Woensdag 01/04/2020

Het appelblauwzeegroen van de Zwarte Madam

De paus van de duinen tentoongesteld: James Ensor in Brussel en Oostende

Vijftig jaar geleden stierf James baron Ensor, prins der Belgische schilders en curiosum uit Oostende, rebelse belhamel en societyfiguur, man van maskers en smarten. Dat is veel voor één mens, maar de goden waren Ensor gunstig gezind en schonken hem ook meer dan één leven. Twee forse overzichtstentoonstellingen in Brussel en Oostende vatten zijn artistieke erfenis samen.

Eric Min

Nog in 1922, lang na de creatieve koorts die James Ensor (1860-1949) in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw stevig in haar greep hield, genoot de schilder van de splinterbom die hij in het kunstenaarswereldje had gegooid. In een van zijn fameuze tafelredes keek hij tevreden achterom: na drie droeve jaren op de Brusselse academie had hij in 1880 de deur van dat "hol voor bijzienden" achter zich dichtgegooid en was hij de wijde wereld ingetrokken - nu ja, terug naar zijn geliefde Oostende en het atelier op de zolder van zijn ouderlijk huis in de Vlaanderenstraat. "Ik lap alle artistieke conventies aan mijn laars en een hagelbui van kritiek barst los; sindsdien kom ik nooit meer buiten zonder mijn paraplu. Ik word beschimpt en belegerd, 'je suis fou, je suis sot, je suis méchant, mauvais, incapable, ignorant' - ik ben een zot, een idioot, een booswicht, onbekwaam, domt." Zijn Stilleven met kool is een schandaal, de vredige interieurs die hij schildert zouden haarden van onrust zijn.

Een gek, een onnozelaar, een groot stout kind... Ensor zal dat imago met overgave cultiveren. Als het publiek en de critici zijn werk niet naar waarde schatten, trekt hij zich grimmig terug in zichzelf, bokkig als een bokking, schraal als de gerookte haring die door twee skeletten wordt verslonden op een doek uit 1891 - dweept de schilder niet met de woordspelige eretitel hareng saur, art Ensor? Zijn kunst is overdaad en grofheid, het personage mateloos en schaamteloos, haast meelijwekkend. De man die meer dan honderd zelfportretten heeft nagelaten, schrijft het woord Ik altijd met een hoofdletter. Een tijdgenoot portretteert hem als de knokige Don Quichote van de kunst. Rijzig, bleek, vlijmscherpe blik, wilde knevel. "In geestelijk opzicht? Een onbegrepene, tot op vandaag. Eén van die kerels met een zodanig buitensporige originaliteit dat het gepeupel het soms uitschreeuwt bij zijn schilderijen, als een meute uitgehongerde honden die door een raadselachtige komeet wordt opgehitst."

Ensors groupie Blanche Rousseau herinnert zich "de witte figuur van een spottende Christus, of een nostalgische satan" die met gedempte stem over de duivel spreekt. In de woeste woordenvloed die zijn oude dag kleur geeft, typeert de Meester zichzelf als "het verbaasde masker van de koning, bemind door sirenen, keizer van de roze schelpen, paus van de duinen, doge van de dokken, god van de neuriënde maskers, engel van de zieke katten, duivel van de vivisectoren, schrik van de kwakzalvers, macaroni spinnende genavelde Narcissus". Dat andere Oostendse fenomeen, Arno Hintjens, weet dat de schilder door de man in de straat 'de Zwarte Madam' genoemd werd. De oude baron was een lokale bezienswaardigheid geworden, een levende dode die troonde op zijn vaste stek in brasserie Sandeman of in de Falstaff. Samen met zijn onafscheidelijke huisknecht Guustje Van Ypert paradeerde hij over de zeedijk, vervuld van nieuwe waardigheid patroneerde hij de wedstrijden voor zandkastelen van Le Soir en Ça va seul. Verbeeld ik mij dat de bejaarde zonderling zelfs op prentbriefkaarten figureert? Groeten uit de Koningin der Badsteden. 't Is hier goed van eten en slapen.

En het wàs goed in Oostende. Wie Ensors verzameld werk de revue laat passeren, kan de biotoop van de kunstenaar moeiteloos reconstrueren. We zien de zee, een zon die haar stralen uitbraakt, bootjes op het strand, daken van huizen in een provinciestad. Beklemmende burgersalons in pasteuze verflagen waarvoor Ensors familieleden en vrienden opdraven: De oestereetster is een portret van zijn zus 'Mitche', op het doek Russische muziek figureert ook collega en vriend Willy Finch. Stillevens met oesters, een rog en een kool. Zelfportretten. Carnavalsstoeten, optochten en betogingen. Ensors leven speelt zich af in Oostende; een zeldzaam Brussels tafereel doet haast exotisch aan.

De kunstacademie heeft de jonge kunstenaar slechts kommer en kwel gebracht. Na enkele jaren hield hij het er voor bekeken: de helle kleuren waarin Ensor de klassieke gipsen beelden naschilderde, joegen zijn docenten de gordijnen in. "Ik heb nooit begrepen waarom mijn leraars zo ontredderd waren door mijn gepassioneerde experimenten. Ik werd geleid door een geheim instinct, door de atmosfeer van de zee die we inademen in het zachte briesje, in de parelkleurige nevel die door de golven wordt aangevoerd, die te horen is in de wind... De wonderlijke wemeling van de wolken die fantastische wezens creëert, het spel van het licht, het gekras van de meeuwen, het ijle gezang van hitsige sirenen en het gehuil van de storm vervulden mij met inspiratie en tomeloze driestheid."

Dat zal wel, ja. In het salon van de Brusselse professor Ernest Rousseau en zijn echtgenote Mariette Hannon zou Ensor meer opsteken dan in de tekenzaal: hij wordt er heimelijk verliefd op de vrouw des huizes en ontmoet er al wie naam had in de kringen van burgerlijke vrijdenkers, libertaire socialisten en artistieke duizendpoten. Voor hun huis in de Vautierstraat, vlak bij het Museum voor Natuurkunde, wordt de beroemde foto gemaakt die de schilder later tot een zelfportret zal transformeren - in een tweede versie van deze ets schemert de schedel door zijn huid heen (Mijn geskeletteerd portret). Mariette is de goede fee die de schilder bloemen stuurt waarmee hij in Oostende stillevens samenstelt, koperen platen koopt voor zijn etsen en de gegraveerde exemplaren naar de drukker sleept.

Toch is ze niet de enige vrouw die Ensors microkosmos mag bevolken. Er is de grootmoeder en muze die een winkeltje met schelpen en souvenirs drijft, een grot van Ali Baba vol opgezette vissen, oude boeken, maskers en "een wirwar van bevreemdende voorwerpen, permanent overhoop gehaald door katten, krijsende papegaaien en een aapje (...). De winkel rook muf en de geur van scherpe apenpis vulde de schelpen; de katten nestelden zich tussen de fijnste stukken kant." Maar keizers en koningen komen er over de vloer, fraai uitgedoste vreemdelingen, Poolse joden...

De lichtjes excentrieke oma heeft Ensors artistieke aanleg zeker doen ontkiemen. Later zijn er bewonderaarsters als Emma Lambotte, blauwkousen, kunstenaressen en Augusta Boogaerts, 'La Sirène', die zijn geliefde wordt. Alhoewel, geliefde... De Vrouw deugt niet, ze is de bedrieglijke sekse die god noch gebod kent, "trouweloos en harteloos, poel van hypocrisie, vat vol leugens en achterbakse boosaardigheid, spelonk van roverij en doodzonden, doos van Pandora". Ensor is een misantropisch, misogyn en mythomaan sujet. Aan iedereen die het horen wil, vertelt hij het mooie verhaal van het Ik-met-hoofdletter, 'le Moi universel', en van het werkwoord Zijn: Ik ben, wij zijn, gij zijt, zij zijn...

Al dat nietzscheaanse gedram ten spijt blijft de schilder zijn leven lang een kwetsbare en gekwetste jongen, bijgelovig en gefascineerd door astrologie. Als hij op zijn harmonium speelt, mijdt hij de witte toetsen. Tot zijn ontzetting maakt hij in één jaar precies dertien tekeningen en dertien schilderijen; het onrustwekkende cijfer blijft hem achtervolgen. In 1938 schrijft hij aan een vriend dat zijn gezondheid de gekste sprongen maakt: 's ochtends is ze groen, 's middags geel, in de namiddag roze en om middernacht grijs... Een beetje gek, die James. Et fier de l'être, bovendien.

Wie bewondert het baldadige kind uit de Vlaanderenstraat? Andere belhamels, en de geldwisselaars in de tempel die veel later de marktwaarde van de kunstenaar zullen ontdekken maar door kunstbroeder René Magritte in zijn Hommage à Ensor van 1945 vakkundig de deur uit worden geranseld. De dichter Emile Verhaeren publiceert al in 1908 een lovende monografie. Drie jaar later bezoekt de Duitse expressionist Emil Nolde de kunstenaar in zijn atelier; plots duiken er carnavalsmaskers op in Noldes werk. Ook Heckel en Kandinsky komen langs, en Albert Einstein, de grootste ontdekker van de alles doordringende stralen, de man van het licht. Pierre Alechinsky, boegbeeld van de Cobra-beweging, publiceert in 1953 een hilarische woordenlijst van verwensingen en scheldwoorden uit Ensors geschriften. Thomas Bernhard heeft de carnavalsmaskers opgevoerd in zijn stuk Minetti, over een oude toneelspeler die King Lear wil spelen met een door de kunstenaar zelf ontworpen mombakkes.

Dichter bij huis is Peter 'Herr Seele' Van Heirseele behoorlijk zot van de meester. Arno verkiest Léon Spilliaert, de zoon van de coiffeur, boven James van de schelpenwinkel maar wordt gecharmeerd door zijn ruige karakter. Vandaag komt het nobele profiel van de kunstenaar voor op bankbriefjes, streekbier en andere staaltjes van merchandising. Zou dat de roem zijn waar de schilder een leven lang naar haakte? Wie zijn zelfportret uit 1884 onder ogen krijgt, weet wel hoe laat het is. Een dwingende blik, een hand die naar het theatraal uitgelichte gelaat wijst: ecce homo, zie mij hier staan, hou van mij.

Schilderen zal hij, zwoegen voor vier. En wanneer blijkt dat canvas en tekenpapier broos zijn, blootgesteld aan de wandaden van restaurateurs, aan de rampspoed van reproducties, is de ets een uitweg. In een brief uit 1911 aan zijn vriendin en mecenas Emma Lambotte klaagt hij erover dat het meesterwerk De intrede van Christus in Brussel al 23 jaar hangt te verkommeren aan een vochtige muur van zijn atelier. Hier en daar bladdert de verf af, het doek trekt krom.

Maar ook de 133 etsen die hem de eeuwige roem moesten brengen, werden nauwelijks opgemerkt. Ensor wilde nog lang spreken tot de mensen van morgen, overleven in koperen platen en onuitwisbare inkt. Hij oogstte slechts hoongelach. Paradoxaal genoeg is het deze levenslange miskenning die zijn werk heeft laten ontsporen tot het geworden is wat we vandaag op handen dragen: de wraak van een dwars kereltje dat de wereld een neus zet.

De jaren 1888 en 1889 waren een keerpunt. Voortaan zou hij de kleuren onvermengd op het doek aanbrengen en overrompelende effecten najagen, épater le bourgeois. Kleur zou wraak zijn, vergelding. Carnavalsmaskers, skeletten en gore details werden zijn handelsmerk. "Die maskers bevielen me ook omdat ze het publiek, dat me zo slecht had onthaald, kwetsten." Oudere werken, onschadelijk academisch vertoon zoals het portret van een acrobaat of een mythologisch tafereel, worden van maskers voorzien. Het skelet dat chinoiserieën bekijkt en wellicht ook het doek De geërgerde maskers zijn overschilderingen. Een naturalistisch zelfportret wordt vijf jaar later getransformeerd tot het raadselachtige Ensor met bloemenhoed. Een geheel uit ego en verf opgetrokken individu kon natuurlijk niet anders dan zich achter een masker van brutaliteit te verbergen. Circusclown worden, profeet, "vervolgde ziener", bespotte Christus... maar dat is hetzelfde.

De kritiek heeft het de man inderdaad niet gemakkelijk gemaakt. In 1883 weigert de Cercle Artistique zijn Geërgerde maskers; de kunstkring L'Essor wijst De oestereetster, vandaag een van de pronkstukken van het Brusselse retrospectief, de deur. Wanneer het schilderij later bij Les XX te zien is, bezweert een criticus de bezoekers niet al te dichtbij te komen: de logge meubels en het tafelkleed "en fer forgé" zouden hun tenen kunnen vermorzelen. De Brusselse Salon van 1884 verwerpt Ensors hele inzending. Zelfs de schaarse bewonderaars sparen de roede niet. Verhaeren stelt vast dat de voorwerpen op Ensors doeken trillen van leven maar ook weleens op de vloer dreigen te belanden.

Het zijn vooral de interieurs uit de eerste Oostendse jaren die (een beetje) indruk maken. Emmanuel De Bom haalt lyrisch uit over Een coloriste, de vrouw bij het venster in een atelier "waar overal lucht in blauwige drendels rondwaart (...). Een buitengewoon compleete studie van atmosfeer." Verhaeren over De lampenist: "Het riekt naar petroleum, het is er vol van, overal - het is als een bad van tastbare aanwezigheid." De Nieuwe Rotterdamsche Courant over Russische muziek: "Daar warrelt in die kamers een wemeling van atmosfeer, en de tonen smelten zoo donzig ineen: het is van een meester."

Maar de Meester wil meer: het zijn de nieuwlichters in de hoofdstad die hem als een profeet en een verlosser moeten inhalen. De jonge Ensor is een van de stichters van het legendarische avant-gardegenootschap Les XX en heeft zijn leven lang een haat-liefderelatie met de grote baas ervan, de mandarijn Octave Maus. Wanneer Ensor als Christus aan het kruis hangt en een conservatieve publicist met een lans zijn zijde doorboort, staat er op de voorgrond van de tekening een figuurtje met het insigne van Les XX medeplichtig te zijn. In Les cuisiniers dangereux dient Maus Ensors afgehakte hoofd op aan de verzamelde critici, terwijl zijn spitsbroeder Picard de vingtistes Lemmen en Vogels laat sudderen en Anna Boch als een braadkip aan een haakje boven het fornuis hangt.

Toch kon Ensor het gezelschap niet missen: hij stuurt werken in voor hun tentoonstellingen, wacht ongeduldig op nieuwtjes en schrijft Maus bittere brieven: "Ik weet van niets en ik wacht, ongerust en onzeker, geprikkeld en achterdochtig als de draak Fessine opgejaagd in de bossen van Micommence, overlopend van gal, met bokkenpoten, het verscheurde hart vol vreemd venijn, persend, schijtend, boerend, veestend, pissend, verschrikkelijke kreten uitstotend." De beschaafde Maus was not amused. Ensor stemt als enige tegen de opheffing van Les XX, waarna hij ontgoocheld maar tevergeefs de inboedel van zijn atelier te koop aanbiedt voor 8.500 frank. Later zal hij ook bij de opvolgers van La Libre Esthétique de luis in de pels zijn.

Wie zich vandaag in het Brusselse Museum voor Oude Kunst door de zowat driehonderd werken laat bespringen, wordt getroffen door het meedogenloze licht dat van de wanden stroomt en door helle kleuren als zomerse hagelbuien die het dak van een veranda doen trillen. De lijn was niets, het licht alles: brood van de schilder, kruim van de kunstenaar, meesteres van onze zintuigen. Iemand die Ensor gelukwenste met de keuze van zijn onderwerpen kreeg een zuur antwoord: "Ce ne sont pas des sujets, ce sont des lumières." De lijn kan geen verheven gevoelens opwekken, ze vraagt geen opoffering. "Haar triomf is dom, ze heeft de instemming van oppervlakkige en bekrompen geesten, ze vertegenwoordigt het vrouwelijke."

Ensor zal het licht in zijn schilderijen kneden, uitsnijden en krassen. Weerspiegelingen van oesters en dienbladen, de textuur van een wolk of een carnavalskostuum, de 'drippings' van De val der opstandige engelen, de zon van Turner... Kleuren: wit, nog meer wit, rauw rood, groen groen, ruw geel. Ze zijn in veertig jaar nooit veranderd. Ze zullen nooit veranderen. Blauwselblauw. Appelblauwzeegroen. Had Ensor meer nodig dan de zee die hem elke dag haar parelmoer aanbood, "haar vurige kussen van zand en bitter schuim"? Vreemde gedachten wellen bij me op terwijl ik langs Ensors doeken wandel. Zijn deze schilderijen eigenlijk niet vooral uit klank opgetrokken, is het straatlawaai niet hun eerste element - belangrijker nog dan het licht en de kleur? En moeten we de ideale Ensor-tentoonstelling niet horen voor we haar te zien krijgen, als een fanfare die in een andere straat voorbijtrekt?

Geschetter van scheten, een dronken harmonie in een regenton, de fanfare van honger en dorst, hoofdpijnmuziek van de demonen in De hellestoet... De verwijzingen naar de gonzende grootstad zijn niet te tellen. Is Ensors ets De pisser geen late echo van Baudelaires klaagzangen in Pauvre Belgique over het vieze, luidruchtige volkje dat graffiti als 'Ensor est un fou' in de muren krast? Was de kruistocht van onze doge van de dokken tegen het neo-impressionisme van de modieuze Seurat niet het gevecht van het rumoer tegen de steriele stilte? Heeft de oude schilder geen muziek gecomponeerd - het ballet La Gamme d'amour, waarvoor hij ook het scenario, de kostuums en de decors ontwierp, een Marche des rotariens ostendais en een walsje? Herinnerde de volle, mysterieuze klank van zijn harmonium niet aan "de grote krachtige tonen van oude schilderijen"?

Blanche Rousseau beschrijft hoe Ensor als afsluiting van een mondain diner naar de piano stapt en "een dissonante fanfare doet losbarsten, een tumult van chaotische klanken, maar zo spottend, zo heftig, met een zo onverwacht tragische ironie... een soort Mars van de burgerij waarin dierlijke kreten zich vermengen met het kabaal van tamtams en uitlopen in een lang sinister gehuil". Getuigen van zijn improvisaties hoorden "striemende gelen, ongure roden, spraakzame groenen, paradijselijke rozen".

Voor Ensor was schilderen leven, een bad nemen in kleuren en klanken. De intrede van Christus in Brussel, het pronkstuk van het Paul Getty Museum in Los Angeles en vrijwel het enige belangrijke doek dat in Brussel ontbreekt, is zuiver klank en kreet, kermisgedruis en getoeter van doctrinaire fanfares.

Maar ook Ensors ontregelde redevoeringen zijn een vorm van verbaal onweer. Als een late Rabelais, een gore versie van Erik Satie of een vroege uitgave van Monty Pythons Flying Circus of van Hergés kapitein Haddock heeft hij tientallen vrijwel onvertaalbare beledigingen bedacht. "Meesters jammervet, pissertjes van zoutlever, zwijnsvloed van poelekesknijpers, pens in barensnood, sabbelsausje van zwijmelaars, slaaf van de goede smaak, zuchtmachine, kwalafval, gedekonfijt fruit, spraakgestoorde knevelaar, veelkleurige arrivist, Sainte-Routine, zaagbek, publicist..." Hij hield geen maat. Nooit, nimmer, nergens.

Het Brusselse Ensor-retrospectief is gelukkig een luide, uitputtende tentoonstelling geworden, chronologisch opgebouwd en leesbaar zonder belerend te zijn. Ongeveer alle belangrijke werken zijn present; met rijke collecties als die van Antwerpen, Brussel en Oostende binnen handbereik is dat natuurlijk enigszins voorspelbaar. Maar ook alle tekeningen uit de reeks De aureolen van Christus of de gevoeligheden van het licht werden weer samengebracht, terwijl zelden geëxposeerde werken en enkele voorwerpen uit het atelier het beeld vervolledigen. Er is zoveel leven dat de gedateerde, ietwat muffe zalen van het Museum voor Oude Kunst moeiteloos naar de achtergrond verdwijnen. Straffe gast, die Ensor.

In Oostende, waar conservator Norbert Hostyn het grafische oeuvre van de meester laat zien, blijft het windstil. De zorgvuldig opgebouwde verzameling van ongeveer vijfhonderd prenten, een confrontatie van Ensors werk met etsen en litho's van tijdgenoten en voorlopers, komt niet echt uit de verf. Het parcours door de weinig uitnodigende ruimte van het museum - een gebouw als een Rijksschool uit een enge droom - oogt niet bepaald aantrekkelijk.

Ensors etsen worden als aanleiding gebruikt voor een zestigtal thematische ensembles. Vaak levert de confrontatie (met verwante geesten als Rops, Spilliaert, Vallotton of Finch) vuurwerk op, maar af en toe is het behandelde thema de enige vorm van verwantschap.

De verzorgde catalogus, waarin bijna alle etsen worden afgedrukt, situeert Ensors productie in een ruimer kader. Zo leren we dat menige ets is ontstaan 'uit' werken van geliefde kunstenaars (Rembrandt, Louis Gallait) of illustraties in populaire tijdschriften als Le Magasin pittoresque: kunst als citaat, kopie, parafrase, hommage of parodie - het lijkt wel een postmodern verhaal, maar het is van alle tijden.

Een tip: spoor naar Oostende, loop binnen in het museum en sleep de catalogus mee naar de Brasserie du Parc, het art déco-café bij het oude postgebouw. Kijk samen in het dikke boek. Wandel nog even naar de zee, waar Ensors moderne licht schittert en de tijd stilstaat, "purperkleurig, azuur, geïriseerd, geschelpt, geoesterd, gemosseld, gerogd, getarboteerd, gegriet, gestokvist, geschold, gevlegeld, gevuld met fantasie". En drink een pint op de gezondheid van de paus van de duinen.

Het retrospectief in het Museum voor Oude Kunst, Regentschapsstraat 3 te Brussel, loopt tot 13 februari 2000. De tentoonstelling is dinsdags tot zondags geopend van 10 tot 17 uur (donderdags tot 21 uur; gesloten op 1 en 11 november, 25 december en 1 januari). Toegangsprijs 350 frank (gratis voor kinderen tot twaalf jaar). De catalogus kost 1.950 frank. Inlichtingen: tel. 02/508.33.33. Reserveringen: tel. 0900/00600 en bij FNAC. Er is een Ensor-dagtrip van de NMBS. Bij uitgeverij La Renaissance du Livre verscheen onlangs het boeiende brievenboek James Ensor, lettres à Emma Lambotte 1904-1914 (350 p., 995 frank). Ensorgrafiek in confrontatie, in het Oostendse Museum voor Schone Kunsten, Wapenplein, loopt eveneens tot 13 februari 2000. Elke dag geopend van 10 uur tot 18 uur (gesloten op 25 december en 1 januari). Toegangsprijs 250 frank (gratis voor kinderen beneden vijftien jaar); het biljet is ook geldig voor het Ensorhuis en de expositie James Ensor. De fotos, de roem (vanaf 15 oktober in de Venetiaanse Gaanderijen). De catalogus kost 1.400 frank, het fraaie boek dat de vaste Ensorcollectie van het museum belicht 1.200 frank. Inlichtingen: tel. 059/80.53.35. De NMBS biedt een voordelig combinatiekaartje aan.

Pens in barensnood!

Slaaf van de goede smaak! Zuchtmachine! Kwalafval! Zaagbek! Publicist!

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234