Vrijdag 07/05/2021

Het aapje van de tsaar

Tweehonderd jaar geleden werd Aleksandr Sergejevitsj Poesjkin geboren. Bij de onthulling in 1880 van zijn standbeeld in Moskou werd de grondlegger van de klassieke Russische literatuur door Dostojevski gelauwerd. De sovjets voerden hem op als slachtoffer van het tsarisme en voor emigranten als Nabokov was hij vaak de laatste vaderlandse icoon die ze overhielden in de ballingschap. Dostojevski en Nabokov als pleitbezorgers - je kunt in slechter gezelschap verkeren.

door August Thiry

Alexandr Poesjkin

Uit het Russisch vertaald door Hans Boland Papieren Tijger, Breda, 352 p., 1.198 frank.

Uit het Russisch vertaald door Monse Weijers L.J. Veen, Amsterdam/Antwerpen, 167 p., 700 frank.

Het Poesjkin-jaar is in ons taalgebied niet onopgemerkt voorbijgegaan. Poesjkins verzameld werk wordt opnieuw uitgegeven. Het eerste deel, De novellen in verzen, is verschenen in een vertaling van de Nederlandse slavist Hans Boland. Hoe zit dat overigens met Hans Boland? Een schuimbekkende Marko Fondse, toch niet de minste onder de Nederlandse vertalers, dreigde destijds zijn open haard te voeden met Bolands vertaalwerk, dat hij afdeed als "gebral van een knoeier". Een vertederde Gerrit Komrij, toch niet de minste onder de Nederlandse dichters, bevestigt op het omslag van De novellen in verzen dan weer dat hij voortaan alle poëzie van Poesjkin graag wil lezen in de vertaling van Boland.

Moeilijk vol te houden, die ongemakkelijke positie tussen uitersten. Dat geldt ook voor Poesjkin. Hij wendde alle taalmiddelen aan, hij maakte van het levende Russisch zijn werkinstrument, hij speelde met de literaire traditie. Zijn oeuvre is gegroeid uit de volmaakte vermenging van het verhevene en het platvloerse, uit de beate glimlach van de verwondering en de grijns van de romantische ironie.

Deel 1 van de nieuwe Poesjkin-uitgave heeft veel te bieden: van Roeslan en Ljoedmila, het mythische heldendicht dat hem op twintigjarige leeftijd beroemd maakte, tot De Bronzen Ruiter, de historische rijmvertelling over Petersburg. Wat heeft een romanticus nodig? Een ongeremd lyrisch gevoelsleven in de vrije natuur. Dat wordt aangeprezen in de epiloog van Roeslan en Ljoedmila, waar de Kaukasus ter sprake komt: "Ik laaf mijn ziel in deze oorden / van steen en steilten ieder uur / slechts aan gevoelens zonder woorden / die met een wondere natuur / vol woeste schoonheid zijn verklonken."

Die epiloog is later geschreven, toen Poesjkin uit Petersburg naar het zuiden van Rusland was verbannen. De Kaukasus is zijn Parnassus in De krijgsgevangene van de Kaukasus. Een jonge Rus wordt ontvoerd door Tsjerkessen, Kaukasisch roversvolk, net zo woest en ongetemd als het grimmige hooggebergte waar ze thuis zijn. Een Tsjerkessische schone helpt hem ontsnappen, maar hij kan haar liefde niet beantwoorden. Het vuur is uit zijn hart verdwenen, de beschaving heeft hem grondig verziekt.

Het thema van de nobele wilde wordt verplaatst naar de steppe in De zigeuners. Weer een rusteloze Rus die de stad ontvlucht en het geluk zoekt bij de zigeuners in Bessarabië. Daar gelden andere normen, zelfs de liefde is er vrij. Dat laatste is te veel van het goede: de Rus doodt zijn zigeunermeisje en haar tweede minnaar, waarop de zigeuners hem uitstoten. Ze hoeven die zielenpoot niet meer. In zijn slotvers laat Poesjkin profetisch uitschijnen dat de hang naar het exotisme geen uitkomst biedt: "Waar wordt bemind en wordt geleden / is niemand veilig voor het lot."

De novellen in verzen eindigen met De Bronzen Ruiter, Poesjkins beste werk in dit genre. In prachtige viervoetige jamben evoceert hij de granieten hoofdstad van tsaar Peter de Grote, wiens ruiterstandbeeld de Neva beheerst. Dan kantelt het historische fresco, golven overspoelen de stad. Bij die overstroming komt de geliefde van Jevgeni, een onbeduidende ambtenaar, om het leven. Hij vloekt de tsaar van zijn sokkel en vlucht als een krankzinnige weg, achtervolgd door het hoefgetrappel van de bronzen ruiter. Laat Poesjkin hier uitschijnen dat in de persoon van een man uit het volk Rusland zelf bezwijkt onder het tsarisme? De Bronzen Ruiter verscheen pas na zijn dood, in een gecensureerde versie.

Poesjkin heeft herhaaldelijk de censuur over zich heen gekregen. Van huis uit was hij opgevoed in de geest van de Franse Verlichting en ook zijn libertijnse levenswandel was bepaald geen referentie in de (althans in het openbaar) puriteinse keizerlijke hofkringen. Poesjkin vond van zichzelf dat hij eruitzag als een aapje dat alleen door zijn hartstochtelijk verlangen naar liefde aantrekkelijk kon zijn. En dat aapje van de tsaar, Ruslands grootste dichter aan de ketting, ging heel ver in zijn lyrische geilheid. In Deel 1 is Het Gabriëlslied opgenomen, een schunnige klucht in plechtstatige verzen over de Onbevlekte Ontvangenis. De Maagd Maria kwijnt weg; het gietertje van de arme Jozef kan haar lusthof niet besproeien. De duivel, de engel Gabriël en de goddelijke duif gaan aan de slag om haar te bevredigen. Tot wederzijds genoegen, zoals blijkt uit Maria's bedenking achteraf: "Al kan ik er, geloof ik, zelf wel tegen: eerst Satan, toen de aartsengel, toen God - ik heb ze binnen één dag plat gekregen." Poesjkin bleef later om begrijpelijke redenen halsstarrig ontkennen dat hij een dergelijk blasfemisch poëem had geschreven.

Hans Boland is een Poesjkin-aanbidder. Hij acht de Russische dichter als tijdloos genie boven alles en iedereen verheven en bedelft diens vijanden onder verbale stront. Boland wil dat zijn idool gelezen wordt. Al moet hij daarvoor nu en dan zijn kneuterigste Hollands uitstrooien over Poesjkins versregels. "Wees, wonderbouwende tsaar Peter, vervloekt!" roept de ongelukkige Jevgeni uit in een oude vertaling (1937) van De Bronzen Ruiter door Johan Daisne. Bij Boland klinkt dat zo: "Wonderbouwmeester ho, pas jij maar op!" Ik weet niet wat Poesjkin zou hebben gevonden van die lekker lopende Boland-stijl, maar ik neem aan dat het allemaal goed bedoeld is en ik heb een paar keer hardop moeten grinniken bij het doornemen van De novellen in verzen. Onder meer als een vlotte Boland zijn geniale Poesjkin deze verzen in de pen schuift: "Ook ik word mettertijd bedaagd en grijs, ook ik zal in het huwelijksbootje stappen, mijn gade zal welwillend zijn en wijs." Van een grove misrekening gesproken!

Op 27 januari 1837 begeeft Poesjkin zich met zijn secondant naar een noordelijke buitenwijk van Sint-Petersburg. Bij de Tsjornaja Retsjka, de Zwarte Beek, ontmoeten ze de tegenpartij. Er wordt geduelleerd op het pistool. De kogel van Poesjkin zou zijn afgeketst op een knoop van het uniform van zijn opponent. Diens kogel treft wel raak. Poesjkin wordt afgevoerd; twee dagen later sterft hij, leeggebloed, aan zijn verwondingen.

Aleksandr Poesjkin stamt uit een oude adellijke familie. Zijn moeder was de kleindochter van een Ethiopiër die het onder Peter de Grote tot generaal had gebracht. Russisch temperament met wat afrobloed erbij, het maakt van Poesjkin een heetgebakerd heerschap. Na zijn studies aan het keizerlijke lyceum stort hij zich in het Petersburgse nachtleven. Gokken, vrouwen en tussendoor venijnige epigrammen tegen hooggeplaatste hovelingen.

In 1820 wordt hij verbannen naar Zuid-Rusland; hij bezoekt de Krim en de Kaukasus en haalt er zijn romantisch exotisme vandaan. Bij de troonsbestijging van Nicolaas I mislukt een samenzwering van progressieve officieren tegen de tsaar. Poesjkin had vrienden onder hen, maar hij krijgt toch een tweede kans aan het hof: Nicolaas benoemt zichzelf tot 'eerste criticus' van de inmiddels beroemde dichter. Poesjkin aanvaardt het vergiftigde geschenk, en gaat zijn eigen literaire weg. Met de herfst in zijn ziel voltooit hij in 1830 zijn beroemdste werk, de roman-in-verzen Jevgeni Onegin, waarin voor het eerst als een Russische Hamlet het type van de overbodige mens optreedt.

Er komt een keerpunt in zijn turbulente liefdesleven wanneer hij in 1831 trouwt met de 17-jarige Natalja Gontsjarova. Zij wordt zijn frivole madonna in het mondaine Petersburg, voor haar steekt hij zich diep in de schulden. In 1836 verschijnt zijn historische roman De kapiteinsdochter, een liefdesgeschiedenis tijdens de kozakkenopstand van Poegatsjov onder Catharina de Grote.

Poesjkin documenteerde zich in het tsaristische rijksarchief en bezocht de streek van Orenburg, waar de opstand had gewoed. Zo kwam hij aan het materiaal voor zijn Geschiedenis van de opstand van Poegatsjov, een eerder geschreven historisch werk over de rebellie van 1773-'75. De vrijgevochten Oeral-kozakken, door Peter de Grote tot geregelde krijgsdienst gedwongen, keerden zich toen tegen het Russische gezag. Een leider was snel gevonden: de Donkozak Poegatsjov. In het steppegebied tussen Wolga en Oeral schaarden zowel de conservatief-orthodoxe boeren, de oudgelovigen, als de nomadische Basjkieren en Tataren zich achter hem.

Poesjkin beschrijft de militaire operaties tot in de details. Hij stelt Poegatsjov voor als een wreedaardige schurk en noemt zijn volgelingen gespuis, maar hij schrijft ook dat de Russische commandanten die hem moeten uitschakelen, zich bij de eerste vijandelijke kanonschoten in hun vestingen terugtrekken. Hele gewesten lopen naar de opstandelingen over, het gepeupel, de boeren en de geestelijkheid; enkel de adel blijft trouw aan de tsarina. Uiteindelijk wordt Poegatsjov in het nauw gedreven, door zijn laatste getrouwen uitgeleverd en in Moskou gevierendeeld. "Ik geloof dat er afgezien van Timoer Lenk nauwelijks iemand geweest is die de menselijke soort meer schade heeft toegebracht," citeert Poesjkin uit een brief van Catharina de Grote aan Voltaire.

Was de kloof tussen Rusland en Petersburg nog te overbruggen? Wellicht niet. Toen Poesjkin in 1833 Orenburg bezocht, zo lezen we in het nawoord bij de recente Nederlandse vertaling van zijn historisch werk, beschouwden de kozakken de Petersburgse vreemdeling met de verzorgde lange nagels als de antichrist, "want hij had klauwen aan zijn vingers". En bij de publicatie van het werk liet Nicolaas I de titel veranderen. Geschiedenis van Poegatsjov kon niet. Poegatsjov was een rebel, en een rebel kon geen geschiedenis hebben. Verzekerde de tsaar de rebelse dichter.

Terug naar het Petersburg van 1836. Het leven van Poesjkin in Petersburg wordt steeds moeilijker. Aan het keizerlijke hof is een nieuwe gardeofficier opgedoken, de Fransman Georges d'Anthès, een protégé van de Nederlandse gezant van Heeckeren. Georges d'Anthès begint te flirten met de vrouw van Poesjkin, de bekoorlijke, mousseline-luchtige Natalja. Getergd door een anoniem spotschrift dat hem als hoorndrager opvoert, daagt Poesjkin d'Anthès uit. Baron van Heeckeren grijpt diplomatisch in. Hij arrangeert een mariage de raison van zijn beschermeling met Catharina Gontsjarova, Natalja's zuster. Maar de roddel over d'Anthès en Natalja houdt aan. Voor Poesjkin is de maat vol. In een venijnige brief eist hij een duel.

De affaire de coeur et d'honneur eindigt aan de Zwarte Beek in noordelijk Petersburg. Uit vrees voor opschudding in de hoofdstad laat het hof de plechtige uitvaart van de dichter afgelasten. Zijn weduwe wordt getroost: tsaar Nicolaas lost Poesjkins schulden af. Poesjkin wordt begraven op het familielandgoed bij de stad Pskov. Een afgelegen plek. Ze bespaart hem de zuchten van romantische zielen die in Sint-Petersburg tevergeefs zijn graf zoeken.

Ten zuiden van Colmar, in de Elzas, ligt het stadje Soultz. Aan de rand ervan bevindt zich het kasteel d'Anthès. Een park met oude kastanjebomen, een hoofdgebouw uit de 18de eeuw. In het smeedwerk van het balkon tekenen zich twee wapenschilden af, dat van baron van Heeckeren en dat van Georges d'Anthès. Hun initialen zijn innig verstrengeld, het is het sluitstuk van een verrassende familiekroniek.

De jonge officier en ultraroyalist Georges d'Anthès moet Frankrijk verlaten na de revolutie van 1830. Via relaties kan hij in dienst gaan bij de keizerlijke garde in Sint-Petersburg. Onderweg in Duitsland ontmoet hij de Nederlandse gezant van Heeckeren die terugkeert naar Rusland. Ze sluiten vriendschap. Of is het meer dan dat? Een hardnekkig gerucht, dat is het in elk geval nog steeds. Eind 1833 komt het tweetal aan in Petersburg. Vier jaar later, na de dood van Poesjkin, moeten ze wegens het schandaal het land verlaten. Hun wegen scheiden, voorlopig.

Georges d'Anthès trekt zich terug met zijn Russische echtgenote, Catharina Gontsjarova, op zijn familiedomein in Soultz. Daar sterft Poesjkins schoonzuster, 34 jaar oud, in het kraambed. En wie komt dan naar Soultz en trekt uiteindelijk in bij zijn wettige pleegzoon én latere erfgenaam, die zich voortaan baron Georges de Heeckeren d'Anthès mag noemen? Inderdaad! Gekruld smeedwerk aan het balkon bekrachtigt de nieuwe familiebanden.

Onder Napoleon III brengt Georges d'Anthès het tot senator; hij overlijdt in 1895, meer dan een halve eeuw na Poesjkin. Na de Tweede Wereldoorlog raakt het kasteel in verval. Het wordt gedeeltelijk leeggehaald. Het regionale museum van Soultz herbergt thans een Salle d'Anthès met familieportretten, waaronder dat van Catharina Gontsjarova. Ze staart, het lorgnet losjes in de hand, naar een onbestemde verte, naar het Rusland van Poesjkin dat ze nooit heeft teruggezien. Ze ligt begraven op het kerkhof van Soultz. Aan de zijkant van een groot omheind perceel met daarin de mosgroene zerken van de familie de Heeckeren d'Anthès. De Nederlandse baron-diplomaat kreeg er een ereplaats naast zijn Franse protégé en erfgenaam.

Een dubbelzinnige verbintenis tot in het graf, op een kerkhof dat zelden door vreemden wordt bezocht. Soms een enkeling, een boekenlezer. Hij werpt de schaduw van Poesjkin over de graven van baron van Heeckeren en Georges d'Anthès.

Russisch temperament met wat afrobloed erbij, het maakt van Poesjkin een heetgebakerd heerschap

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234