Zaterdag 03/12/2022

Het aardigste volk

'Het cliché dat xenofobie, racisme en superioriteitsgevoel in de Duitse ziel ingebakken zouden zijn, gaat botweg voorbij aan de sociale, politieke, sportieve én, misschien wel in de eerste plaats, culturele geschiedenis van het land'

ter wereld

Heel Europa kreunt onder de verrechtsing, maar in Duitsland is daar vooralsnog niet veel van te merken. Niettemin blijft de reputatie als vetste kont van Europa aan het land en zijn bewoners kleven. Duitsland mag voetballen, scheppen en hip zijn wat het wil, geen mens die het in zijn hoofd haalt om met das Volk te sympathiseren. Sommige clichés blijken nog taaier te zijn dan een Duitse verdediging.

Fabian Lefevere en Jeroen de Preter

Keulen, maart 1981. Het Müngersdorferstadion zit afgeladen vol voor de kwartfinale in das Uefapokal. 1. FC Köln neemt het op tegen Standard. Hennes, de gehoornde mascotte van de Keulense Geissböcke, wordt als vanouds rondom het speelveld getroond. De heenmatch is op een scoreloos gelijkspel geëindigd, de halve finale lonkt voor de Duitsers. Plots begaat de Luikse linkerback Michel Renquin een tackle. Geel. Een verontwaardigde Renquin lucht zijn ongenoegen op een nogal originele manier: hij geeft de scheidsrechter een kus. Rood. Dit keer is de reactie van Renquin iets minder liefdevol: met veel gevoel voor drama trakteert hij de in zijn ogen partijdige arbiter en de paar tienduizend Duitse fans rond hem op een perfect uitgevoerde Hitlergroet.

Een oververhitte reactie van een gefrustreerde voetballer? Vergeet het. Het cliché van de Duitser als nazi is bijzonder wijdverbreid. Daarom is het ook zo'n bijzonder cliché: je vindt het in alle geledingen van de maatschappij, en zeker niet het minst bij lieden die doorgeleerd hebben. Want is de behoefte aan een zondebok een privilege van het plebs? Het is maar een vraag, maar zou het niet kunnen dat de Duitser voor de gediplomeerde middenklasser in zekere zin net dezelfde rol vertolkt als de Marokkaan voor de ongeschoolde arbeider? Misschien een tweede voorbeeld.

In het voor het overige briljante Een seizoen met Hellas Verona relativeert de bejubelde Engelse schrijver Tim Parks vijfhonderd pagina's lang het racistische karakter van de Veronezen in het algemeen, de beruchte supporters van hun voetbalclub in het bijzonder. Volgens Parks is hun schaamteloos racistisch gebrul en getier een weliswaar pervers, maar in wezen onschuldig spel. Hoe goor de supportersliederen soms ook mogen klinken, bewust of onbewust beseft zelfs de meest vuilgebekte fan dat elke vorm van racisme op niets gestoeld en bijgevolg belachelijk is. "Wij zijn geen racisten, vuile zuiderlingen", citeert Parks een supporter. Het Verona-vak lacht er zich een breuk om. De Veronese overheid daarentegen vindt het welletjes geweest. Ze wil zich van haar 'schandvlek' ontdoen en het stadion sluiten. Het journaille gaat onmiddellijk op zoek naar een reactie van een 'Bekende Hellas-fan', er wordt bij Parks aangeklopt. "Iemand van Kanaal 5, een van Berlusconi's tv-stations, komt twee keer aan mijn deur", klaagt hij. "Ze willen me interviewen. Dan komt de Duitse nationale zender. Ze willen weten waarom ik een racistische club steun. De Duitsers! Mijn vrouw zegt tegen iedereen dat ik er niet ben." De Duitsers! Een mooiere illustratie voor dit betoog kun je zelf niet verzinnen. Uitgerekend de schrijver die met ware heldenmoed het vooroordeel van de racistische Veronees te lijf gaat, veroorlooft zich een kanjer van een vooroordeel als het de Duitsers betreft. Dat de vazallen van Berlusconi zich afvragen waarom een intelligent mens zich tot zo'n vuige bende racisten bekeert, tot daar aan toe. Dat ook de Duitsers zich die vraag stellen, dat gaat zijn bevattingsvermogen te boven.

Je afvragen waar de zo diepgewortelde germanofobie vandaan komt, lijkt overbodig. Wij zijn de Tweede Wereldoorlog nog niet vergeten. De historicus André Beening onderzocht vorig jaar 173 Nederlandse schoolboeken op anti-Duitse gevoelens. Hij stelde vast dat de Tweede Wereldoorlog voor een diepe breuk in de relatie met de Duitsers had gezorgd. Beening gewaagt van een ingrijpende afkeer van de Duitse cultuur, die voortduurt tot vandaag. "In de jaren vijftig en zestig", schrijft hij, "is Duitsland min of meer buiten de beschaving geplaatst. Nederland heeft Duitsland de rug toegekeerd en de Angelsaksische cultuur omarmd als nieuw model voor denken en doen." De gevolgen laten zich raden. Beening verwijst in zijn studie naar een enquête van het instituut Clingendael uit 1993, waaruit bleek dat 38 procent van de ondervraagde jongeren hun buurland identificeert met oorlog, racisme en rechts-extremisme.

Niemand zal bestrijden dat nazisme een wezenlijk en behoorlijk indrukwekkend deel van de recente Duitse geschiedenis uitmaakt. De Duitsers hebben gruwelijke misdaden begaan. Maar de ondervraagden denken een tikkeltje eendimensionaal. Het geheugen dat verder teruggaat dan een handvol decennia zou Duitsland ook met het communisme kunnen identificeren. Het was een Duitser die de marxistische theorie bedacht. Berlijn was de zetel van de Communistische Internationale, Duits was de voertaal en Lenin vestigde zijn hoop op de Duitsers voor de internationalisering van de Rode Revolutie.

Maar historisch bewustzijn is niet eens zo nodig om wat kleur te brengen in het zwart-witbeeld van Duitsland. Nu Europa naar rechts zwaait, zijn de Duitsers als enigen nog niet bezweken aan de verlokking van het rechts-extremisme. Natuurlijk, Kanzler Schröder zou wel eens een electorale buiteling kunnen maken ten voordele van zijn conservatieve rivaal uit Beieren Edmund Stoiber. En natuurlijk is er de liberale en vooral populistische voorman Jürgen Möllemann met zijn anti-Israël en anti-Sharon-uitlatingen. Reactie bleef echter niet uit. Met een ongekende en enkel in Duitsland mogelijke heftigheid werd het heerschap als antisemiet gebrandmerkt. Horen we daar nog iemand spreken over Richter 'Gnadenlos' alias Ronald Barnabas Schill die met een rechts-populistisch programma eventjes furore maakte in Hamburg, de stad trouwens die met de Reperbahn het grootste openluchtbordeel ter wereld in huis heeft? Belangrijker is dat extreem-rechts niks voorstelt in Duitsland, dat het in de Bundestag niet één zitje inneemt. Niet toevallig kent de Duitse taal het woord Vergangenheitsbewältigung, een onvertaalbare term waarmee Duitslands moeizame pogingen om in het reine te komen met zijn verleden worden aangeduid. Nergens werkte de Tweede Wereldoorlog zo tastbaar na als in Duitsland.

Keren we terug naar het begin van de jaren zeventig. De Muur stond er nog en alles wees erop dat hij, ondanks Willy Brandt, tot in de eeuwigheid zou blijven staan. De Palestijnse granaten op de Olympische Spelen in München waren nog niet ontpind of Andreas Baader en Ulrike Meinhof kwamen das Volk er nog maar eens aan herinneren dat de Tweede Wereldoorlog nog wel even zou nawerken.

Het lijkt onvermijdelijk in de Duitse geschiedenis: steeds weer doen de Duitsers zichzelf - en toegegeven: ook anderen - de duvel aan. "Het lot van de Duitser: voor het loket staan", schreef de joods-Duitse publicist Kurt Tucholsky. "Het ideaal van de Duitser: achter een loket zitten."

Duitsland is het land van Faust, van het sich strebend bemühen, schrijft de Nederlandse historicus Frits Boterman in zijn overzicht van de Duitse geschiedenis. Duitsland is een land van uitersten, een land waar ambities hard botsen met werkelijkheden. Een land ook dat nooit één geweest is en waar opeenvolgende verschillende staatsvormen een haast onlesbare dorst naar identiteit en eenheid hebben opgeroepen. Naar Wiedervereinigung bijvoorbeeld. In schril contrast met het gangbare idee van een land dat alleen maar redelijkheid en Gründlichkeit is, is Duitsland ook het land van romantiek en passie. Meer zuiders dan noorders, langs de lijnen van de gangbare clichés. Is het toeval dat gevluchte nazi-kopstukken zo goed gedijen én welkom zijn in het theatrale Latijns-Amerika, waar macho's zich met revolvers naar de macht plachten te schieten. Nog volgens historicus Boterman liggen Traum en Trauma in geen ander land zo dicht bij elkaar als in Duitsland.

Het cliché dat xenofobie, racisme en superioriteitsgevoel in de Duitse ziel ingebakken zouden zijn, gaat botweg voorbij aan de sociale, politieke, sportieve én, misschien wel in de eerste plaats, culturele geschiedenis van het land. Als één sentiment het naoorlogse Duitsland typeert, dan wel een niet te peilen schaamtegevoel. Een trauma dat zijn weerga niet kent. Met een beetje zin voor overdrijving zou je kunnen stellen dat alle kunst die na de Tweede Wereldoorlog door Duitsers werd gemaakt, Vergangenheitsbewältigung is. Schier oneindig is de lijst van Duitse kunstenaars die zich tot taak stelden om de vergetelheidsduivel te vuur en te zwaard te bestrijden.

De gevierde beeldende kunstenaar Anselm Kiefer liet zich in 1969 in Renquin-houding fotograferen. "Om in contact te komen met die krankzinnigheid", vertelde hij er bij. Deutschlands Geisteshelden, een ander overbekend werk van Kiefer uit 1973, toont duistere portretten van onder anderen Wagner, Bismarck en de onnoemelijk foute grootindustrieel Krupp. Om het nog erger te maken, bewerkte hij zijn doeken met een gasbrander. Ook schrijver Heiner Müller maakte er een sport van om das Volk nog dieper met de neus in de eigen, stinkende drek te duwen. "Het nationaal-socialisme zegeviert nog elke dag", schreef hij begin jaren zeventig. "Iedere Duitser kan in een Volkswagen over de autoweg scheuren (zowel Volkswagen als de autoweg zijn uitvindingen van de nazi's, nvdr.), de vuilnis wordt opgeveegd door rechteloze buitenlanders en de bordelen zitten vol vrouwen uit Azië en Afrika." Berust de wonderlijke gelijkenis met de hoes van Autobahn, het meesterstuk van de Duitse 'popgroep' Kraftwerk, alleen maar op stom toeval? De hoes toont een Volkswagen die, gebruikmakend van een droom van een Autobahn, op de stralende oneindigheid afstevent. Een postume groet aan de nazi's? Ga weg. Verheerlijking van de Heimat zal wel het laatste zijn wat in de hoofden van Ralf Hütter en Florian Schneider, de founding fathers van Kraftwerk, in gedachten hadden. Na een studie zang, blokfluit en viool aan het conservatorium van Düsseldorf, waar ze onder meer les kregen van Karlheinz Stockhausen, begonnen ze met behulp van zelf vervaardigde klankvervormers een zoektocht naar de perfecte soundtrack voor wat ze, wij spreken 1970, "the global village" noemden. Niet veel later zetten ze met fraai betitelde nummers als 'Stratovarius' (1971) en 'Kometenmelodie' (1974) de volgende stap: op naar de kosmos.

De grote doorbraak van Kraftwerk kwam er in 1974, met Autobahn. De verdienste van Emil Schult, een beeldend kunstenaar die in de Verenigde Staten had gestudeerd en er van Andy Warhol had geleerd hoe je met avant-garde grof geld kan verdienen. Hij verving de Ruhrgebied-look van Hütter en Schneider door een iets acceptabeler image, en tekende een cover die als geen andere de naoorlogse Duitse ziel weet te vatten. Een heerlijk naïeve tekening die de weg naar een stralende zon wijst, in frontale botsing met de twee verwezenlijkingen van nazi-Duitsland: de Autobahn en de Volkswagen. Traum und Trauma.

Vergeet de oorlog, de (verloren) WK-finale van 1974 was veel belangrijker. Zegt een gekrenkte Nederlander dan. De confrontatie tussen twee clichés, de sierlijke schoonheid van de Nederlanders tegenover de krachtige degelijkheid van de Duitsers. Cruijff tegen Breitner, of godbetert: Uli Hoeness, al das Monster voor de onvergetelijke Horst Hrubesch zich een weg naar de top kopte. De Nederlanders verloren met 2-1, de oorzaak kon onmogelijk op het terrein liggen. Dus werd er naar Bild gewezen, het slinkse sensatieblad dat godenzoon Cruijff op de vooravond van de finale met zwembadverhalen over schuinsmarcheerders en opzwepende vrouwen verplicht had een nacht lang een huilende madam Cruijff te sussen. Toch?

Voetbal is oorlog, hoor je vaak zeggen. Correcter zou zijn: voetbal heeft oorlog vervangen. De politiek trekt zich meer en meer uit het openbare leven terug. Ze blijkt niet in staat om globale problemen onder controle te houden. De ontgoochelde burger wendt zijn blik af van de verkozenen des volks. Is het een toeval dat extreem-rechts zo makkelijk zijn weg vindt naar a- en anti-politieke gradins?

Nu de failliete politiek in het zelfgenoegzame Europa niet meer inspireert tot gevoelens van samenhorigheid en de identificatie met het hogere nationale doel, nu religies in de geïndustrialiseerde wereld zich in vrije val bevinden, kan het heilige voetbal wel nog de emotie van de massa oproepen. Terwijl het voetbal vroeger in het verlengde van politiek of religie kon liggen - Beerschot tegen Antwerp oftewel rechts tegen links; Cercle tegen Club oftewel katholiek tegen liberaal, de voetbaloorlog tussen El Salvador tegen Honduras als gevolg van een politiek conflict - hangt het spelletje nu meer en meer in een ideologisch vacuüm. Met als gevolg dat het voetbal op weg is om zelf een ideologie en/of religie te worden. Voetbalstadia als nieuwe kathedralen.

Hoe minder begrippen als natie, partij of religie het volk in geruststellende blokken weten op te delen, hoe meer het voetbal die functie zal overnemen. En zo worden onbestemde haatgevoelens en alles wat daar aan vooroordelen zoal bijhoort steeds vaker vanop de gradins geventileerd.

Het gaat hier niet eens om de overtreffende trap, het voetbalhooliganisme. Toen de begenadigde Rudi Völler, een minzame Bundestrainer en een doorgaans sportieve speler, tijdens de achtste finale van het WK '90 in Italië een fluim van Frank Rijkaard ontving, was de rekening snel gemaakt. Dacht niet iedereen toen, schreef vorige week een Nederlandse columnist verzoenend, dat die Duitse kinkel de sympathieke kleurling Rijkaard een racistische opmerking had toegebeten? Niets daarvan: "Rijkaard was alleen even boos geworden, omdat Völler in de wedstrijd in de tweede ronde van het WK te hard was ingegaan op doelman Van Breukelen. Voor Rijkaard was dat het sein geweest alle onvrede die hij in het Oranjekamp had opgekropt op de Duitser af te reageren."

Een verhaal dat de clichés ondergraaft is dat van Sunday Oliseh Ogorchukwu, een Nigeriaanse middenvelder met magistrale traptechniek die ooit zijn carrière startte bij FC Luik, maar piekte toen Duitsland om hem riep. Daarvoor was Oliseh als allereerste Afrikaan in het toenmalige walhalla van de profvoetballer beland, de Serie A van dat andere land met het foute maar schijnbaar vergeten verleden, Italië. Trainer Ancelotti beet hem zonder scrupules toe dat hij er niet aan moest denken te spelen. Want dat voorrecht was, uiteraard, op de allereerste plaats voor Italianen weggelegd. "Je kunt net zo goed vertellen dat je Mussolini II bent", smaalde Oliseh achteraf. Pas in Duitsland leefde Oliseh weer op: hij maakte furore bij het magische 1. FC Köln (daarover straks meer) en BVB Dortmund, waarmee hij een UEFA-cup won na een finale tegen het AC Milan waar, jawel, Ancelotti inmiddels trainer geworden was. Maar het meeste plezier beleefde Oliseh nog aan een passage als speler van Dortmund in het Müngersdorferstadion van Köln. "Meningen over Duitsland zijn vaak gebaseerd op vooroordelen", zei hij een tijd na die wedstrijd. "Onlangs voetbalden we tegen 1. FC Köln, waarvoor ik mijn laatste wedstrijd in 1997 speelde. Toen ik het veld opkwam voor de warming-up zongen alle fans van Köln mijn naam. Dat waren allemaal Duitsers. Als ze racist zouden zijn, had ik dat eerbetoon nooit gekregen."

Clichés zijn echter nog taaier dan een Duitse verdediging. Betaamt het niet langer om de Duitsers op de publieke scène met de zonden Israëls te overladen, dan is er nog altijd het Duitse voetbal om stoom af te laten. Duitse voetballers zijn werkers in een tactisch keurslijf, fysieke beulen met lelijke smoelen en gebogen ruggen die zich enkel op wilskracht voorbij de tegenstander wurmen. Nog het liefste in de allerlaatste minuut. Of hoe vooroordelen altijd ontstaan uit een notoir gebrek aan kennis van zaken. Remember de onvermijdelijke Franz Beckenbauer, Klaus 'Fallruckzieher' Fischer. Remember ook Paul Breitner en Günther Netzer. Of nog: Andy Brehme en Hamburgs trots Manni Kaltz, die het begrip vleugelbacks en bananenflanke een nieuwe dimensie gaven. Duitsland, beste voetballiefhebbers, speelt sinds mensenheugenis het spel waar vandaag Brazilië en Frankrijk hoge ogen mee gooien: een even fraaie als efficiënte koppeling van kracht, techniek en tactisch vernuft.

Toen Michel Renquin de Keulense aanhang op een niet zo fluwelen manier met het verleden confronteerde, speelde de geniale middenveldstrateeg Rainer Bonhof er, voor Bernd Schuster zou het Müngersdorferstadion de opstap naar het grote Barcelona en Real Madrid worden, hier ook zette het dribbelwonder Pierre Littbarski toen zijn opmars in en niet veel later zou het Keulense veld het podium van kunstenaar Thomas Hässler worden. En dan was er nog Ewald Lienen, ex-trainer van 1. FC Köln maar als hangende linkerbuitenspeler van Gladbach en later Köln vooral de belichaming van het anarchisme in het Duitse voetbal. Met zijn (inmiddels geknipte) lange manen en satanssnor maakte hij er een sport van de richtlijnen van tot razernij gedreven trainers volstrekt te negeren maar steeds weer de tegenstander dol te draaien. En dan was er nog de onnavolgbare Wolfgang Overath, de Keulense spelverdeler wiens naam in niks zijn spel weerspiegelt, die zo'n indruk naliet dat Pele himself hem hogelijk bewonderde en bestempelde als de beste Duitse speler op het WK van 1970.

Vandaag is het 21 juni 2002, en heeft die Mannschaft het toch maar weer eens voor elkaar gekregen. In plaats van te jammeren over het miserabele spel kunt u beter uw na de uitschakeling door Brazilië overbodig geworden Belgische driekleur recupereren. Knip hem in drieën, en naai de panden in de juiste volgorde weer aan elkaar voor de finale Duitsland-Brazilië. De wraak zal zoet zijn.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234