Vrijdag 03/12/2021

Het antwoord

'Mijn broer Roger fietste van Stalhille naar Ettelgem en vandaar naar Oudenburg. op een dag had hij een Frans jongetje op sleeptouw genomen. Ik wist niet beter of hij heette Bril, in het West-Vlaams uitgesproken als Brel''Les Flamandes was altijd aanleiding voor ruzie tussen hem en mij'

van Marieke

Johan Anthierens De vrouw die Jacques Brel tot zijn wereldberoemde chanson bewoog

Achtenzestig is ze. De stormen in haar huwelijksleven zijn geluwd. Samen met haar man woont ze ergens aan de kust. Marie Louise V., alias Marieke. Johan Anthierens zocht haar en heeft haar gevonden. In Jacques Brel, de passie en de pijn, zijn langverwachte boek over de Brusselse zanger, laat Anthierens de vrouw aan het woord aan wier lippen Brel zich brandde. De Morgen biedt u, in exclusieve voorpublicatie, een fragment aan. 'Ai Marieke Marieke, le ciel flamand...'

Mijn naam is Marie-Louise V., roepnaam Marieke. Ik ben in 1930 geboren in Brugge. Toen ik een jaar of drie was, verhuisden mijn ouders naar Stalhille, dat nu deel uitmaakt van de West-Vlaamse gemeente Jabbeke. Vader was veehandelaar, een man met wie ik weinig affectief contact had. Moeder had thuis een chique kledingzaak voor mannen: strohoeden en zijden sjaals. In de etalage stond een mannequin van gips die ik als een familielid elke morgen voor het naar school gaan een kus gaf. Ik was een meisje met een ongebreidelde fantasie, dat alles wat men mij vertelde letterlijk nam.

De ommuurde tuin in Stalhille lag ingebed in de velden, behalve één kant die aan de straat grensde. Achteraan in de tuin stond het huisje van Marie, de huishoudster. Mijn drie jaar oudere broer Roger mocht op straat spelen en fietsen. Ik moest in de tuin blijven, 'omdat ik een meisje was'. Ik vond dat onrechtvaardig. Tegen die tuinmuur was brandhout gestapeld, vanwaar ik de straat kon zien waar mijn broer en zijn vriendjes op hun fietsjes rondjes reden en gekke kuren uithaalden. Ik was een halve jongen van temperament en zeurde om mee te mogen doen - 'Roger, mag ik achter op je fiets, mag ik een toertje meerijden?' - maar hij was niet te vermurwen: het mocht niet van vader. Roger fietste van Stalhille naar Ettelgem en vandaar naar Oudenburg, en op een dag had hij een Frans jongetje op sleeptouw genomen. Die kwam onder mijn uitkijkpost meekoersen. Hij had appelwangen en sproeten. De anderen noemden hem 'Brel', maar conversatie hadden wij niet, want het jongetje verstond geen Vlaams en wij geen Frans. Voor de kameraden van Roger bestond ik niet. Ik was een lelijk meisje, spichtig, met geel haar en strikjes, maar met smaragdgroene ogen. Op een keer was 'Brel' er weer en hij had oren naar mijn zeuren; terwijl de anderen bikkelden met 'wervels' van een fietsketting, kwam hij bij de tuinmuur staan en bood mij zwijgend zijn fiets aan. Dat moest mij geen twee keer 'gezegd' worden. Binnen de kortste keren was ik beneden en lag ik op de grond, want ik had nog nooit gefietst. Terwijl ik elke avond in bed wegdroomde van een blauwe fiets. Ik ben een paar keer van 'Brel' zijn fiets gevallen, heb er een tijdje naast gelopen om dan, staande op de handen en de schouders van de jongens, mijn observatiepost op het brandhout weer in te nemen. Even pardoes als het opgedoken was, verdween het jongetje dat belangstelling voor mij had getoond. Ik wist niet beter of hij heette Bril, in het West-Vlaams uitgesproken als Brel."

F

"De God van mijn kindertijd was Marie, die in het tuinhuisje woonde. Marie deed de was en de plas, waste de kinderen, verstelde kleren, zorgde als een moeder voor Roger en mij en mijn twee jongere broers als moeder het druk had met haar winkel en vader de handen vol aan zijn veebedrijf. Marie de meid, de min, de gouvernante, de biechtmoeder, de wijze troosteres, de schutsengel die mij opvoedde tot een zelfstandige persoonlijkheid, iets waar ik pas later ben achtergekomen.

Marie vertelde Brugse fabels. Sterke verhalen uit de tijd dat Brugge een zeehaven was en de matrozen elkaar in de kroegen met baarlijke verzinsels de loef afstaken. Door Marie kende ik veel van die fabels.

Toen ik een jonge vrouw was, kwam een Nederlandse schrijver naar Brugge om er een lezing te houden. Ik kende hem van de televisie en vond hem sympathiek en geestig, en ging luisteren. Die man had veel wild haar en een scheel oog, zijn naam was Godfried Bomans. Tijdens de lezing hield hij één oog op mij gericht, en één op de zaal. Zo voelde ik het. Na afloop wachtte ik de spreker op buiten de Schouwburg. Ik volgde hem op afstand en zag hem een café binnengaan. Hij zette zich bij het raam en kamde met vijf vingers door zijn haar. Ik ging het café binnen, liep naar zijn tafeltje, stelde mij voor en zei hoe ik van de voordracht had genoten. Dat deed Bomans plezier, wij kwamen in gesprek. Wat deed ik voor de kost? Ik zei dat ik zieke mensjes bezocht en opmonterde, dat vond hij voorbeeldig. Het gesprek kwam op Brugge, ik zei dat ik veel fabels kende en op zijn verzoek vertelde ik de legende van het Minnewater.

(...)

Godfried Bomans was onder de indruk. Hij zei dat hij veel contact had met belangrijke Vlamingen, kunstenaars en ministers, maar nog nooit zo'n verhaal had gehoord. (...) Ik heb hem nooit teruggezien. Telkens als hij in de buurt kwam, lag ik in het ziekenhuis. Ik heb last van een zwakke rug."

F

"Die slechte rug heb ik als kind in de kerk opgelopen. Ik wou de evenknie zijn van mijn broer Roger. Misdienaar zoals hij, maar dat mocht niet, 'omdat ik een meisje was'. Ik liep met hem mee, zeurend, tot hij toegaf en toestond dat ik de klokken luidde. Ik luidde de klokken zoals je dat in verhaaltjes en komische films ziet: ik werd door het touw omhooggetrokken, en landde dan weer. Op een dag heb ik het koord losgelaten en ben op mijn rug op de stenen kerkvloer terechtgekomen.

De patroonheilige van Stalhille is Johannes de Doper. In de kerk stond een beeld van hem, Johannes in herdersrokje, met een lam over zijn schouder en een staf in de hand. Het beeld stond hoog voor een klein ding als ik. Op een dag wou ik weten wat hij onder die rok aanhad, of niet aanhad. Ik sleurde er een grote stoel bij, zette daar een krukje bovenop en had het geheim bijna ontraadseld toen er achter mijn rug een stem als een zweepslag klonk: 'Marieke!' Dat was de pastoor. Ik als een kat naar beneden, en de kerk uitgerend. Maar onderweg naar huis spurtte hij mij op zijn fiets voorbij, om mijn ouders op de hoogte te brengen dat hun dochter onder de rok van Johannes de Doper gluurde.

Vader en moeder waren furieus, ik werd opgevangen door Marie die mij tegen haar eeuwige blauwe schort aantrok. In tijden van onrust of verdriet lag ik tegen die schort, tot het kloppen van mijn hart bedaarde. Mijn relatie met de pastoor was slecht, maar ik had een bondgenote in Marie. Een tijdlang woonde een man bij haar in, zonder dat zij getrouwd waren. Dat kon dus niet, en de pastoor kwam zeggen dat Marie in zonde leefde. Hij werd door haar dusdanig van antwoord gediend dat hij haar verder ongemoeid liet. Dat was nog nooit vertoond in een dorp als Stalhille, iemand die de parochiepriester onverbloemd tegensprak. Alsof je God zelf op Zijn plaats zette. Ik was getuige van die botsing, en genoot.

Ik nam alles letterlijk. Op een dag reed ik op mijn driewielertje naar tante Germaine. Die hing over de haag met een buurvrouw te kletsen en toen zij mij zag aankomen, zei zij luidop, om mij te plagen: 'Onze Léon heeft toch geen geluk. Drie knappe jongens en zo'n lelijk meisje...'

Ik van het fietsje af en de twee kilometer naar huis huilend teruggerend, om Marie deelgenote te maken van mijn groot verdriet: 'Marie! Tante Germaine zegt dat ik lelijk ben!'

'Zegt dat Germaine lelijk is en zij nog lelijker worden zal! En jij, als je goed leert op school en je doet alles wat je doen moet, dan word jij de mooiste vrouw van Vlaanderen!'

Een troost in de roos. De daaropvolgende dagen onderzocht ik mijn spiegelbeeld, of ik al een beetje de mooiste vrouw van Vlaanderen was.

Ik was een vreemd kind. Marie waste mij en mijn broers in een tobbe, die op de keukentafel stond. Als het mijn beurt was, wees ik op mijn tepels en waarschuwde: 'Marie, voorzichtig wrijven. Dat zijn de knoopjes om mijn huid aan op te hangen!' Mijn broers kwamen niet bij van het lachen, maar ik meende dat en Marie respecteerde mijn kinderverbeelding. Zo dacht ik lang dat bloemen konden bloeden, omdat zij ademen zoals wij. Als ik 's morgens naar school ging, waren de bloemen dicht, als ik 's middags van school kwam, stonden zij open. Daarom durfde ik geen bloemen plukken. Tot ik het op een oorlogsdag toch deed. Ik speelde in de wei achter het huis van Marie, toen een paar meter van mij af een bom insloeg. Ik werd door de luchtverplaatsing omhooggegooid en op de grond gesmakt en kreeg een hagel aardkluiten over mij heen. Marie bestierf het, wist niet beter of er bleef niets van mij over. Handenwringend riep zij mijn naam, en toen kwam ik triomfantelijk uit die optrekkende wolk te voorschijn, zwaaiend met bloemen: 'Marie! Marie! Bloemen bloeden niet!'"

(...)

F

"Een laatste kindersouvenir. Op school had soeur Regina geleerd dat Genoveva van Brabant vermoord werd omdat zij liever maagd wou blijven dan op de avances van een man ingaan. Ik vertelde het verhaal aan Marie, die corrigeerde: 'Genoveva is niet vermoord. Zij is met een prins getrouwd en heeft veel kinderen gehad.' Ik de volgende dag met die rectificatie naar school:

'Masoeur, masoeur!'

'Wat is er nu weer, Marie-Louise?'

'U moet er niet mee inzitten, masoeur. Genoveva is niet dood, ze is getrouwd met een prins, ze heeft kinderen en is zeer gelukkig!'

Zuster Regina sloeg de armen ten hemel, zoveel heiligschennis had zij niet eerder gehoord. Ik vloog in de hoek, en kreeg vijf strafpunten. Dat zou Marie bezuren! Zoals ik volwassen vrouwen had zien doen, ging ik na school met de vuisten in mijn zij voor Marie postvatten om rekenschap te vragen. Ik wou weten wie mij aan het beduvelen was, de nonnen of zij.

Marie, die aan het naaien was, schoof haar brilletje op haar voorhoofd, keek mij aan en zei, rustig als altijd: 'Luister eens, Marieke. Je mama heeft een winkel en zij praat voor haar winkel. De bakker en de beenhouwer praten voor hun winkel. Iedereen praat voor zijn winkel. De pastoor en de nonnen hebben een bollenwinkel [snoepwinkel, JA] en zij praten voor hun bollenwinkel.'

Dat sprak weer enorm tot mijn verbeelding, de kerk als bollenwinkel! Als de kerk leeg was, ging ik op zoek naar waar die bollen verstopt zaten. Ik doorsnuffelde tot en met de bidstoelen van de rijke parochianen, bidbanken met initialen en met een laatje ingebouwd, maar vond geen snoep. Tot ik weer eens mijn misdienaar van een broer zeurend vergezelde en in de sacristie een gebeeldhouwde koffer zag staan. Ik tilde het deksel op, en zag dat de kist vol kazuifels stak. Magnifiek geborduurde gewaden, doorvlochten met goud- en zilverdraad. Ik was in alle staten van verrukking en trok een kanten hemd aan dat mij veel te groot was, het sleepte over de grond. Ik graaide naar een tweede kazuifel, voor Marie, toen Roger zag wat ik aan het uitrichten was en direct ingreep. Ondanks mijn luidkeels protest en tegengespartel trok hij het misgewaad over mijn hoofd. 'Waag het niet meer een voet in de sacristie te zetten, straks ben ik misdienaar af!'

Als een opgewonden standje stoof ik de kerk uit en stuikte binnen bij Marie met het grote nieuws: 'Marie! De kerk is geen bollenwinkel, maar een klerenwinkel! Ik heb ze gevonden. Kleren van zilver en goud, van alle kleuren van de regenboog! Ik heb ze aangetrokken, en als Roger er niet is, ga ik er een voor mij en een voor jou kiezen!'

Marie schudde het hoofd, en nam mij mee naar haar slaapkamer waar haar enige zondagse jurk aan een kleerhanger hing. Een nederige zwarte jurk, met witte knoopjes afgezet: 'Marieke, dat kleed zie ik graag, een ander hoef ik niet. Als het regent of koud is, doe ik daar een kapmantel over aan. Doe mij een plezier, en kom nooit met kerkkleren naar huis.'"

F

"Zo groeide ik op, botsend met de dragers van gezag. En, toegegeven, meer als een speelvogel dan als een studente. Toen ik zeventien was, moest ik voor straf naar de Zwarte Zusters op het Memlingplein in Brugge, als ziekenverzorgster. Maar voor mij was die straf een openbaring, ik vond dat prachtig werk. Mijn leven lang heb ik oude mensjes bijgestaan, hun eenzaamheid helpen verlichten.

Met negentien trouwde ik met een zakenman uit Eeklo, en ben in dat stadje gaan wonen. Hij verkocht allerhande glas, van spiegels tot kerkramen, sieraden, beeldjes, glas-in-lood. Een jaar later werd in Gent onze dochter geboren. Ik wou haar Sibille noemen, maar tegen die naam rees verzet van de familie, omdat er geen heilige Sibille bestaat. Nonkel pater, een broer van mijn vader, kwam op mij inpraten, wapperend met een Onze-Lieve-Vrouwprentje. Waarom die heidense naam, wou hij weten. Ik zei: 'Ik noem mijn dochter naar Sybilla d'Anjou, de vrouw van Diederik van de Elzas die voortdurend naar het Heilig Land reisde en onderweg alle bordelen bezocht, terwijl Sybilla thuis met een kuisheidsgordel om op hem wachtte.'

'Je bent stout,' zei nonkel pater, en herhaalde dat er geen heilige Sibille is.

'Maar als ik haar zo noem,' bleef ik bij mijn standpunt, 'wordt mijn dochter misschien de eerste heilige van die naam...'

Mijn man en ik hebben onze wil doorgezet, wij waren twee non-conformisten.

Hij was een liefhebber van klassieke muziek, ik hield van het Franse chanson. Daar stak hij graag de draak mee, deed dan Maurice Chevalier na. Op een dag keek hij naar de Franse televisie, terwijl ik in de keuken aan de afwas stond. Hij riep vanuit zijn stoel: 'Dat is er eentje die er wat van kent!' Ik kwam kijken en zag een jonge man 'La valse à mille temps' zingen. Ik vroeg naar zijn naam, mijn man had 'Brel' verstaan. Ik vertelde van een jongen 'Brel' uit mijn kindertijd, die een rond gezicht had met zomersproeten, maar deze televisiebrel was mager en had er geen. Mijn man schamperde: 'Jij zult hem wel weer kennen, jij en je beroemde mannen...' Dat was een allusie op mijn tête-à-tête met Godfried Bomans en op het feit dat ik kort voordien een lift had gekregen van de Nederlandse televisieman Willem Duys. Toen ik thuis zei dat ik met Willem Duys naar Gent was gereden, interpreteerde mijn man dat als grootspraak.

De Brel op televisie maakte op ons een sterke indruk. Via de pers probeerden wij zijn gangen te volgen. In een krant lazen wij dat hij bij een liedjeswedstrijd in het casino van Knokke voorlaatste was geëindigd. Vanuit het publiek was er met tomaten naar hem gegooid, boegeroep was zijn deel geweest. Weer een tijd later vernamen wij dat hij in datzelfde casino zou optreden. Mijn man en ik daarnaar toe. In de zaal zaten mensen te dineren, champagne te drinken. Gerinkel van zilver bestek en van kristallen glazen begeleidde het gezang. Mijn man en ik waren diep ontroerd door de liedjes, en vonden het schandalig dat de toehoorders dwars door de liedjes heen aten, dronken en converseerden. Ik was daar zo verontwaardigd over dat ik na de tour de chant de zanger opzocht om mij namens het publiek te verontschuldigen. Zo kwam ik achter de schermen oog in oog te staan met zanger Brel. Ik speurde naar de sproeten, zag ze niet en durfde daar niets van te zeggen. Ik flapte eruit: 'Brel, als ze nog eens met tomaten gooien, moet je die naar de keuken van het casino brengen en er soep van laten trekken.' Hij moest daar hartelijk om lachen. Toen werd ik op de schouders getikt door Jojo, Brels beste vriend, die mij en mijn man uitnodigde voor een optreden, later op de avond, in La Bagatelle, de nightclub van het casino.

Dat was een kleine ruimte, wij zaten op de eerste rij, zagen het zweet van Brels gezicht gutsen en moesten zijn spuugdruppeltjes voor lief nemen, zo dicht bij het podium zaten wij. Hij zong zijn ziel uit zijn lijf. In het publiek was een meneer die blijkbaar nooit eerder van Brel had gehoord, en zijn ogen en oren niet geloven kon. In opperste extase zat hij op zijn knieën te trommelen en draaide voortdurend zijn hoofd naar andere toeschouwers, als om hen tot getuige te nemen: 'Heb je ooit zoiets gehoord? Hoe bestaat het!'

Zo werden wij bij die eerste ontmoeting in het wereldje van de kunstenaar geïntroduceerd. Jojo liet ons weten wanneer Brel in België optrad, en ik was altijd present. Soms met, soms zonder mijn man. Intussen waren er maanden voorbijgegaan dat ik hem niet gezien had, en elke keer werd dat gat dichtgebabbeld. En toen was er al de eerste aanvaring, want bij al die mooie liedjes zat er één waar ik niet tegen kon, dat mij nerveus maakte, mijn avond bedierf. Dat was 'Les Flamandes'. Ik sprak Brel daarop aan, niet wetende dat ik een van de velen was. Ik zei: 'Waarom moet je dat nu zingen? Er zijn toch overal volgzame vrouwen?' 'Bijgevolg ook in Vlaanderen,' was zijn gevatte repliek.

'Ik heb niet graag dat je dat zingt,' zanikte ik door, 'je moet dat niet meer zingen.'

Dat 'verbod' maakte hem boos: 'Je chante ce que je veux!' zei hij bits.

Maar ik was ook geen katje om zonder handschoenen aan te pakken. Kort na die prise de bec zat ik met de entourage van Brel in een Oostends restaurant aan tafel. Zijn impresario treiterde: 'Nu ga je morgen in dat dorp van jou opscheppen dat je met Brel gegeten hebt?' Ik gaf hem meteen de volle laag terug: 'Ik denk er niet aan om daarmee uit te pakken. Brel is niet geliefd in Vlaanderen, en dat heeft hij aan zijn 'Flamandes' te danken. Als ik in een platenwinkel voor 'Brel' kom, moeten ze die plaat speciaal voor mij bestellen.' Daar werd de hooghartige even stil van. Tussendoor waren er ook de lieve momenten, waarbij ik de kans kreeg om Brel over mijn jeugd in te lichten en natuurlijk de fenomenale Marie, haar fabels en eigengereide filosofieën, ter sprake te brengen. Hij kon daar geboeid naar zitten luisteren. Het Franse jongetje uit mijn pijpenkrullentijd durfde ik vreemd genoeg niet oprakelen.

In 1968 werd ik ernstig ziek, lag meer op de operatietafel dan dat ik thuis was. Er werd voor mijn leven gevreesd, en ik moest voor mijn gezondheid aan de kust gaan wonen. De keuze viel op Knokke, waar Marieke te Vlaams bevonden werd en mijn voornaam mondain aangepast werd tot Marilou. Aangezien mijn man zijn zaak niet uit handen kon geven, draaide ons verhaal uit op een lat-relatie: ik in Knokke en hij in Eeklo. Dat gescheiden leven was niet zo'n probleem, wij bleven non-conformisten die elkaar de vrijheid gunden. Mijn man heeft voor die afwijkende opstelling zwaar moeten boeten. Zijn familie was oerkatholiek, bij hem thuis wemelde het van de pastoors, met in de schoot ervan zelfs een heuse bisschop. De glashandel was van zijn ouders en mijn man diende zich te gedragen. Hij moest zijn geuzeninstelling wegstoppen, zijn persoonlijkheid als het ware verminken. Daar paste hij voor; hij was niet kerkelijk en dat werd hem in Eeklo aangerekend. Toen hij de zaak in 1968 voor eigen rekening voortzette, slonk de katholieke klandizie als sneeuw voor de zon. Een kerkraam zat er niet meer in. Financieel is hij van een welvarend man achteruitgeboerd tot iemand die elke frank drie keer moet omdraaien.

Zo kwam het dat toen Jacques Brel in 1971 zijn film Franz overdag in de Vlaamse badplaats Blankenberge draaide, hij en ik elkaar elke avond in Knokke zagen in The Gallery, de bar van Franz Jacobs, de vriend aan wie hij zijn film opdroeg."

"In The Gallery werkte Jacqueline, een gehandicapte vriendin van mij die hielp de zaak draaiend te houden. Op een avond ging ik haar opzoeken, samen met Sibille, mijn vijftienjarige dochter. Jacqueline keek verbaasd op: 'Toi, Milou, qu'est-ce que tu fais ici, dans cet établissement?' En wat had Sibille er verloren? Ik vertelde dat een getrouwde vent van zesendertig achter mijn dochter aanzat, en ik haar daarom overal meenam. En wie zag ik ineens achter de tapkast staan, mij geamuseerd observerend? Jacques Brel. Ik zei: 'Brel! Is het afgelopen met zingen, moet je nu in de horeca je geld verdienen?' Zulke onzin was aan hem besteed. Hij legde uit dat hij met een film in de slag was. Nu was dat uitgerekend de avond waarover in Brel-boeken geschreven is, de avond dat veertig Vlaamse middenstandsvrouwen de bar van Franz overspoelden en met Brel een kwebbel aangingen over die eeuwig terugkerende vervelende 'Flamandes'. Door de galante stemming waarin hij die avond verkeerde, had hij de zwerm al in zijn geheel voor zich gewonnen. Maar hij toonde zich meer geïnteresseerd in mij, 'zijn oude vriendin', en vroeg: 'Eh, bien, madame V., hoe is het met uw man?'

'Och,' zei ik, 'comme un chef-d'oeuvre en péril.' Zo zei ik dat. Hij keek mij strak aan: 'Waar is uw man?'

'Hij woont in Eeklo en ik woon hier, maar laat mij met rust. Ga met die veertig mevrouwen spelen.'

Dat was nu net iets wat je tegen een tegendraadse natuur als Brel niet moest zeggen. Met een brede grijns kwam hij naar mij toe, ik weerde hem af: 'Ik kom met Jacqueline praten en pas op mijn dochter, jij hebt hier meer dan je amusement.' Maar hij liet niet af, met zijn arm door de mijne gestoken wandelde hij naar de telefoon, haakte af en zei in de hoorn: 'Allo, le pape? Vous êtes un couillon! La pilule c'est très bien pour la femme.'

De kwajongen Brel in groten doen. Hij zei tegen Franz: 'Zet een slow op, ik ga met mevrouw dansen!' Terwijl die veertig middelbare Mariekes met grote ogen toekeken, kwam hij voor mij staan, maakte een buiging en vroeg vormelijk of ik hem die dans gunde. En français, bien sûr.

Het werd een mooie avond. Onder het dansen zei ik: 'Je naam is Jacques, maar als klein meisje heb ik een 'Brel' gekend. Een jongen met sproeten die mij zijn fietsje afstond.'

'Ik ging naar Oudenburg met vakantie,' zei Brel.

Toen ik vertelde dat mijn broer Roger hem een paar keer in Oudenburg had opgepikt, en mee naar Stalhille genomen, dacht hij diep na. Toen klaarde zijn gezicht op: 'Je me souviens!' Hij wist zich zelfs te herinneren dat je dwars door een bosje, eerder hoog kreupelhout, van Oudenburg naar Stalhille kon fietsen. Maar het is bij een paar keer gebleven, wist Brel, ik kon met die kereltjes niet praten, en fietste dan liever alleen. Vond ik ook fijn, alleen fietsen.

'Herinner jij je dat lelijk meisje, spichtig, met geel haar en strikjes?'

'Dat was een blond meisje!'

'Toen was ik blond, later is mijn haar gaan verkleuren en nu is het donker geverfd... Tu avais des 'sproetjes'...' Ik kon niet op 'taches de rousseur' komen.

Hij vond het fantastisch dat wij elkaar als kind hadden ontmoet.

'Ik was toen nog lelijker dan nu!' schaterde hij.

Die obsessie over zijn lelijkheid zat mij dwars. Hij kende de vrouwen zo slecht, dat hij geloofde dat ze alleen vallen voor een fysiek mooie man.

'Wat is lelijk?' zei ik, 'wij worden allemaal lelijk...'

'Maar ik ben nooit mooi geweest,' grimaste Brel.

'Dat klopt,' kaatste ik terug, 'jij kunt er alleen maar mooier op worden!' Die plaagstoot apprecieerde hij.

Het was een mooie avond. Wij dansten wang aan wang. Ik zei 'lieverd'. 'Wat wil dat zeggen?' vroeg Brel. Ik zei dat het woord onvertaalbaar is, dat een lieverd tussen vriend en lief in hangt. 'Dus ben ik noch het een noch het ander?' polste hij, altijd adrem. Ik zei dat hij meer een vriend was dan een geliefde. 'Dat houdt geen steek,' zei hij, 'je bent óf een vriend óf een minnaar, maar niet iets halverwege.' Hij maakte zich nog een tijdje druk over de onvatbaarheid van het woord 'lieverd', en zong toen al dansend flarden van een lied dat ik pas zes jaar later op zijn laatste plaat zou horen. Hij zong zachtjes in mijn haar: 'Toi, si tu étais le Bon Dieu tu ferais valser les vieux aux étoiles...' Misschien zong hij dat omdat hij wist dat ik mij de oudjes aantrek. Van nog andere nummers op die laatste plaat heb ik in de bar van Franz Jacobs het ontstaansproces meegemaakt..."

F

"Op een avond werd er bij Franz irritante muziek gedraaid, typisch voor een nightclub. Brel was in een kregelige stemming. De deur van de bar zwaaide open en wie kwam daar binnen, dronken als een draaideur? Dichter en schilder Paul Snoek. De alcohol sijpelde uit zijn ogen. Hij laveerde 'recht' op Brel af, legde een zware hand op diens schouder en begon op hem in te praten: dat Brel geen kloten kende van Vlaamse kunst, en moest zwijgen over Vlaamse eigenschappen waar hij niets van afwist, en meer van dat uitdagend gelal. Brel beet agressief van zich af en al gauw stonden daar twee kemphanen tegen elkaar op te kraaien, opgejut door die enerverende muziek. Ik heb de heren uit elkaar gehaald. 'Wie bent u?' snauwde Snoek, waarop ik riposteerde: 'Wie bent ú?' Gemeen van mij om dat tegen een bekende Vlaming te zeggen. Brel had zich op een kruk gezet en keek ijzig voor zich uit. Ik deed mijn best om hem te kalmeren. 'Zie dat daar staan, dat stuk flamingant!' zei hij met een kinbeweging richting Snoek. Ik rectificeerde: 'Brel, dat is geen flamingant, dat is een dichter en een schilder, een man van talent, maar op dit ogenblik overdreven dronken.'

Brel bleef gisten: 'Overal waar ik kom in Vlaanderen moet ik rekenschap geven over mijn liedjes tegen flaminganten, maar zonder mij zou buiten België niemand vermoeden dat er op aarde zoiets rondloopt als een Vlaams mensenras... Jij bent er net zo eentje,' ging hij boosaardig door, 'met je niet-aflatende klagen over 'Les Flamandes', jullie hebben geen greintje zelfkritiek.'

Hij bleef nog een tijd stoom afblazen, tot hij zichzelf weer in de hand had... Wie beschrijft mijn verbazing toen ik in 1977 zijn nieuwe plaat op de draaitafel legde en 'Les F...' hoorde? Het klonk alsof de ruzie met Snoek zes jaar nadien gewoon werd voortgezet, de irritante muziek inbegrepen. Waarbij Brel alsnog zijn gelijk probeerde te halen. Ik weet haast zeker dat de kiem van dat pamflet die avond bij Franz is gezaaid.

Ook het 'geblafte Vlaams' dat in 'Les F...' voorkomt, evenals het beeld van Vlaanderen dat zich tegen de flaminganten afzetten zal, heb ik Brel als het ware ter plekke zien bedenken. Soms, heel soms, was ik er de inspiratrice van.

Zo was er weer eens een meneer in The Gallery die Brel lastig viel over onze Vlaamse torens en belforten en wiegende zeeën en Mercator en Ludwig van Beethoven die misschien van Mechelen was. Brel kreeg het zwaar op zijn heupen, en schoot uit: 'Monsieur, je ne vais pas demander à mes trois filles d'apprendre à aboyer flamand!' Hij draaide zich woest om, zag mij staan en schrok, want ik was zo ontdaan door die uitval dat de tranen mij in de ogen stonden. Hij nam mij bij de arm, wij gingen apart zitten, zwegen een tijd en toen zei ik zachtjes: 'Brel, wij blaffen niet, wij spreken Vlaams.'

Brel, korzelig: 'Je le sais.'

'Jonge Vlamingen hebben in de Eerste Wereldoorlog aan de IJzer gevochten voor België, en zijn daar tot in hun ziel vernederd geweest.' 'Je le sais.'

'Onze intellectuelen hebben tegen de Kerk en het Kapitaal gestreden voor onze Vlaamse taal en eigenheid.' 'Je le sais.'

'Waarom zeg je dan zoiets?'

Brel: 'Omdat ik het beu ben dat het Vlaams wordt opgedrongen. België is een speldenknop groot en in de wereld heeft die taal niets te betekenen. Evenmin als Oekraïens of Hottentots. Ik heb over Vlaanderen gezongen in 'Le plat pays' en dat lied is de wereld rondgegaan. Maar als mijn dochters verstandig zijn, leren zij naast hun moedertaal Engels. Over tien of twintig jaar spreken wij allemaal Engels.'

(...)

'Les Flamandes' was altijd aanleiding voor ruzie tussen hem en mij. Dat kwam in die zin goed uit dat hij een meester was in het ruzie-maken, maar ik deed voor hem niet onder. Bij weer eens een discussie over dat lied, in de bar van Franz, zei hij kwaad: 'Ik ben Brel. Ik heb mijzelf gemaakt, en alle anderen hier in deze tent zijn stommekloten, ce sont des cons.' Soms was hij onweerstaanbaar, en dan weer onuitstaanbaar. Ik riposteerde dat hij dat niet kon weten van die anderen, dat elk mens een boek is, met zijn eigen verhaal. Hij tuurde een tijd in het glas voor zich en zei dan dat ik het ooit in mijn hoofd moest prenten dat 'Les Flamandes' après tout maar een liedje is. 'Marieke' is ook een Flamande,' ging hij door, 'mijn Flamande.'

Hij dacht daar verder over na, keek mij van opzij onderzoekend aan en zei dat als het lied mij zo stoorde, ik hem van antwoord moest dienen. Ik flapte eruit: 'Hoezo, jou van antwoord dienen?'

'Schrijf een liedje terug,' zei Brel.

'Maar dat kan ik niet, ik heb jouw talent niet!'

'Je bent lui,' deed hij gemeen, 'talent is een bedenksel. Er zijn luie mensen, en anderen. Moi, je vis, je bouge, je fais quelque chose de ma vie. Jij blijft op je krent zitten.'

Ik zit al vijfentwintig jaar te zwoegen op een antwoord, dat blijft steken in een probeersel. Brel onderschatte zijn buitengewone talent. Hij besefte niet wat hij in de jaren zestig en zeventig voor een hele generatie betekende, hij snapte niet dat wij aan zijn lippen hingen en hem immens bewonderden voor de trefzekere en unieke manier waarop hij onze verwachtingen verwoordde, onze gevoelens aankleedde. Ik ben altijd een ondernemende vrouw geweest en ben nog actief, ik ben allesbehalve wat je lui noemt, maar ik kan helemaal niet schrijven. Niet op dat niveau."

F

"Ik was een detail in het leven van Jacques Brel, en misschien een voetnoot in sommige chansons. Tien jaar na de dood van de zanger las ik een uitspraak van Franz Jacobs, met Jojo waarschijnlijk zijn beste vriend, dat 'Marieke' voor Brel de vrouw van zijn leven was gebleven. Ik ben 'Marieke' niet. Laat ons aannemen dat ik óók 'Marieke' ben, een van de Vlaamse vrouwen met wie hij het goed kon vinden, soms zonder hen persoonlijk te kennen. Je zou mij eventueel een 'schildersmodel' van de plastisch geïnspireerde Brel kunnen noemen, al heb ik aan poseren een kwade herinnering bewaard. Als vijftienjarige stond ik model voor beeldhouwer Constant Permeke. Toen ik het resultaat zag, een liggend naakt, kon ik mijn ogen niet geloven. Het bloemenmeisje dat ik was, had hij opgeblazen tot een massieve madame, met dijken van dijen. Ik stamelde dat ik daar toch niet op leek. 'Wacht maar af,' lachte Permeke, 'ooit zul je erop lijken!' Ik ben maandenlang door die misvormde voorstelling getraumatiseerd geweest, en praat er nog met tegenzin over. Het beeld staat in de tuin van zijn huis in Jabbeke, nu Museum Permeke, maar mij zul je daar niet zien. Hij heeft het 'Niobe' genoemd, naar de Griekse godin die versteende van smart. Ik versteen van schaamte als ik eraan terugdenk.

Toen Brel zijn 'Marieke' in 1961 uitbracht, kenden wij elkaar nog maar kort, maar had ik al een paar keer met mijn fabelachtige Marie kunnen uitpakken. Ik ben er zeker van dat zij mee aan de basis ligt van het beroemde lied, hij hoorde mij graag over haar vertellen. Het symfonisch gedicht Jean de Bruges dat Brel in 1963 voor zijn muzikale begeleider François Rauber schreef, is zo weggelopen uit de vertellingen van Marie. Ook hier houden Brugge en Gent elkaar in balans. Als zijn verbeelding 'Jan van Brugge' in de fabel 'L'Ouragan' parten speelt, wordt hem aangeraden om de goedgelovige Gentenaars die onwaarschijnlijke geschiedenis op de mouw te gaan spelden: Jean de Bruges, ton ouragan Va-t'en le raconter à Gand.

Nu ik voor het eerst mijn verhaal doe, herken ik mij ook voor het eerst als wel degelijk deel uitmakend van de familiefoto 'Les Flamandes'. Alleen al het taaie West-Vlaamse, dat in het lied zit. Mijn vader is dit jaar op 93-jarige leeftijd overleden. Hij was verontwaardigd toen ze hem in het ziekenhuis bij 'de oudjes' onderbrachten. Mijn moeder is van dezelfde leeftijd, zij woont nog in Stalhille. Haar vader is, alweer 93 jaar oud, van zijn fiets gewaaid en doodgebleven. Hij was onderweg naar ons thuis om een kaartje te leggen, maar werd geveld door de tegenwind... Nu vallen mij de schellen van de ogen en zie ik in dat Jacques Brel met dat lied een meesterwerkje heeft nagelaten, waarin hij een categorie Vlaamse karakters raak typeert. Toen hij ons dat Breliaans en Breugeliaans plaatje voorhield, liet ik mij meeslepen door de negatieve reacties. Ik was toen jong, trots en ijdel en voelde mij door het spotlied persoonlijk geridiculiseerd. Nu snap ik de grote boosheid van Brel op die lichtgeraakten zoals ik, die oren hadden en niet luisteren wilden."

F

"'Viens avec moi au soleil,' zei hij op een avond onder het dansen. Het was alsof ik het in Keulen hoorde donderen. 'Qu'est-ce que tu fous ici, parmi ces cons?' ging hij door. Hij zei dat hij een wereldreis ging maken, en wou dat ik meeging. Ik zei hoezeer die vraag mij overviel.

'Réfléchis,' zei Brel, 'et viens avec moi au soleil.'

Ik hoefde niet lang na te denken over het voorstel: van weggaan kon voor mij geen sprake zijn. Ik vond Brel boeiend gezelschap, maar was niet verliefd op hem. Ik heb nooit een serieuze relatie overwogen. Ik heb voor Brel nooit een traan gelaten. Ik dacht er niet aan om mijn man achter te laten, laat staan mijn dochter. Ik wou deze en andere emotionele bindingen niet op het spel zetten. Uit zijn voorstel moest ik tot mijn verbazing afleiden dat Brel wel op iets duurzaams aanstuurde. Dat bleek ook een beetje toen hij zo nerveus reageerde op mijn grote affectie voor Jojo, Georges Pasquier. Die lag toen zwaar ziek in een Parijs ziekenhuis, en ik had daar veel verdriet van. Toen ik van Brel hoorde hoe eenzaam Jojo was, schreide ik hete tranen. Brel heeft dan de opnamen van Franz een dag stilgelegd - een kostelijke break - om zijn vriend met een bezoek te verrassen. Maar een week later deelde hij koudweg mee dat Jojo dood was. Hij liep in die tijd al te kauwen op wat later 'Jojo' zou worden, het lied voor de dode compagnon de voyage. Pas dit jaar heb ik achterhaald dat Georges Pasquier niet in 1971, maar in 1974 is overleden.

Brel bleef aan mij trekken. Op een dag rekende hij voor dat hij uit Amerika 22 miljoen aan auteursrechten verwachtte, dus dat ik niets te kort zou komen.

'Maar Miche, je vrouw, en je kinderen,' zei ik, 'waar laat je die?' 'Miche, c'est fini,' zei hij kort.

Dat antwoord overtuigde mij niet. Ik had ook al zo vaak 'c'est fini' gezworen, maar in je diepste binnenste hoop je dat die breuk niet definitief is. Als puntje bij paaltje komt, zijn de oude banden de sterkste. Ik was ervan overtuigd dat Brel na al zijn omzwervingen terug naar Miche zou gaan.

Uiteindelijk wees ik het voorstel ondubbelzinnig af.

'Nee, Brel. Iets doet mij nee zeggen. Ik zie je graag, maar het is niet de alles overrompelende liefde. Ik mag mij niet helemaal binden aan jou, omdat ik niet 'het antwoord' ben op jouw onvervulde verlangens. In die verre dromen van jou kan ik je niet volgen.'

'In dat geval blijf ik,' was zijn antwoord.

Maar toen de film Franz klaar was, is hij terug naar Frankrijk gegaan en heb ik nooit meer iets van hem gehoord. Ik heb hem niet geschreven, en hij mij niet. Ons verhaal was uit. Het verdere leven van Jacques Brel heb ik zoals iedereen uit de pers vernomen."

Johan Anthierens, Jacques Brel. De passie en de pijn, L.J. Veen, 250 p., 700 frank. Vanaf volgende week in de boekhandel.

(Foto L.J. Veen)

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234