Vrijdag 24/09/2021

Column

Het 'andere Azië' heeft weinig baten van haar groei

null Beeld DM
Beeld DM

Jonathan Holslag is professor internationale betrekkingen aan de VUB en lid van De Vrijdaggroep. Hij schrijft deze bijdrage in eigen naam.

Honderdduizenden Filippino's op de barricades tegen de corruptie van de overheid, een miljoen Indonesiërs gemobiliseerd tegen de lage lonen, gewelddadige stakingen door Cambodjaanse textielwerkers, Thaise demonstranten die de regering tot aftreden dwingen, rellen in Singa­pore, rubberkogels tegen vakbonden in Bangladesh, politie die met scherp schiet op protestanten in het noorden van India, sektarisch geweld in Pakistan, politieke onrust in Kirgizië, stakende oliewerkers in Kazachstan... De Aziatische Eeuw maakt een turbulente knik. Die oproer dwingt ons twee zaken onder ogen te zien. Enerzijds is dat de kloof tussen verwachtingen en realiteit. Anderzijds is dat het verschil tussen China en de rest.

Bij groei hoort onrust. Het is de rusteloosheid bij de bevolking die de groei aandrijft en het is de groei die deze drukte in stand houdt. In Azië breiden de steden uit met vijftien miljoen mensen per jaar. Dat creëert reservoirs aan economisch potentieel én verwachtingen. Het is in de steden dat paupers geconfronteerd worden met de uitingen van welvaart. Zolang de indruk van beterschap blijft bestaan, raast de massa voort.

Het is die beterschap die steeds meer in twijfel wordt getrokken. Sinds 1990 zette Azië een gemiddelde jaarlijkse groei neer van 4 procent, maar volgens de cijfers van de Internationale Arbeidsorganisatie heeft dat geleid tot een jaarlijkse toename van de werkgelegenheid van slechts 1 procent. Dit was goed voor zowat 230 miljoen jobs, de bevolking tussen 16 en 65 jaar groeide tezelfdertijd met 720 miljoen. De tewerkstellingsgraad is daardoor afgenomen van 64 procent in 1990 tot 60 procent vandaag. Dat betekent hoge werkloosheid en veel schamele jobs in de informele sector.

Met die banenloze groei wijkt de Aziatische ontwikkeling sterk af van de wijze waarop het Westen in een vergelijkbaar economisch stadium aan het einde van de negentiende eeuw welvaart genereerde. Die groei bracht verhoudingsgewijs meer tewerkstelling tot stand. Dat geldt ook voor de koopkracht. In het Azië van vandaag wist de inflatie het effect van de stijgende inkomsten uit. Sinds 1990 groeiden de gemiddelde inkomens in de regio jaarlijks met 3,8 procent; de consumptieprijzen met 4,2 procent.

Een derde factor is de industrie. In de geschiedenis is de industrialisering een belangrijke drijfveer gebleken van de economische vooruitgang. Ook in Azië genereert die industrie ongeveer een kwart van de groei, maar dat is een stuk minder dan de 38 procent in de hoogtijdagen van de industrialisering in het Westen. Dat gaat gepaard met twee andere fenomenen. Enerzijds voert het overgrote deel van de Aziatische landen aanzienlijk meer industriële goederen in dan uit. Anderzijds heeft de industriële sector in de voorbije decennia slechts 9 procent van de nieuwe banen geschept. De grootste uitdaging voor veel Aziatische landen is dat zij snel verstedelijken zonder de arbeidsintensieve industrie die het Westen tot zijn beschikking had toen daar de urbanisatie een hoge vlucht nam.

Dat brengt ons bij een vierde struikelblok: afhankelijkheid van grondstoffen. Het aandeel van grondstoffen in de uitvoer van Aziatische landen is opgeklommen van 16 procent in 1990 tot 24 procent vandaag. De primaire sector stelt steeds minder mensen tewerk, maar wordt wel belangrijker voor overheden om hun uitgaven op peil te houden. Het is die context die veel Aziatische landen onstabiel maakt en politieke elites weinig andere kansen biedt dan haar controle over strategische sectoren aan te wenden om politieke trouw af te kopen, om aan subsidiepopulisme te doen, of oppositie te onderdrukken.

Wat alles nog complexer maakt, is het grote verschil tussen China en de rest van Azië. Sinds 1990 hebben de Chinezen ongeveer 60 procent van de tewerkstelling in de regio voortgebracht. China heeft gedurende die periode 70 procent van de toename in de Aziatische industriële goederenproductie voor zijn rekening genomen en 75 procent van de industriële export. Het gemiddelde inkomen in China vertwintigvoudigde, terwijl dat in de rest van Azië sinds 1990 slechts verdrievoudigde. Belangrijk is ook dat waar de inflatie de baten van de groei voor de meeste Aziaten uitwiste, de gemiddelde jaarlijkse inflatie in China beperkt bleef tot de helft van het groeicijfer.

Als we de toekomst van Azië willen inschatten, moeten we zeer goed die twee onderscheiden maken: het onderscheid tussen groei en de baten van die groei én het onderscheid tussen China en het andere Azië.

undefined

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234