oogt het leven in de nieuwe erogene zone die Bratislava heet wel zo opwindend "omdat je niets ziet van de relaties en de gecompliceerde situaties die mensen met elkaar verbinden. Je ziet de buitenkant, de gebaren en de lichamen, de ogen en het nu, en je leeft eigenlijk in een droom van geschiedenis en ruimte." Vulgair exotisme en pseudo-intellectueel gedaas over het geluk van bruinkool en oud Oostblok-behangselpapier zijn romaneske overdrijvingen, "de poëzie als excuus voor onverstand" - je moet wel een dichter zijn om zulke slimme dingen te schrijven.

Toeristen willen kijken met een zuivere blik, en dan nog het liefst naar wat authentiek is. In de toren van de dichter Hölderlin bij de Neckar in Tübingen wordt Hertmans besprongen door het volmaakt propere landschap en de mensen die er, grüß Gott prevelend, in rondwaren. Hij bederft de pret: schoonheid is een menselijke constructie, een leugen, een waanzinnige nevenwerking van iets wat in wezen onverschillig is. Met Schelling beweert hij dat natuurlijke schoonheid nonsens is. Het is onze blik die voortdurend regisseert en creëert, "anders zouden gemzen en gorilla's in aanbidding moeten zitten staren naar het landschap". Régis Debray, die het boek Contre Venise schreef en dweept met het gezonde scheten latende Napels, wordt dan ook genadeloos neergesabeld in een polemisch essay en krijgt verderop in het boek nog een paar trappen na.

Mooi om te lezen, en het is ook al meegenomen dat Hertmans, die nadrukkelijk niet over Venetië wil schrijven, dat toch doet - een boek lang, in Dresden en Marseille en Sydney. Debray wordt natuurlijk ook afgemaakt omdat hij de Geschiedenis nog met een hoofdletter schrijft. Hertmans weet dat we in een onoverzichtelijke tijdsstroom baden "en dat je juist daarom wilt leven, ook al schuift dat leven sneller dan een droom voorbij". Thuis in Gent of in een andere vreemde vertrouwde stad kunnen we weer ongestoord bij onszelf alleen zijn en worden we er niet meer aan herinnerd dat we van de wereld geen moer begrijpen. We kunnen er leven zonder de illusie van betekenis. In Adelaide, aan de zuidkust van Australië, is dat anders. Hertmans vindt er geen kapstok om wat 'zin' op te hangen. "De banale waarheid leek echter alleen maar ondraaglijk omdat er niets was om me af te leiden." Het Grote Niets snurkt er als een verdwaalde hellehond op een hete middag.

Zo gaat het de hele tijd: de dichter is op de dool, heen en weer geslingerd tussen betekenis en zinloosheid, geschiedenis en toeval, begrijpen en ervaren, drank en vrouwen. In het essay 'Wolken. Thuis' heeft de reiziger zelfs zijn vermomming afgelegd. Thuis wordt de wereld onzichtbaar, overbodig. Wie onderweg is, verbaast zich nog. Hij "neemt waar, en neemt niet zomaar voor waar". Zo is dit stedenboek ook een boek over thuiskomen en even niet meer weg willen.

Hertmans heeft nog meer diepe gedachten in zijn ransel. Over de voorstad als een laboratorium voor de ondergang van het negentiende-eeuwse humanisme bijvoorbeeld, met een schitterend Benjamin-citaat. Over het failliet van het communisme of over de gepensioneerde croupiers die voor Brusselse burgemeesters moeten doorgaan. Clichés zijn er ook, en van harte. De baai in Triëst en de zee aan het eind van de Canebière lijken pleinen van water, Marseille is "louter heden, licht, bont en luchthartig" (en al even zuiver als het Napels van rivaal Debray?). Het echte reizen is dood, ja, vermoord door het onwezenlijke comfort van de technologie. Maar Hertmans heeft en passant wel een boek geschreven waarmee je de binnenkant van je hoofd kunt verkennen, en de rest van de wereld.

Een dichter is natuurlijk ook een talig mens. In het theater van de grote stad lopen we dan ook bekende figuren tegen het lijf: Joyce, Baudelaire, Magris, Klemperer, Kafka, Verschaffel, Mulisch, Celan en veel anderen. Peter Handke bijvoorbeeld, die als maître à penser en vaste klant over Hertmans terrassen wankelt. Maar ook de taal zelf is prominent aanwezig, in de "rondzoemende, mystieke naam Australië" of in de mijmeringen over het aanleren van vreemde woorden - Brussel dankt haar hoerige charme aan een taal die zo chaotisch is als haar stedebouw.

Wie zozeer met zinnen in de weer is, moet wel prachtige exemplaren nagelaten hebben. Zo herinneren Hertmans' sublieme opsommingen aan de reeksen in de prozagedichten van Annie Reniers, aan Aankomen in Avignon van Daniël Robberechts of de stadsessays van Rudi Laermans. Dingen voor in gedichten zijn het - dat is een woord van de schrijver zelf. Af en toe wil hij een avond uit zijn leven in woorden opslaan. "Misschien is het ooit voor iemand, een ogenblik, belangrijk dat je hem vasthoudt, al is het maar omwille van een beeld (...). Dus leg ik het vast." Lust wil eeuwigheid, diepe, diepe eeuwigheid. Op pagina 40 denk ik aan de taal van Rilke die over Rodin schrijft. Drie bladzijden en één essay later loopt Rainer Maria door het beeld op een wandelpad bij Duino. Mooi is dat. Het is alleen jammer dat je zelfs bij een taalvirtuoos als Hertmans over schrijffouten in eigennamen struikelt. In "Thomas Bernhardt" hoort geen t, de "Mocafé" wordt met k gespeld, de tweede s van "Hausmann" is zoek, enzovoort.

Ongeveer halfweg in het boek heb ik mij Hertmans' ritme eigen gemaakt. Ik weet nu hoe hij zich door de straten en in zijn hoofd beweegt. Ik volg de rode draad van het langzaam een beetje dronken worden en de bedwelming door het parfum van een vrouw. Ik ken de stank van vis en vet uit de huurkazernes. De geurcombinatie van spruitenstekken en natte jute, "gedraaid op het uiterst moeilijke cijferslot van mijn herinneringen", opent een deur naar zijn verloren ervaringen. Het madeleinekoekje van Proust, van de lezer en de schrijver... Er bekruipt mij een heerlijk, onbehaaglijk gevoel: de dood is in dit boek en in mijn lichaam. Steden is een dichtbundel en een filosofisch traktaat over de tijd die ongemerkt wegtikt. Ik leg het weg. Ik wil langzaam een beetje dronken worden en thuiskomen in de geur van een geliefd lichaam.

Stefan Hertmans, Steden. Verhalen onderweg, Meulenhoff/Kritak, Amsterdam/Leuven, 256 p., 698 frank.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234