Donderdag 06/05/2021

Het Brusselse gordijn

Boris Iljic leeft alleen, en zijn eenzaamheid kun je ruiken. Hij bezit geen huisdieren, krijgt geen vrienden over de vloer, geen mensen uit de straat die langskomen of andere asielzoekers die hij heeft leren kennen. De enige metgezel van Boris is de geur die hij met zich draagt, een kleffe, zurige geur van goedkope halfzware shag van Van Nelle, zweet en gumpotlood, en die niet van hem wijken wil, als een soort zintuiglijke slagschaduw. Boris lacht weinig. In de buitenlucht spuugt Boris uit gewoonte op de grond. Als ik vraag waarom hij zo overvloedig spuugt, antwoordt hij: 'I have to spit; my semen is no good.'

Boris overhandigt me een koptelefoon die met plakband is gerepareerd en die veel te ruim om mijn hoofd sluit. De twee koppen glijden half in mijn nek. "Well? What do you think?"

Ik luister. Een gebronsde Vlaamse vrouwenstem jeremieert onder mijn oorlellen: "Blijf nog een nacht / voor je mij alleen laat / voor je van me weggaat / als was het weer de eerste keer / nog een keer / en daarna nooit meer." "I like this song so very much", verzucht Boris. "Wendy van Wanten. You know her? Is she a rich woman?"

Ik leun achterover tegen een van de brede open opbergkasten. Het huis waar Boris en ik wonen, was in vroeger tijden een bontzaak. De planken waarop de verse pelsen te drogen werden gelegd zijn in de kamers bewaard gebleven. De afgehuide vellen van pelsdieren hebben plaatsgemaakt voor boeken, vazen en foto's. Of, zoals in Boris' geval, voor glossy tijdschriften over computers en hifi-apparatuur, alsmede voor zijn indrukwekkende stapel Amerikaanse business magazines. Zijn kamer puilt ervan uit.

Op het tafeltje naast het tweepits kookfornuis staat een aluminium bakje met onbestemd voedsel waaruit Boris met een plastic vork wat happen neemt. Aan het voeteneinde van zijn eenpersoonsbed staat een Pioneer-tv. Het scherm vertoont onophoudelijk reclameboodschappen.

Tegen de wand boven zijn eenpersoonsbed heeft Boris met plakband twee grote A2-vellen naast elkaar opgehangen. Daarop heeft hij een grafiek uitgetekend waarop hij iedere dag met gumpotlood en ballpoint de veranderende koersen noteert van aandelen, opties en obligaties. De gegevens neemt hij over van de beursberichten op CNN en NBC. Uit eerdere gesprekken heb ik begrepen dat Boris staatsobligaties heeft aangeschaft "in een Europees land tegen een voordelige prijs". Een strategische investering, vindt hij, omdat hij als asielzoeker liever geen spaargeld op de bank bewaart vanwege de regelmatige controles van de Belgische sociale dienst. Waar hij het geld voor zijn obligaties vandaan heeft? Overgehouden van zijn uitkering door hardnekkig te sparen en maniakaal zuinig te zijn. Niet gemakkelijk voor iemand die leeft van een kleine achttienduizend Belgische frank per maand (vierhonderd euro) en die voortdurend in geldnood zit.

Boris leeft zo zuinig als hij kan, zuiniger dan gezond voor hem is. De gehuurde kamer kost hem niet veel geld. Zijn kleren zijn van de katholieke bedeling. Eten scharrelt hij het liefste bij elkaar uit containers met overblijfsels van slagerijen, groentezaken, supermarkten en andere voedingswinkels in het centrum van de stad. Een tandarts of arts bezoekt hij niet, want hij is niet verzekerd. Het meest trotse bezit van Boris is zijn Sony-minidisc recorder, die samen met een Sony-versterker en cd-speler prominent, als opengeslagen bijbel en kelk op een altaar, staat opgesteld op een plank aan het hoofdeind van zijn bed. De minidisc, eveneens het resultaat van onversaagd spaarwerk, geldt als het heilige der heiligen in deze kleine zweetkapel, deze mansarde onder het beklemmende, lekkende dak van de sociale misère.

Boris straalt. Zijn bruine ogen glunderen vanachter zijn ovalen brillenglazen. Ik zie zijn lippen bewegen, haal de kanjer van een koptelefoon van mijn hoofd. Boris herhaalt zijn vraag, nog altijd even stralend. "Well, what do you think of the sound?"

Wie iets bezit, wil meer. Wie niets bezit, wil veel meer. "Waar ik nu van droom", vertelt Boris, "is een computer met een softwareprogramma waarmee ik al mijn muziek en opnames kan catalogiseren." Helaas blijft het bij dromen, watertanden, bladeren in computermagazines of reclamefolders en het tot in de puntjes bestuderen van vergelijkend warenonderzoek op het gebied van de allernieuwste elektronicasystemen. Boris heeft er een heuse studie van gemaakt. Een levensopdracht. Hoe meer hij daarin op kan gaan, hoe minder hij het gevoel heeft dat een etalagewand hem gescheiden houdt van de luxe in de winkels die hij zo fanatiek afstruint. Boris is wat je zou kunnen noemen een consumptiepelgrim. Hij reist stad en land af om audioleveranciers, computergroothandels of nieuwe elektronicazaken te bezoeken waarvan hij een folder heeft ontvangen of een advertentie heeft gezien. Hoe chiquer de showrooms, hoe onbetaalbaarder de opgestelde modellen, hoe flitsender de advertenties, hoe meer genoegen Boris beleeft aan het hulpeloos opzuigen van zijn eigen illusies. Zolang hij er vlak bij kan zijn en er, schijnbaar of gedeeltelijk, in kan participeren, slaagt hij er wonderwel in zich fictief te laven aan de nieuwste technische snufjes die hij in het echt ontberen moet. Boris is als de alcoholist die dronken kan worden bij het zien van een goede fles whisky in het rek van de slijter, of als de junk die de roes voelt opkomen bij het vastpakken van een onschuldige lepel of aansteker. Zolang hij te arm is om te kopen wat hij wil, zijn zijn wensen zijn kapitaal. Geld voor trein- of bustickets heeft hij niet. Boris legt zijn winkelpromenades wandelend en liftend af.

Het is inmiddels oktober, tweeënhalve maand na onze kennismaking. Tijden van cholera en geen liefde. In het moederland van mijn bovenbuurman is de economische pleuritis uitgebroken. Mijn doodzieke vader ligt thuis in Noord-Brabant op sterven. Mijn vriendin betrap ik op een zaterdagnacht met een ander in bed.

Boris heeft al mijn cd's die hij de moeite waard vond uitvoerig gekopieerd. Driemaal. De eerste keer heeft hij ze op cassette overgezet. De tweede keer op zijn nieuw verworven Sony-minidisc. De derde keer geschiedde omdat er de tweede keer iets fout was gegaan. Boris had zijn geliefde apparaat te grondig gereinigd met een ethylachtig goedje. Beteuterd vertelde hij dat alle muziek "zwabberig en vals" op zijn schijfjes terecht was gekomen.

Op mijn deur vind ik na een kort verblijf in Brabant een noodkreet van Boris. De tekst is met dikke zwarte viltstift neergepend in grote hanenpoten op een bladzijde die uit een computertijdschrift (What HiFi?) is gescheurd. Over de rubriek 'Quality and Ergonomics' lees ik een noodkreet: "Serge, pleaze knock on my door. I've been waiting you for too days now. Your help is desperutely of need. Boris."

Ik haast me de trap op en klop aan in het bedompte gangetje op de tweede verdieping van het studentenhuis. Er klinkt gestommel. Een sleutel wordt omgedraaid. Ik zie een stukje van de bril van Boris. Hij zet een pas naar voren, de donkere gang in, en trekt de deur achter zich dicht. Met zijn rechterhand maakt hij een wapperende beweging, alsof hij stank wegwuift. "No, please, don't come in. It's because of the mosquitoes. I don't want them to come in..."

Buiten is het guur herfstweer, een paar graden boven nul. De laatste muggen zijn een maand geleden tegen de muur kapotgeslagen. Boris vraagt of hij over vijf minuten beneden bij mij kan aankloppen.

Hij arriveert met een brief in de hand van de Vaste Beroepscommissie van Vluchtelingen, North Gate II, E. Jacqmainlaan 152, Brussel, opgesteld in het Nederlands. Hij vraagt of ik de brief wil vertalen. "It is very, very important for me. Please."

Zijn asielaanvraag is afgewezen, zo vertelt hij, omdat hij zichzelf bij diverse verhoren op enkele cruciale punten heeft tegengesproken. Hij geeft toe dat hij over enkele zaken "not quite the truth" sprak, "but I had no choice." Na drie jaar geleden als illegaal bij een politiecontrole te zijn opgepakt heeft Boris de Belgische autoriteiten wijsgemaakt dat hij de omgeving van Sint-Petersburg is ontvlucht omdat hij als jood herhaalde malen werd bedreigd en zelfs mishandeld door antisemieten, zonder dat hij daarna op enige steun of bescherming van de plaatselijke politie kon rekenen. Ik vraag hem wat er "not quite true" is aan dit verhaal. Met een klein stemmetje zegt hij: "I'm not Jewish."

Er kan beroep tegen het besluit worden aangetekend, zo lees ik in de brief, binnen veertien dagen per aangetekende brief die is opgesteld in het Nederlands of Frans. Aangezien ik schrijver ben van beroep, zegt Boris, kan ik hem misschien helpen met het opstellen van dat bezwaarschrift. Zelf spreekt hij geen Nederlands. "You are my last hope!"

Tijdens het opstellen van de brief maakt Boris zich kwaad over "die Polen, die Letten, die Tsjechen" die zich hier ongestoord een tijdje kunnen vestigen, terwijl mensen als hij hooguit een toeristenvisum voor een of twee weken kunnen bemachtigen. Als ze geluk hebben en een officiële uitnodiging kunnen regelen. Mensen uit Rusland worden overal met minachting bejegend in West-Europa, klaagt Boris. Voor de mensen hier zijn zij derderangsburgers. "Het Belgische systeem dwingt me ertoe soms dingen te vertellen die niet helemaal correct zijn. Mijn relaas is niet de volle waarheid, dat geef ik toe, maar het is evenmin volledig uit mijn duim gezogen. Als de autoriteiten in West-Europa me niet als derderangs-Europeaan zouden behandelen, als ik me vrij zou kunnen bewegen zoals de andere Europeanen, dan zou dit leugentje om bestwil helemaal niet nodig zijn."

De aanhoudende toevloed van economische migranten is de prijs die het Westen moet betalen voor zijn eigen voortvarendheid. De EU heeft de naam van het continent botweg geconfisqueerd voor haar politieke unie en haar munteenheid, ze heeft Europa geschaakt, zonder om te kijken naar de mede-Europeanen, die bij deze ontvoering uit de boot dreigen te vallen of al zijn gevallen. Dat velen nu weer aan boord willen klimmen valt niet te voorkomen zolang de vijftien westerse lidstaten van de EU een fundamentele uitbreiding van de Unie op de lange baan blijven schuiven. Alle Oost-Europese landen kruipen zich krom om in de gunst te komen van de zittende lidstaten, en worden uiteindelijk dubbel zo hard vernederd. Als een land het voorrecht verwerft om plaats te mogen nemen in de antichambre van de club voor leden met de Gold Card, dan begint Brussel altijd meteen heel streng en hooghartig te wapperen met een boek van tachtigduizend bladzijden vol regeltjes waaraan de nieuwe lidstaten moeten voldoen vooraleer de cake kan worden aangesneden.

Wie niet wil wachten tot de EU zich eindelijk zal openstellen voor Europeanen van buiten de Schengen-grenzen, zal zich voorlopig nog met ellebogen en leugentjes-om-bestwil een weg naar binnen moeten wringen. Boris Iljic is een van hen. In ieder geval wil hij nog acht maanden langer in België blijven. Tot mei. Wat moet hij in Rusland nu de winter voor de deur staat? Het is crisis, het is koud, er is geen werk, zijn ouders en broer hebben moeite rond te komen en overleven vooral dankzij de moestuin. De hele toestand, zegt Boris, is er 'uitzichtloos en rampzalig'. Ik vraag of hij al heeft overwogen in de echt te treden met een Belgische dame, wat de kansen op een verblijfsvergunning allicht vergroot. Die mogelijkheid heeft hij wel overwogen, maar helaas is hij "niet echt van het huwelijkse type". Besmuikt, met een onzekere grijns die zijn grafzerkengebit op pijnlijke wijze openbaart, lacht hij: "Too many beautiful women, you know, ha ha."

Tijdens het componeren van de brief raakt Boris geregeld in paniek. Telkens als ik concreet wil ingaan op de inconsequenties die de commissaris in de verhoren heeft aangetroffen en die in het attest van de Vluchtelingencommissie staan opgesomd, smeekt hij: "Oh no! Please, no details! Don't be specific! Remain as vague as possible." Als er na drie uur puzzelen, formuleren en herformuleren dan toch eindelijk een brief uit de printer rolt, bekijkt hij die sipjes. Hij verontschuldigt zich nederig. "Sorry I took so much of your time", zegt hij. En hij sloft bezorgd weer naar boven, om iets later terug te keren met een hele stapel tijdschriften over de nieuwste audio-apparatuur, video's, computers en spelletjes. "Die mag je lenen", zegt hij, "omdat je me geholpen hebt met de brief."

De volgende dag wordt er opnieuw door Boris op de deur geklopt. Nee, binnenkomen wil hij liever niet. Hij heeft last van "a very embarrassing problem". Hij kijkt om zich heen of niemand meeluistert in het trappenhuis. Fluisterend zegt hij: "I have this terrible smell under my arms..."

Hij kijkt me hulpeloos aan. "I need something to kill the smell. I really want to kill it, you know."

Ik vraag of hij al gedacht heeft aan deodorant. Boris schudt zijn hoofd. Deodorant heeft geen zin. Het helpt niet.

Kan een apotheker hem niet van advies voorzien? Te duur, zegt Boris. En ze verkopen enkel dure troep.

Het ziekenhuis dan?

Boris knikt en vertelt dat er een verpleegster was in Oostende die hem vorig jaar iets effectiefs gegeven had. De naam van het medicijn wist hij echter niet. Het ging om poeder dat hij onder zijn voetzolen en oksels moest deppen met een speciaal gaasje. Dat werkte. De naam van het poeder wil hem echter maar niet te binnen schieten.

"Er schijnt een zuur te bestaan dat alle kwalijke geuren kan elimineren", fluistert Boris. "Does the name Bohr ring a bell? Bohr. You know what I mean? How do you pronounce it, Booohhh, Borrrr?"

Doelt hij op Niels Bohr, de chemicus en opsteller van het periodiek systeem der elementen?

"Met zuur zou ik oppassen", zeg ik.

Enkele weken later, als ik Boris tegenkom in het trappenhuis, vraag ik hoe het staat met zijn hygiënisch ongemak. "Uierzalf", zegt hij tevreden. "Ik smeer me in met uierzalf. Dat ruikt lekker en ik zweet minder."

Ik knik. "En je bezwaarschrift?"

"Dat lijkt in orde. Ik kan voorlopig nog blijven. Ze hebben mijn verzoek om asiel opnieuw in beraad genomen."

Boris vraagt of hij een keer mee mag rijden naar Brugge. "Er is daar een nieuwe audiowinkel die ik graag een keer zou bezoeken."

Ik doe Boris een voorstel: ik zal hem naar de audiowinkel in Brugge brengen, als hij me vergezelt naar parkeerplaats Jabbeke aan de snelweg van Brussel naar Oostende.

"Waarom?", vraagt hij achterdochtig.

"Om te fungeren als tolk", zeg ik. Het terrein rond het Fina-pompstation staat bekend als een brandpunt van allerhande mensensmokkelnetwerken. Het is een pleisterplaats voor Oost-Europese chauffeurs die er tanken voor ze het Kanaal oversteken. Last stop before England wordt de plek wel genoemd, of de transitstrook. 's Nachts is het parkeerterrein behalve een rustplek voor truckers ook een opstappunt voor vluchtelingen die een laatste poging willen wagen het continent achter zich te laten. Ze wachten op het juiste moment, het afgesproken transport of voegen zich bij andere familieleden of lotgenoten die zich in een truck hebben opgesloten.

"Wil je naar Engeland?", vraagt Boris met grote ogen. "Je hebt toch een Schengen-paspoort?"

"Ik wil een artikel schrijven over het parkeerterrein."

Boris knikt bedenkelijk en vraagt hoeveel geld ik met dat artikel ga verdienen. "Nu ja... misschien heb ik nog interessante informatie voor je", zegt hij dan. Naar Jabbeke wil hij wel, als hij maar niet met de rijkswacht in aanraking hoeft te komen.

Jaarlijks lopen bij rijkswachtcontroles op het parkeerterrein van Jabbeke vele honderden illegalen tegen de lamp. De Engelse immigratieminister Mike O'Brien rekende voor dat er ieder jaar minimaal achtduizend vluchtelingen zonder toestemming zijn land worden binnengesmokkeld met vrachtwagens. Voor O'Brien is de maat meer dan vol. Hij kondigde aan zware geldboetes in te zullen voeren voor vrachtwagenchauffeurs in wier trucks illegalen worden aangetroffen. Zo'n 120.000 frank per verstekeling.

Engelse en Belgische beroepsverenigingen van de transportsector reageerden boos. "Het is alsof je moet betalen als er in je huis wordt ingebroken. De meeste chauffeurs weten niet dat er mensen tussen de lading verstopt zitten omdat de vluchtelingen ongezien in de truck proberen te geraken. De verstekelingen kruipen overal tussen, je vindt ze zelfs bij de wielen onderaan het chassis of op het dak, waar ze het dekzeil openscheuren. Soms levert dat levensgevaarlijke toestanden op. Illegalen worden vermorzeld tussen de wielen of de lading van de truck die hen vervoert, of ze stikken wegens een gebrek aan zuurstof."

"De verstekelingen snijden het canvas stuk", weet Boris. "Met een stanleymes. Dan naaien ze alles weer dicht met naald en draad, zo secuur mogelijk zodat de sporen van de ingreep nauwelijks nog te zien zijn. Het dichtnaaien van het canvas neemt ongeveer anderhalf uur in beslag."

"Hoe weet je dat?"

"Ik heb in Oostende gewoond in een asielzoekerscentrum vlak bij de haven. Daar verdwenen voortdurend medebewoners op deze wijze naar Engeland. Ze overlegden op hun kamers over hun plannen voor de overtocht."

Naast de chauffeurs die ongewild te maken krijgen met verstekelingen, zijn er ook transporteurs die wel degelijk op de hoogte zijn van hun illegale lading mensenvlees. Mensensmokkel is een uiterst lucratieve handel waar nog meer profijt uit te halen valt dan uit drugs. Steeds meer georganiseerde bendes beginnen zich er daarom op toe te leggen. Transporteurs kunnen met een transport tussen de duizend en zesduizend dollar 'per kop' verdienen. Dit laatste maakt de gewone truckchauffeurs alleen maar angstiger. Hoe bewijs je de politie dat je echt van niks wist? Sommige transportfirma's in België laten hun chauffeurs alleen nog via de shuttle in Calais rijden, waar de trucks automatisch gecontroleerd worden door middel van een warmtedetector. Vroeger werd die enkel gebruikt om te controleren of chauffeurs dieren bij zich hadden. Nu gebruiken ze die ook voor mensen.

"Nothing going on", zegt Boris als ik mijn gele bestelwagen op het parkeerterrein heb geparkeerd. We zien de boel een tijdje aan, zonder dat er wat noemenswaardigs gebeurt. Boris wil vast door naar de audiozaak in Brugge. Hij weigert uit de auto te komen. "Er zijn hier geen Russen", zegt hij. "En Pools spreek ik niet."

Ik probeer een praatje te maken met een Poolse chauffeur die bezig is zijn truck vol te tanken met diesel. Hoewel ik op een meter afstand van hem sta, doet de man of ik niet besta. Hij kijkt dwars door me heen. Uit de cabine stapt een vrouw van middelbare leeftijd met een pannetje in de hand. Veel Oost-Europese chauffeurs reizen rond met hun echtgenotes. Omdat ze zo lang van huis zijn, maar ook omdat ze vaak geen huis hebben. Ze wonen in hun truck.

Ik stap opzij voor de vrouw en ga vlak voor de pomp van de Pool staan. Als ik de man aanspreek, schudt hij resoluut zijn hoofd.

De chauffeur van transportfirma Kadar Trans uit Boedapest is spraakzamer. In rudimentair Duits maakt hij me duidelijk dat hij zijn vrachtwagen altijd nauwgezet controleert voor hij na een rust- of tankstop verder rijdt richting de haven van Oostende of Zeebrugge. Hij heeft zelf nooit illegalen aan boord gehad, daar is hij zeker van. "Bei mir keine Chance", zegt hij. De chauffeur leidt me rond zijn wagen en toont me de inhoud van zijn trailer. Leeg. Om er zeker van te zijn dat zijn wagen ongemoeid is gelaten, bevoelt de Hongaar gewoonlijk het blauwe canvas dat over de roosters van zijn laadwagen is gespannen. Oneffenheden kun je niet altijd zien, vooral als het donker is. Aan de rechterkant van de truck valt op dat het zeil op sommige plekken is gescheurd en gerepareerd. Die inkepingen, zegt de chauffeur, zijn veroorzaakt door slijtage of door scherpe houtsplinters van pallets die bij het laden of lossen het doek hebben beschadigd. De scheuren zijn te grillig om met mes te zijn veroorzaakt. De openingen zijn te klein voor een mens om er zich doorheen te wringen.

Ik rijd met Boris verder, de E40 op, naar de haven van Oostende, het gedeelte met de langgerekte kades en pakhuizen, waar de trawlers aanmeren en dat bekendstaat als 'de vismijn'. Visgroothandels verwerken er de verse vangst en distribueren de vis verder naar de detailhandel en supermarkten. Particulieren kunnen er terecht om tegen voordelige prijs oesters, kokkels, kreeft, krab, langoustine, kabeljauw, zalm en rog te kopen of geprepareerde stukken heilbot en zalm.

De vismijn maakt een vervallen indruk. Heel wat vissers laten hun vangsten tegenwoordig liever in buitenlandse havens veilen. Dat levert meer op en kost minder tijd. De schepen kloppen aan bij veilingen langs de Britse en Deense kust, dichter bij de wateren waar ze hun netten uitwerpen. Er komen minder en minder schepen terug naar de vismijn.

Ik parkeer mijn wagen voor zeevisgroothandel Hector Eerebout. Boris vertelt dat hij hier altijd vissenkoppen ging halen en restanten zalm en heilbot, voor de zwerfkatten van Oostende. "En voor mezelf." Boris instrueert: "De vissenkoppen waar nog behoorlijk wat vlees aanzit, dompel je onder in een teil met lauw, gezouten water. De vis moet minimaal een halve dag in de pekel, liefst een etmaal. Dan eet je de koppen rauw met mosterd en bruin brood, of je trekt er soep van. Heerlijk en het kost niks."

In Brussel is er helaas geen visafslag, zegt Boris, en de luxueuze vistraiteurs in het centrum of de Marollen zijn een stuk minder gewillig in het laten rondscharrelen van een Russische asielzoeker in hun afvalbakken dan de vissers en visverkopers in Oostende.

Op de overdekte afslag staan witte vriesdozen van piepschuim die volgeladen zijn met onbruikbare resten vis, vooral staarten, stukken graat en grijsblauwe koppen met uitpuilende, glazige ogen. Meeuwen zwermen over het water en blijven al krassend in de buurt van de kade cirkelen. Boris laadt wat zalmkoppen in een plastic tas. "I love that soup that I make from fish head", mijmert hij. "It's so tasty."

We stappen weer in de wagen, rijden terug langs de kaden over de ophaalbruggen bij de ferryterminals naar een onbewaakt parkeerterrein voor trailers dat toebehoort aan de Ostend Cargo Handling Services. Boris zegt dat vluchtelingen hier 's nachts in de trailers proberen te geraken. De andere parkeerterreinen zijn te goed bewaakt en omheind met metershoge hekwerken en videocamera's.

Ik knoop een gesprek aan met een trucker die bezig is een trailer te lossen. De man spreekt West-Vlaams, heeft een ringbaardje, en verwijst me naar Zeebrugge: "Ginds krabbelen de meeste in de schuutse. Ga daar maar 'ns gluren. Bij mij zulde gene vinden."

We rijden naar zee, passeren een vuurtoren, een haventje waar plezierjachten liggen en waar ook een baggerschuit ligt aangemeerd. We parkeren de auto op een zandweggetje dat naar een oude militaire citadel leidt en waar zich nu een hondentrimschool bevindt. De bumper van de terreinwagen voor ons is beplakt met een sticker waarop staat: "Dieren hebben ook gevoel." Baasjes met hun Bello, Lupo of Bruno achterin rijden voorbij. Links onder ons ligt het strand, rechts liggen de duinen met bunkers die door de Duitsers zijn gebouwd. Een houten paneel geeft op ouderwetse wijze aan wat er hier zoal aanspoelt. "Op het strand vind je schelpen, overblijfselen van dode vissen en kreeftachtigen. Maar ook: turfblok, drijfhout, eikapsel wulk, knotswier, eikapsel rog, bladachtig hoornwier, rugschild inktvis, noordzeekrab, oorkwal, flessen met eendenmossel, zwaardschede wulken." Wat niet vermeld staat: asielzoekers. Toch spoelen ook die hier aan in groten getale. Jutters betaald door de staat sprokkelden tot voor kort hele busladingen samen in een gebouw dat verderop aan de wering ligt verscholen tussen de duinpannen. Boris heeft er bijna twee jaar gewoond.

Fabiola heet het centrum; het heeft drie verdiepingen, balkongalerijen met uitzicht op zee, grote ramen en het maakt deel uit van een desolaat complex met kazernes dat vroeger dienst deed als militair hospitaal. Zowel het hospitaal als het asielzoekerscentrum zijn nu verlaten en staan te koop. Om de grauwe gebouwen staat een uitgestrekt hekwerk, met borden die waarschuwen dat er waakhonden en soldaten de wacht houden. Links van het centrum, half in de duinen, staat een houten uitkijktoren die uitziet over een groot deel van de kazernes. Het terrein krijgt hierdoor zowel iets van een leeg kuuroord als van een concentratiekamp. "Look, wasn't it nice!" Boris slaakt een diepe zucht. Hij arriveerde hier eind 1994 met een door de vreemdelingendienst gehuurde toeristenbus die wekelijks vanuit het Klein Kasteeltje, het centrale asielzoekerscentrum in Brussel, vertrok richting de kust. De buslijn wordt door het personeel van het Klein Kasteeltje cynisch the delivery line genoemd: de bezorgdienst die asielzoekers aflevert, als pakjes of pizza's, aan de deur van de centra. Fabiola was de eindhalte. "Het uitzicht op Engeland kreeg je er gratis bij", zegt Boris. "'s Morgens stond ik op, schoof de gordijnen open, knipoogde naar de meeuwen en piste van het balkon. Woahhh, wat een tijd!" De Rus schopt in het zand en spuugt, de handen in zijn zakken. "In het begin, toen ik hier kwam wonen, lette ik nooit zo erg op het uitzicht, op de uitvarende schepen, de contouren van de stad aan de overkant van de haven. Ik probeerde werk te vinden, had een oogje op een medeasielzoekster, een Russin van mijn leeftijd. Ik dronk bier in cafés, voerde vissenkoppen aan de zwerfkatten. Het was een goede tijd."

Ik vraag waarom hij er destijds is weggegaan. Boris zegt: "In het Russisch is er een gezegde dat luidt: in een mooi huis woon je mooi, maar aan de overkant woon je nog mooier."

Later bekent hij: "Het was vanwege de liefde.Toen het uit was met de Russin, wilde ik hier niet langer blijven." Boris spuugt een fluim op de grond. "Vrouwen willen vastigheid. Ik ben geen man voor lange relaties." Hij lacht wrang. "Veeleer een man van problemen."

Hij verhuisde naar een kleine voorstad in de provincie. "Als je in de modder leeft, word je vanzelf vuil", zegt Boris. "Ik wilde niet in de modder leven. De modder, dat is Antwerpen, een vrijhaven voor de Russische maffia. Ik zou er zeker aanbiedingen krijgen om wat bij te verdienen, aanbiedingen van landgenoten, en het zou veel te moeilijk zijn om nee te zeggen. Russen uit Antwerpen ga ik uit de weg. Ik mijd ze."

Boris wil niet mee naar binnen klimmen. Hij heeft slechte ervaringen met de bewaker, die het niet kon hebben dat Boris zijn stinkende vissenkoppen in een koelbox in het centrum bewaarde. Staand op het achterterras van het gebouw zie ik dat de trappen die leiden naar de balkongalerijen zijn afgezet met rollen prikkeldraad. Ik tuur door de vuile ruiten, zie een verlaten ruimte met witte kasten en een roestvrijstalen aanrecht, linoleum op de vloer, een hoop troep en stof. De deur van de keuken staat open en daarachter zijn de kazernes zichtbaar.

"Zelfs geen bedden? Er stonden metalen bedden! En lockers, er stonden lockers in de kamers!"

"Alles leeg."

De wind blaast in onze haren. Boris vraagt of we nu dan eindelijk naar Brugge kunnen rijden. Hij spuugt op in het zand en neemt een van zijn kleverige, langwerpige zuurtjes in de mond.

"Hier zou ik graag willen wonen", mijmert Boris als we door de statige, sombere lanen rijden van Brugge. Hij vraagt of hij even 'voor privé-zaken' langs kan gaan op een adres aan de rand van de binnenstad. Ik moet op hem wachten in de auto. "Privé-zaken zijn privé-zaken", zegt hij, en hij belt aan bij een herenhuis. Een kwartier later komt hij terneergeslagen weer naar buiten. Zijn Russische gevloek klinkt als het gesputter van een kapotte uitlaat. "De prijs van mijn obligaties is gekelderd", legt hij uit. "Een goede investering, hadden ze beloofd. Pfff!" We eten een bakje friet met sauce américaine op de Grote Markt, bij een houten kot. Jongeren draaien rondjes op de schaatsbaan. Een housebeat blaast ons tegemoet. Terug in de auto steekt Boris een tirade af tegen Amerika "where blacks are kings". Vanwege de zwarten wil hij nooit naar Amerika. Zwarten zijn veel te uitbundig. "They are so rude, they behave like apes..." Hij houdt van mensen die beheerst zijn. Mensen die het hoofd koel houden. Wie er ook aan moeten geloven in Boris' betoog, zijn de Finnen. Finland is eigenlijk altijd een provincie van Rusland geweest. Boris weet hoe het zit, want zijn familie heeft een datsja, een houten buitenhuisje, in Karelië aan de grens met Finland.

In de chique hifi-zaak kent Boris geen enkele gêne meer. Hij huppelt rond als een opgetogen kleuter en bestookt de verkoper in de showroom met gedetailleerde vragen. De man krabt zich achter de oren, vraagt of Boris plaats wil nemen in de zachte fauteuil, en komt even later aanzetten met allerlei folders en koffie. Gewillig laat Boris zich de ins and outs uitleggen van de allernieuwste Denon-geluidsdrager, knikt tevreden als hij zijn kopje op heeft en groet de verkopers die verbluft achterblijven in de glazen ruimte. "Kom Serge, laten we gaan. Deze zaak is niet wat ik me ervan voorstelde."

Een maand later stroomt het water in stralen van het plafond. Boris heeft de douche laten overstromen. Hij komt van de trap afgestommeld met emmer en dweil en verontschuldigt zich in alle toonaarden. "I had a blackout", zegt hij. Het water druipt zelfs van de traptreden.

Een dag later klinkt weer het bekende geklop op de deur. Het is Boris die me een strijkbout toont. En een vaal schoudertasje. Hij vraagt of ik de spullen niet wil kopen. "Ik heb geld nodig, zie je..."

Boris zegt dat hij een gehoorapparaat wil aanschaffen voor zijn vader in Rusland.

Zijn meest geliefde bezit, de Sony-minidisc, heeft hij daarom verkocht aan het studentenpaar op de overloop. "For quite a good price." Hij was tot de verkoop overgegaan in de veronderstelling dat hij zijn apparaat bij tijd en wijle nog wel zou mogen lenen. De pech wilde echter dat de jongen de minidisc als verjaardagsgeschenk aan zijn vader cadeau deed. Het apparaat staat nu ergens in een huiskamer in een afgelegen dorp in West-Vlaanderen.

Voor ik de deur weer dicht doe, vraagt Boris of ik misschien geïnteresseerd ben in zijn Pioneer-tv. Hij heeft een vriendenprijsje in gedachten van tienduizend Belgische frank (tweehonderd euro). Een buitenkansje, zegt hij, want zelf heeft hij er het dubbele voor betaald en het apparaat verkeert nog in perfecte staat.

"Zul je er geen spijt van krijgen?"

"Misschien dat ik nog af en toe de beursberichten bij je mag komen bekijken..."

Zeven dagen later heeft Boris zich op zijn kamer opgesloten met wat blikjes bier. Ik wil hem uitnodigen voor een avondmaaltijd, maar hij blijft liever binnen. "Ik kan niet alles verklappen, maar laat ik dit zeggen: die stomme ezel van een Bill Clinton is mijn beste vriend, ha ha ha! In zijn domheid is hij me zeer behulpzaam geweest, hi hi. Uitstekend! Meer kan ik niet zeggen, ik ben wat duizelig van het bier. De volgende keer als ik nuchter ben, leg ik het je wel uit. Trouwens, ga je nog naar Antwerpen binnenkort?"

Ook vraagt hij of hij zout kan lenen. Een heel potje graag, want hij heeft een voorraadje zalmkoppen bijeengescharreld en is bezig met het bereiden van de pekel. "Morgen kom ik je een portie brengen", belooft hij, "als de zalm voldoende heeft kunnen weken."

Boris komt zijn belofte niet na, want de volgende dag blijkt de Rus met de noorderzon vertrokken. De zalmkop blijft me gespaard.

In het houten postbakje stapelen de brieven van de Beroepscommissie, de Dienst Vreemdelingenzaken en van beleggingsbureau De Moor, De Perre & Van Mys zich op. Ook de huisbazin, mevrouw Jeanette, heeft geen flauw benul waar haar Russische huurder is gebleven. Is hij terug naar Sint-Petersburg, op bezoek bij zijn sukkelende vader en zijn werkloze broer? Is hij op de vlucht geslagen voor de 'modder uit Antwerpen of Brussel'? Heeft hij onverwacht zijn slag geslagen op de optiebeurs?

Ongerust of ontdaan is ze niet. Boris is haar geen huurgeld verschuldigd en ze heeft nog genoeg studenten om van te leven. Mocht er zich nu een nieuwe gegadigde voor het kamertje van twee bij anderhalf aandienen, dan heeft ze geluk. Zo niet, tant pis. De boel moet daarboven toch eens dringend in de verf. Het Pioneer-tv-toestel dat ze in mijn werkkamer ziet staan, wil ze terug. Ze had het aan Boris uitgeleend omdat hij geen geld had en geen vrienden. "Een tv verdrijft de stilte", weet mevrouw Jeanette. "Die arme Russische mens was eenzaam, hè. Dat zag je er wel aan af. En je rook het, hè. Een geluk dat hij mijn toestel niet heeft meegenomen."

© Serge van Duijnhoven, december 2000

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234