Zaterdag 26/11/2022

Het beloofde land lag niet tussen Maas en Schelde

'Gewillig België', zo luidt de titel van het grote, meer dan 1.500 pagina's tellende onderzoek naar de rol van de Belgische staat bij de Jodenvervolging. Maar de overheid wordt natuurlijk geschraagd door de inwoners van het land. En, zo valt tussen de regels te lezen, niet alleen de Belgische overheid treft schuld, ook 'wij Belgen'.

Door Walter Pauli

Antisemitisme kwam in België al voor lang voor de jaren veertig en zelfs de jaren dertig. Het situeerde zich vooral bij de katholieke publieke opinie, een restant van de toenmalige officiële doctrine dat 'de Joden Godsmoordenaars' waren, een leer die pas verlaten werd tijdens het Tweede Vaticaanse Concilie, dus in de eerste helft van de jaren zestig, twee volle decennia na de oorlog. Maar ook een belangrijke socialist als Louis Bertrand, hoofdredacteur van Le Peuple, liet zich in het begin van de twintigste eeuw bij herhaling betrappen op antisemistische uitspraken.

In de jaren dertig verergerde dat. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1938 pakte Leo Delwaide sr., lijsttrekker de Katholieke Partij in Antwerpen, uit met een campagne die gericht was tegen de 'pro-Joodse' politiek van de socialistische burgemeester Camille Huysmans. Volgens Delwaide zouden de Joden zich meester hebben gemaakt van het stadspark, het communisme in de Metropool verspreiden en de middenstand ten gronde richten.

Antisemitisme was echter geen puur Antwerps verhaal, en stopte evenmin aan de taalgrens. Zo herinnert 'Gewillig België', de monumentale studie van Soma-onderzoekers Rudi Van Doorslaer, Emmanuel Debruyne, Frank Sebrechts en Nico Wouters, aan de pijnlijke discussie over het weghalen van Joden uit de kuurstad Spa en de Hoge Venen.

De Belgische regering wilde de streek van Spa en de Hoge Venen namelijk toeristisch opwaarderen. In 1937 stelde ze daarvoor een hoge commissaris aan, graaf Adrien van der Burch. Die had een uitstekende reputatie als organisator van de succesvolle wereldtentoonstellingen. Hij had echter ook baarlijk rechtse en nationalistische opvattingen. Een van zijn eerste voorstellen om het imago van Spa op te krikken, luidde: haal de Joden weg uit de stad, of tenminste die Joden die het imago schaden. Dat plan stuitte echter op verzet. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Spa was bang dat de stad een hoop inkomsten zou verliezen als ineens alle Joden zouden verdwijnen. Verschillende hoteluitbaters deelden die vrees.

Er komt een officieel rapport, gemaakt door de diensten van de Openbare Veiligheid. Daarin staat een onderscheid tussen twee soorten Joodse toeristen: "De Belgische bevolking van Spa maakt een onderscheid tussen Israëlieten die komen kuren, en 'vervelende' Israëlieten". De tweede soort, "die er vuil en verwaarloosd uitziet (...), slaapt op banken naast de boulevards of in de parken. Soms gaan ze naar het kuuroord, waar ze een glas water drinken. Vaak doen ze geen beroep op het personeel en bedienen ze zichzelf." Besluit: "De bevolking is rustig, de handelaars lijken tevreden, het stadsbestuur is neutraal. De wrok die sommigen tegen de Joden koesteren, zorgt niet voor problemen. (...) Maar het is funest dat toeristen geconfronteerd worden met de 'vervelende' groep, die in groep urenlang de openbare banken inpalmen. Het is niet zozeer hun aantal, maar hun voortdurende aanwezigheid die opvalt."

Bij de suggesties om dit 'probleem' op te lossen zit onder meer volgende anti-Joodse maatregel: een verzoek aan 'mijnheer de regeringscommissaris om er bij het medische college op aan te dringen dat artsen voor ze een attest uitschrijven, goed afwegen of het echt noodzakelijk is dat een buitenlandse Israëliet een kuur in Spa volgt'.

Het rapport komt tot op de tafel van de eerste minister. Die leest daarin de aanbeveling dat "tweederangse Israëlitische immigratie nadelig is voor vakantieoorden, die door rijke klanten worden bezocht". Dan volgt een zin die op het eerste gezicht al wat toleranter lijkt, maar uiteindelijk toont hoe smerig, gluiperig en stiekem het doordeweekse antisemitisme werd toegepast: "Wat de Joden betreft, die rechtmatig in België verblijven (ik schat hun aantal op ongeveer 80.000), kan men er moeilijk bezwaren tegen hebben dat ze met vakantie naar Spa gaan. Voor hen kan men moeilijk een uitzondering afdwingen door middel van politionele maatregelen." Maar: "Doorgedreven controles zouden hun verblijf heel wat minder aangenaam kunnen maken en dat heeft misschien een ontradend effect."

En nog in januari 1939 stond er in weer een nota volgende beschrijving van in Spa aanwezige rabbi's: "Het uiterlijk van sommige vertegenwoordigers van het rabbinaat, die rituele controles uitoefenen in Joodse hotels, die tijdens het seizoen open zijn, strookt niet met de clientèle en de reputatie van de kuurstad. Ze dragen een baard, dragen vuile gewaden en geven de indruk dat Spa een Joodse stad is."

Toen nazi-Duitsland in mei 1940 België en andere West-Europese landen onder de voet liep, werden ze dus niet geconfronteerd met een publieke opinie die antisemitisme massaal als 'fout' afdeed. Wel integendeel.

In het licht van recente discussies anno 2007 valt op dat zowat de eerste anti-Joodse maatregel die al in het najaar van 1940 werd uitgevaardigd, die was om rituele Joodse slachtingen te verbieden. De naam: 'Verordening van 23 oktober 1940, ter verhindering van dierenkwelling bij het slachten van vee.' Er is niet één melding of pv teruggevonden dat ook maar één directeur of personeelslid van een slachthuis in België die regel gecontesteerd zou hebben, of overtredingen ervan oogluikend zou hebben toegestaan - en dat in een milieu dat, zoals bekend, een cultuur had/heeft van af en toe een oogje dichtknijpen.

Hoe dubbelzinnig het gedrag van zoveel gewone inwoners was, blijkt bijvoorbeeld uit de rapportering van de in totaal meer dan 300 Joden die in 1941-'42 in Limburg werden geplaatst. Zo kwamen er enkelen honderden in Kwaadmechelen terecht, onder wie veel zieken. Veel mensen doen wat ze kunnen: Joodse vrouwen gaan met hun kinderen naar het Kinderheil (nu: Kind en Gezin), en het gemeentebestuur en de Commissie voor Openbare Onderstand (nu: OCMW) kochten onder meer tweedehandse kachels en meubels.

Maar tegelijk vond een van de onderwijzers het nodig zijn dorpsgenoten te waarschuwen: "Pas op voor de Joden, ge kent ze nog niet half." En in juli 1941 is het burgemeester Karel Zels in persoon die op het vertrek van de Joden uit zijn gemeente aandringt: "Daar deze personen gedurig misbruik maken van afreizen naar de Stad en elders om levensmiddelen in den sluikhandel op te koopen en over te brengen naar andere plaatsen, en alzoo de prijzen naar omhoog drijven en de bevoorrading in de gemeente normaal belemmeren." Akelig detail: voor deze nieuwe etappe in hun deportatie dienden de Joden zelf hun reiskosten te betalen. Voor wie dit niet kon was de COO van Kwaadmechelen zo vriendelijk... het bedrag voor te schieten."

In Genk werd aanvankelijk beslist dat Joodse vluchtelingen ondergebracht werden in het zogenaamde Mariahuis, een deel van het Sint-Jansziekenhuis, dat werd bestuurd door de Genkse COO.

Dat zinde de COO evenwel niet: men vroeg de burgemeester het Mariahuis te laten ontruimen omdat voortdurend zieken uit Genk geweigerd moesten worden wegens plaatsgebrek. Om te tonen hoe complex de situatie lag: hier was het de Duitse bezetter die de Genkenaren verplichtte om, bij wijze van spreken, 'hun toegewezen Joden bij te houden'.

Maar de Genkenaren bleven problemen hebben met de Joden. Vandaar dat het gemeentebestuur op een bepaald ogenblik het de Joden verbood het Mariahuis 's avonds te verlaten.

De directeur van het Sint-Jansziekenhuis betrapte op 21 februari, om kwart voor elf 's nachts, een Jood die met een zaklamp rondom het gebouw liep. Prompt deed de man aangifte bij de politie en verlangde dat de Joden niet meer na 21 uur in de omgeving van het ziekenhuis rondslenterden. De politie beloofde daarop het nodige toezicht te houden.

Het meest opmerkelijke feit van antisemitisme door 'gewone' Belgen blijven natuurlijk de anti-Joodse razzia's in Antwerpen uit de zomer van 1942. Bij de tweede razzia kwamen zelfs geen Duitsers te pas. Op hun vraag organiseerde de stedelijke politie, onder leiding van burgemeester Leo Delwaide, zelf de razzia. De Duitsers hadden een contingent van duizend Joden gevraagd, de Antwerpenaren toonden hun ijver en leverden er vrijwillig meer af, 1.243 Joden. En nadien en ervoor waren er heel veel 'gewone' Antwerpenaren die zich ontpopten tot geduchte Jodenjagers.

Soma-onderzoeker Lieven Saerens heeft al de voorbije jaren in Cahiers/Bijdragen van zijn instelling een tweedelige studie gepubliceerd: 'Gewone Vlamingen? De Jodenjagers van de Vlaamse SS.' Het is een soort 'telefoonboek' van wie wanneer fout was. Uit zijn overzicht blijkt dat veel van die Jodenjagers weliswaar politiek actief waren, in collaboratiepartij VNV, maar veel meer nog in het Verdinaso van Joris Van Severen (die zelf al in 1940 door Franse militairen werd geëxecuteerd in Abbeville). Maar het waren vooral uiterlijk beangstigend gewone mensen. Kunstschilders. Familievaders. Dandy's. Werkmensen. Middenstanders. Gustaaf Fortan was een gewezen chef de garde in een staalfabriek, hij was nooit bij Nieuwe Orde-organisaties betrokken. Of de jonge scheikundige Joris Crespin. Die man had zelf een Joodse tante, zijn ouders waren zo anti-Duits dat ze bij de inval in 1940 naar Engeland waren gevlucht. Of de latere kinesitherapeut René Bollaerts ('de kleine zwarte met het moustachke'). Of student geschiedenis Raymond Plovie, die "wegens mijn godsdienstige gevoelens" tot de door de SS gerekruteerde Jodenjagers toetrad. Ze kwamen niet uit een bepaald milieu, maar her en der uit alle volkslagen.

Dat beeld - antisemitisme als een helaas té wijdverbreide mentaliteit - zet zich door na de oorlog, tijdens de repressie. 'Jodenvervolging' was geen misdaad an sich. Die heette 'te kies'. Wel werden veel Jodenvervolgers veroordeeld, maar dan wegens uniform- of wapendracht, verklikking, moord en mishandeling, et cetera.

Maar dat de vervolging en discriminatie van Joden in die tijd door veel Belgen weliswaar als een mogelijke verzwarende omstandigheid werden beschouwd, maar niet meer dan dat, blijkt bijvoorbeeld op een artikel uit De Gids op Maatschappelijk Gebied, toen al het leidende tijdschrift van de christelijke arbeidersbeweging ACW. De tekst was onbekend gebleven - niemand had er dus aanstoot aan genomen - tot het Leuvense studentenblad Veto pas in 1991 het artikel wereldkundig maakt. De titel van de tekst uit 1946 luidt: 'Het Jodenvraagstuk' - dus op een ogenblik dat in Neurenberg de befaamde processen nog altijd hun beslag kregen, en de publieke opinie wereldwijd geconfronteerd werd met de eerste harde bewijzen van de Holocaust. De ACW-auteur pleegt daarin, meer dan een jaar nadat de laatste nazitroepen uit België verdreven waren, zinnen als "Wie kent niet de Jood met de vochtige glans in de ogen, met zijn doordringende blik, zijn hartstochtelijk lispelend stemgeluid dat ons zo dikwijls afstoot." Ter oplossing van het 'Jodenvraagstuk' mochten voor hem nog altijd "de Joodse banken en andere financiële instellingen onder streng toezicht worden gesteld".

Zo ging dat toen. Natuurlijk droeg de collaboratie een zware verantwoordelijkheid. En, zo toont 'Gewillig België' onomstotelijk aan, ook de "Belgische overheden" zijn zeker niet van alle blaam te zuiveren. Net zomin als zovele Belgen, 'voorgangers' van - dat wil zeggen: mogelijk familieleden van - u en ik.

De Vlaamse Jodenjagers waren vooral uiterlijk beangstigend gewone mensen. Kunstschilders. Familievaders. Dandy's. Werkmensen. MiddenstandersDe Duitsers hadden in de zomer van 1942 een contingent van duizend Joden gevraagd, de Antwerpenaren toonden hun ijver en leverden er vrijwillig 1.243 af

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234