Dinsdag 18/06/2019
‘Ik was een ideaal #MeToo-slachtoffer geweest: een grote mond, niet bijster geliefd… Neen, ernstig, mijn principe was: nooit neuken op het werk’

Interview

Herwig Van Hove (80): ‘Mijn principe was: nooit neuken op het werk’

‘Ik was een ideaal #MeToo-slachtoffer geweest: een grote mond, niet bijster geliefd… Neen, ernstig, mijn principe was: nooit neuken op het werk’ Beeld Digital images

‘Ja, ik wil een verjaardagsinterview geven’, zegt Herwig Van Hove me aan de telefoon. ‘Op één voorwaarde: jij komt me halen en we gaan op café.’ In dat café duurt het geen vijf minuten of hij rolt geïrriteerd met zijn ogen. Nadat hij al een koffie heeft besteld, komen er nog twee obers vragen wat we willen drinken: ‘Als er nu nog eentje langskomt, ga ik lastig worden.’ Op zijn 80ste heeft de cassante emeritus professor chemie nog niets aan scherpte ingeboet.

Van Hove legt een papiertje op tafel. “‘Onbekwaam horecapersoneel’ staat er niet op, maar ter voorbereiding van dit gesprek heb ik twintig ergernissen opgeschreven.”

Dat is attent van u. Waar zullen we mee beginnen?

“De familiaire kleutertoon in de media. Dat de meiskes van Klara me ’s ochtends goeiemorgen wensen, vind ik al vreselijk, laat staan dat ze me ‘het weekend inwuiven’. Ze hebben toch geen zaken met mijn weekend? Dat ze verdomme hun werk doen. Presentatrices zijn mislukte onderwijzeressen die denken dat ze voor een kleuterklas staan. En ze zijn niet alleen. ‘Hoe is het, meneerke?’ zei een verpleegster in het ziekenhuis onlangs tegen mij. ‘Goed, hoor,’ antwoordde ik, ‘je hebt twee seconden om de kamer te verlaten.’”

Maar los daarvan kunt u wel pruimen wat er op onze radiozenders te horen is?

“Jij bent de plezantste thuis, zeker? Zo’n kind dat in The Voice staat te janken, moet je daarna nog zes maanden uitzweten op de radio. Wie zonder talent zo overdreven wordt gepromoot, krijgt toch een valse eigendunk? Waarom doet men dat meisje dat aan? Er is geen enkele kwaliteitscontrole meer, ze jagen om het even wat door de ether. Zelfs op Klara.”

Die zender draait toch geen popmuziek?

“Popmuziek? De enige muziek ís klassieke muziek. Voor mij is Mozart al popmuziek. Het eindstation in de muziekgeschiedenis is Bach. Daarna is er alleen maar rommel gemaakt.”

Bach staat niet meer op nummer 1 in de top 100 van Klara: daar staat nu Pergolesi met zijn ‘Stabat Mater’.

“Ze hebben er bij Klara alles aan gedaan om Bach van de eerste plaats te stoten. Een schande is het.”

“Die amateurs blijven ook het emotionele aspect van muziek benadrukken. Ze zijn altijd geraakt, ontroerd of melancholisch door een compositie. Alsof muziek geen structuur, melodie of historiek heeft. Voor de Mattheuspassie werden onlangs opnieuw alle registers opengetrokken. Maar door dat werk eenzijdig emotioneel te benaderen, verarm je het.”

Op naar de televisie: is er iets te zien waar professor Van Hove niet het zuur van krijgt?

“De afspraak op Canvas vind ik goed. Vroeger daagde ik daar weleens op, maar ik denk dat er een cordon rond mij is gelegd. Wellicht omdat ik me niet liet stroomlijnen. Ik heb altijd geweigerd om op voorhand gebrieft te worden. Dan neemt zo’n redacteurtje eerst alle vragen met je door. Hoe kun je dan nog een spontaan debat voeren? Hugo Claus heeft Jan Van Rompaey eens goed liggen gehad. ‘Meneer Claus, ik zal u vragen wat de moeilijkheden zijn bij het witte blad,’ zei Van Rompaey in het voorgesprek. ‘Da’s inderdaad de hel, Jan, ga daar maar wat dieper op in,’ zei Claus. In de studio antwoordde hij doodleuk: ‘Hoezo, moeilijkheden? Ik heb niks liever dan een wit blad.’ Daar zat Van Rompaey met zijn mond vol tanden.” (lacht)

Staat er een tv-ergernis op uw papiertje?

“Vooral het overaanbod aan sport. Ik begrijp niet waarom Canvas banaliteiten als voetbal en wielrennen uitzendt. Dat is commercie van het vulgairste soort. Hoe durft een openbare omroep zich te linken aan een sector waar alles vuil is? Buitensporige salarissen voor minimale prestaties, doping én gokpraktijken! Met ons belastinggeld wordt reclame gemaakt voor wedkantoren. Wie daarvoor verantwoordelijk is, moet behandeld worden als een crimineel. En waarom, in godsnaam, moet élk nieuwsbulletin eindigen met een sportitem? Ik word er nu al mee murw geslagen, en de Tour de France moet nog beginnen.”

Dit jaar staat die in het teken van de Tourzege van Eddy Merckx in 1969, een generatiegenoot van u.

(duwt zijn papiertje onder mijn neus) “Ik heb het opgeschreven: ‘Stop de idolatrie rond Merckx!’ Die man is een dopingagent. Ik verdraag niet dat ze hem ophemelen. Hij zat in Italië op zijn bed te huilen omdat hij amfetamines had gepakt.”

Neen, hij huilde omdat hij geflikt was.

Soit, is dat een Grote Belg? Zijn Nederlands is erbarmelijk en zijn Frans is nog slechter. Hoe noemen ze hem, de Kannibaal? Omdat hij snel kon fietsen? (proest het uit) Wat is daar de maatschappelijke verdienste van? Niks. De objectiviteit is weg bij onze journalisten. Er is geen belangstelling meer voor harde informatie, je moet alles goed vinden. Nieuwsgaring wordt steeds meer beïnvloed door marketeers, en zeker in de gastronomische journalistiek. Dat zag ik dertig jaar geleden al aankomen bij Knack – ik had daar een wijnrubriek. Bij de opening van een vestiging van een befaamde wijnketen zat bij het persdossier een aankoopcheque van enkele duizenden franken. Ik heb onmiddellijk mijn bank de opdracht gegeven om die te vernietigen. Als enige van veertig journalisten.”

“Ik heb bij de VRT de intrede van het product placement meegemaakt. Dat was lachen. Voor 1.000 seconden had onze producer een contract met een fabrikant van kunststof. Hij wilde daar onze grote keukentafel mee bekleden. Ik zette er een gloeiende kookpot op, haalde hem eraf en zag hoe dat plastic er in lange slierten aan hing. Het was het laatste wapenfeit van onze producer. (lacht) Een andere keer ging het potje van een nieuw kruidenmerk niet snel genoeg open. Ik nam een hakbijl en sloeg het dekseltje eraf. Man, miserie! Ik had dat merk ‘onherroepelijke schade’ toegebracht. En één keer kreeg ik bezoek van een man die me 1 miljoen frank aanbood als ik een pakje margarine drie seconden in beeld zou brengen. Hij stond snel terug buiten.”

Het blijft vreemd dat de VRT in 2004 de stekker uit het razend populaire programma heeft getrokken. Achteraf haalde u zwaar uit naar directeur programmatie Wim Vanseveren.

“1.000 seconden liep al dertien jaar, dus ik begreep wel dat Wim Vanseveren iets anders wilde, ik vond het alleen niet netjes dat hij me niet vooraf had ingelicht. Programma’s en schermgezichten hebben sowieso een houdbaarheidsdatum. Ik vind dat Jeroen Meus moet stoppen, want hij is uitverteld. Hij begint nu te diversifiëren en denkt dat hij Bart De Pauw kan opvolgen. Maar koks zijn meestal beperkte geesten: ze zijn goed in de handeling, maar niet in het denken. Dat ligt niet aan hen, maar aan hun opleiding. Ze leren hoe ze een bechamelsaus moeten kloppen, maar niet welke chemische en fysische processen erachter zitten. Hoed je dus voor een tv-kok die de wetenschappelijke toer opgaat.”

Volgens u weet sterrenchef Peter Goossens niet waarom je vlees uit de oven moet laten rusten.

“Klopt. Bij vlees in de oven wordt de buitenkant warmer dan de binnenkant, dus alles wat vloeibaar en gas is, trekt naar het centrum en het vlees droogt uit. Maar door het vlees vóór het snijden eventjes te laten afkoelen, gaat het sap terug naar de buitenkant en wordt het vlees mooi rood. Die onwetendheid doet niks af aan de kwaliteiten van Peter Goossens. Ik vind hem een goede chef.”

In het verleden hebt u nochtans een paar keer hard uitgehaald naar hem. Net als naar Sergio Herman.

“Met Sergio Herman heb ik het nog altijd lastig, ik vind hem een blaaskaak. Hij is zo vol van zichzelf, en ik moet ook zijn taaltje niet. Dat Zeeuws, brrr…. Ik vond dat beide heren hun prioriteiten niet meer kenden. Een chef hoort thuis in zijn restaurant en niet voor de televisiecamera’s. Als klanten een paar honderd euro voor een couvert betalen, moet jij voor hen koken; want die sterren zijn niet van je souschef. Goossens was kwaad op me: hij noemde me ‘doorvet en doorzopen’ – niet echt elegant. Een gemeenschappelijke vriend heeft ons verzoend in zijn restaurant, met dank ook aan onze vrouwen – die hebben meestal meer klasse dan mannen.”

“De reputatie van Comme Chez Soi was eerder de verdienste van de echtgenote van Pierre Wynants dan van hem. Hij was net een hengst, zoals Wout Bru. Hij joeg op de mooiste vrouwen in zijn restaurant. Dat doe je niet. De chef neemt de plaats in van de voedende moeder. Als zo’n relatie wordt vertroebeld door driften, krijg je incestueuze toestanden.”

‘Veganisten zijn religieuze fundamentalisten. Hun ondervoede kinderen stevenen rechtstreeks op een kanker af.’

Hebt u de #MeToo-discussie gevolgd?

“Ik ben bang geweest, jong. (lacht) Ik heb meer dan tien jaar voor de televisie gewerkt, met schminksters, kleedsters en productieassistentes. Ik was een ideaal slachtoffer geweest: bekend, een grote mond, niet bijster geliefd… Neen, ernstig, mijn principe was: nooit neuken op het werk. En zeker niet in een machtsstructuur. Ik kon er bijvoorbeeld niet tegen dat professoren achter studentinnen aan zaten. Ooit zag ik een doctoraatsverdediging ontaarden in een #MeToo-schandaal. Een studentin was niet tevreden over haar punten en wees woedend haar promotor aan: ‘Een héél jaar heeft hij me geneukt op die smerige fauteuil in zijn bureau.’ In de zaal stond een andere studente op: ‘Bij mij heeft hij hetzelfde geflikt.’ Die professor is voor een tuchtcommissie van de KU Leuven moeten verschijnen. Weet je wat zijn straf was? Hij mocht zijn deur niet meer op slot doen en moest zijn fauteuil inleveren.”


Afscheidsels

U hebt aan het Sint-Jan Berchmanscollege in Brussel gestudeerd, bij de jezuïeten, van wie u zei dat ze ‘schaamteloos elitair’ waren.

“Ja, je kon er alleen maar Latijn-Grieks volgen. Maar het systeem functioneerde erg goed. In de retorica praatte ik vlot Latijn en las ik de teksten van Thucydides, één van de moeilijkste Griekse geschiedschrijvers. Welke 18-jarige kan dat nu zeggen? Nu, ik was daar ook primus perpetuus (zes jaar lang eerste van de klas, red.).”

Maar de mindere goden zagen er zes jaar af. Ik ken er die bij de jezuïeten in Gent harder moesten studeren dan aan de universiteit.

“Dat geloof ik niet. Wie niet meekon, ging er in het eerste semester van het eerste jaar al uit. Daar moeten we opnieuw naartoe: het heeft geen zin om leerlingen die het niveau niet aankunnen, per se te willen meenemen. De lat laten zakken is geen goed idee, want intelligente leerlingen moeten kunnen excelleren. Maar er moeten wel passende opleidingen zijn voor wie uit de boot valt. Elke jongere heeft kwaliteiten, alleen moet je ze via een geschikt onderwijssysteem aanboren. In fijne ambachten, bijvoorbeeld, zoals houtbewerking, schiet ons onderwijs schromelijk tekort. Mensen die niet graag studeren maar wel empathisch en sociaal zijn, vallen helemaal uit de boot. Dat is toch zonde? Ik ken een wijnverkoper die geen enkele vreemde taal spreekt en niet zonder dt-fouten kan schrijven, maar hij is toch top in zijn vak. Nu we het over taal hebben, weet je wat er ook schromelijk wordt overschat? Literaire romans. Dat zijn afscheidsels – je mag het ook met ij schrijven – van halfzieke mensen. Wat heeft Kristien Hemmerechts mij in godsnaam te vertellen? Wat ben ik met het zoveelste boek over een getormenteerde ziel of een stukgelopen relatie, ook al is het in mooi Nederlands en zonder fouten geschreven?”

(kijkt nog eventjes naar zijn papier) “En onze journaals zijn ook van een belabberd niveau. Die brandende kerk is uren op tv geweest, ze kreeg zelfs een extra journaal. En ik hoorde telkens hetzelfde: ‘De boel staat in de fik en het is spijtig.’”

Wat vindt u van de geldinzameling voor de Notre-Dame?

“Rijke mensen doen met hun geld wat ze willen. Marc Coucke koopt voetballers, ik heb nergens gelezen dat hij dat geld aan de daklozen in Brussel moet geven. Rijk zijn is geen misdaad, maar die simpele groene mannekes à la Kristof Calvo willen ons dat wel graag doen geloven. Roland Duchâtelet is een kennis van me, die betaalt keurig zijn belastingen, hoor.”

“Let wel, armoede is een probleem, wat Liesbeth Homans ook moge beweren. Als een kind honger heeft, hoef je niet over onderwijs te beginnen. Armoede plaatst je buiten de maatschappij: dat onze politici dat niet beseffen, is een schande. Nog zo’n ergernis: mensen met psychische problemen moeten twee jaar wachten op een afspraak met een psychiater.”

En ondertussen hebben ze alle tijd om een kindercrèche binnen te stappen met een slagersmes.

“Inderdaad! Wie minderbedeeld is, op welk domein dan ook, is in onze maatschappij de klos. Allee, die sociale woningbouw, waar trekt dat nu op? Zelfs de favela’s in Rio de Janeiro zien er beter uit dan die schimmelgebouwen in de Gentse Sint-Bernadettewijk.”

Hoe staat u tegenover de klimaatbetogingen van onze jongeren?

“Ik heb er begrip voor dat ze de urgentie van het probleem aankaarten, hun generatie zal er later mee geconfronteerd worden. Maar ze hebben oogkleppen op, want de staatsschuld is een nog grotere bedreiging voor hen. En over de inhoud van het klimaatdebat moeten ze zwijgen. Ze zijn niet bevoegd om over de CO2-uitstoot en fossiele brandstoffen te praten. Ik vond het bijzonder ongepast dat politici naar Van Gils & gasten afzakten om verantwoording af te leggen aan twee pubers. Da’s alsof een stel loodgieters de Boerenbond op het matje roept voor het uitbreken van de varkenspest.”

Iets anders: wie ligt aan de basis van uw culinaire interesse?

“Mijn moeder. Zij was een heel bijzondere vrouw. Op een blauwe maandag besloot ze om voortaan om de twee dagen voor ons te koken. Mijn broer en ik kregen dan geld om in de Sarma te gaan lunchen. Na een tijdje kende het personeel ons daar, en kregen we dubbele porties. Ik herinner me nog zo’n plas vol-au-vent die royaal over een bord puree werd uitgeschept. En als dessert een eclair, zo groot als een schoen. Nadat we ons buikje rond hadden gegeten, gingen we terug naar school, waar we de hele middag tegen de slaap moesten vechten. Weet je, ik ben geboren in 1939 en na de oorlog ging er een culinaire wereld open voor ons. Sinaasappels, ananassen, sandwiches: dat waren zaligheden die we nooit eerder hadden gezien. Ik denk dat dat mijn interesse voor gastronomie heeft geprikkeld, samen met de kookkunsten van mijn moeder.”

Vindt u nog steeds dat we bestolen worden op restaurant?

“Gedeeltelijk. Het eten is goedkoop, maar de drank veel te duur. Op de menukaart staan alleen onbekende wijnen, omdat ze je dan naar hartenlust kunnen oplichten: wijnen van 3 euro per fles worden voor het tienvoudige verpatst. Daarom breng ik altijd mijn eigen wijn mee.”

Bekijkt men u dan niet scheef?

“Ik betaal in ruil de prijs van de goedkoopste fles op de kaart. Willen ze dat niet, dan trap ik het af. Wat wijn betreft, ben ik een echte snob. En de enige champagne die ik drink, is Bollinger. Champagne is het meest vermarkte product ter wereld, dat heeft niets meer met kwaliteit te maken. De wijnoogst in de Champagnestreek is zure pis met een te laag alcoholgehalte, compleet ondrinkbaar. Daarom gaat men foefelen: men voegt er suiker en wijn van andere domeinen aan toe. Bollinger laat zijn flessen ook zes jaar liggen, de champagne van de meeste andere merken komt al na één jaar op de markt.”

Welke wijn drinkt u thuis?

“Momenteel ben ik mijn bordeauxwijnen uit 1988 aan het opdrinken. Ik heb een goed gesorteerde wijnkelder: dat moet ook als je elke dag een fles wijn van minstens tien jaar oud wilt drinken. Daarvoor moet je minstens drieduizend flessen hebben liggen. En dan heb je geen reserve.”

Is dat wel gezond, elke dag een fles rode wijn?

“Ja, maar er zijn voorwaarden. Eén: het moet goede wijn zijn, die niet is vervuild met sulfiet en smaakmakers. Twee: drink alleen bij de maaltijd. Die combinatie is vriendelijker voor je maag en je lever. En drie: zorg voor goed gezelschap.”

Dat laatste heeft toch geen impact op de gezondheid?

“Jawel: als je tevreden bent, verbetert je immuniteit. Je bent dan minder gevoelig voor ziektes. Daarom twijfel ik er ook aan om te vermageren. Ik ben liever dik en gelukkig dan slank en ongelukkig. Die magere types hebben altijd migraine.”

Conclusie: drink geen wijn met vervelende mensen.

(glimlacht) “Toch niet systematisch. Kijk, dat heeft te maken met mijn geloof in horizontale transcendentie. Je hebt er die met God dwepen, dat is verticale transcendentie: het overstijgt de mens. Ik geloof er niet in, en ook niet in de omgekeerde beweging: meditatie. Dan duik je in je eigen zelf en daar vind je alleen maar stront. Meditatie is voor zieke mensen. Die woelen zichzelf om en transformeren in een zen-predikende zombie, met zo’n vreselijk akelige glimlach en een glazige blik. Die leven eigenlijk niet meer, ze doen alsof. Zoals dat meisje dat in Van Gils & gasten kwam zingen.”

Ingeborg, bedoelt u?

“Ja! (lacht) Hoe kun je zo iemand serieus nemen? Al die life en mental coaches, dat is puur bedrog. Horizontale transcendentie is véél interessanter: het individu wordt ondergeschikt aan de groep. Darwin wist dat dat na het overleven en de voortplanting het derde belangrijkste mechanisme was: kijk maar naar mieren die zich opofferen om een brug te vormen voor hun soortgenoten. Ik heb de goden van de Olympus niet nodig, geef mij maar een vriendengroep. Op mijn verjaardag nodig ik er elk jaar 55 uit. We eten in een eenvoudig restaurant, maar ik laat wel een driesterrenchef koken. Dat is de mooiste dag van het jaar voor mij. In een groep vrienden kun je zeggen wat je wilt, er zijn geen verborgen agenda’s. Dat is het summum van humanisme.”


Zwaar dement

U bent 80 en hebt als een bourgondiër geleefd. Heeft het een invloed op uw gezondheid gehad?

“Door mijn gewicht ben ik niet goed meer ter been. Ik heb twee plastic knieprothesen en op mijn knieën zitten lukt niet meer. Als ik val, raak ik niet meer overeind, want ik kan me niet meer afduwen. Daardoor durf ik niet meer te fietsen. Ik merk veel onbegrip voor mensen in mijn toestand. In de Bondgenotenlaan, de drukste straat in Leuven, staat geen enkele zitbank om uit te rusten. De politici die over de ruimtelijke ordening beslissen, zijn niet het minst bekommerd om de derde leeftijd. Ze leggen pal in het centrum paden aan met veel bomen, maar de restaurants liggen honderden meters van die paden verwijderd. Dus zie je in Leuven en Brussel het ene restaurant na het andere failliet gaan. Het is wel mijn generatie die nog geld spendeert aan tafelen, de rest eet wraps en quinoa. Mijn conclusie: de maatschappij is niet bezorgd om ouderen. Dat zie je ook in de rusthuizen. Mijn vader was zwaar dement, hij heeft me drie jaar juffrouwke genoemd. Omdat ik bij een hartspecialist had aangedrongen om een pacemaker bij hem te plaatsen, heb ik zijn levenseinde verlengd. Door mijn schuld heeft hij drie jaar extra ellende gekend: hij had een pamper aan, herkende niemand nog, moest babyvoeding slurpen… Het was vreselijk. (stil) Ik voel me daar nog steeds slecht over.”

De cassante brompot heeft ook een gevoelige kant?

“Dat zeggen wel meer mensen. Kijk, wie gevoelig is, ergert zich vaker dan een koele kikker. Daar glijdt alles van af.”

Bent u bang voor de dood?

“Allerminst. Ik heb mijn kist al laten maken, een bak in olm. Ik heb de planken zelf geleverd. Ik wil geen begrafenis, ik wil enkel opgebaard liggen zodat ik gegroet kan worden, met op de achtergrond de ‘Actus Tragicus’ van Bach. De mensen krijgen geen bidprentje, maar een mooi boekje met gedichten. En daarna wil ik gecremeerd en uitgestrooid worden. Ik heb dat in een contract laten vastleggen.”

Blikt u tevreden op uw leven terug?

“Ja, ik ben behoorlijk tevreden. Ik ben nooit de grote prof geworden, maar daar zat 1.000 seconden voor veel tussen. Mark Eyskens, die nu poeslief tegen me is, heeft ooit een procedure tegen me opgestart om me van de universiteit te verwijderen. Gelukkig waren de rectoren Dillemans en De Somer wél fan van me. Zij hebben toen mijn vel gered.”

‘Ik ben liever dik en gelukkig dan slank en ongelukkig. Die magere types hebben altijd migraine.’

Twee jaar geleden schreven de kranten dat u ‘met een paar glazen wijn op’ vluchtmisdrijf pleegde nadat u een 12-jarig meisje had aangereden. U hebt daar nooit in de pers op gereageerd. Wat is er die avond gebeurd?

“Ik wil er niet op ingaan. Wat erover is geschreven, is onjuist, zelfs onwaar. Ik ben het slachtoffer geworden van mijn bekendheid, ze hebben een voorbeeld willen stellen.”

U hebt in uw leven veel mensen geschoffeerd. Hebt u daar spijt van?

“Neen. Ik zou het onmiddellijk opnieuw doen. Mijn magnum opus is nog altijd 1.000 seconden, daarmee heb ik alle koks ter wereld geschoffeerd. Ik heb zwart op wit bewezen dat je in enkele minuten tijd een culinair driegangenmenu kunt serveren. Heiligschennis!”

Wat vindt u van de keuken van Sandra Bekkari en Pascale Naessens?

“Het zijn brave meisjes, maar ze begeven zich op een voedingskundig niveau waar ze niet voor bevoegd zijn. Dan hoor je onnozelheden als: ‘Je moet dit ’s morgens eten en niet ’s avonds…’ Dat ze dan een professor voedingsleer tegen zich in het harnas jagen, verwondert me niet.”

Wat bedoelt u met ‘niet bevoegd’? Dat Pascale Naessens het over polyfenolen en omega 3-vetzuren heeft in haar boeken?

“Dat heeft ze dan netjes overgepend, want ze heeft geen flauw benul wat dat betekent. Maar ik gun haar het succes van harte. Haar man, Paul Jambers, heb ik altijd een sympathieke tiep gevonden.”

Pascale Naessens vindt dat we minder snelle koolhydraten zoals rijst, aardappelen en brood moeten eten, en zeker niet in combinatie met eiwitten. Houdt dat dan geen steek?

“Neen. Wie in het klassieke voedingspatroon begint te knippen, is niet bezig met voeding, maar met religie. Er is niets mis met aardappelen en brood. Religie gaat altijd gepaard met bedrog en domheid, dat mag je nooit vergeten. En al zeker als de godsdienst fanatieke vormen aanneemt, zoals het vegetarisme en het veganisme.”

U bent niet de beste vriend van de dierenrechtenbewegingen. Zeker niet nadat u had toegegeven dat u de dieren van het Leuvense stadspark hebt opgegeten, waaronder een schattige bambi.

“Eigenlijk was dat een communautaire provocatie. In mijn studententijd was Leuven nog tweetalig. In hun outfit van Petit Bateau kwamen de kinderen van de Franstalige bourgeoisie er de eendjes voederen. ‘Allez, mon petit chouchou, où sont les coin-coin?’ riepen die ouders dan. Als die eenden bekakt Frans horen, kan ik ze beter opeten, dacht ik. Dat van dat damhert was een daad van naastenliefde. Hij bleef als laatste dier over. Om hem uit zijn eenzaamheid te verlossen, heb ik hem uiteindelijk ook maar opgegeten. Burgemeester Tobback heeft me erop aangesproken. ‘Dus jij hebt al die dieren opgegeten? Dat is strafbaar!’ Pech, Louis, het is verjaard, jong.”

Nu zou dat niet meer passeren. Door GAIA staat dierenwelzijn hoog op de politieke agenda.

“En terecht. Dieren horen niet af te zien. Ik heb ooit eens zelf een varken geslacht. Dat beest was content, hoor. Als je het volgens de regels van de kunst doet, neemt een dier met vreugde afscheid van het leven. Mijn principe: al wat je kunt opeten, mag je slachten. Maar zo’n vadsige baron die vijftig halftamme fazanten loslaat uit een kooi om er dan met zijn jagersvrienden op los te knallen, dát vind ik een schande.”

Moeten we in het licht van de opwarming van de aarde niet minder vlees eten?

“Dat vind ik wel. Als je minder vlees eet, smaakt het lekkerder (lacht). Maar veganisten zijn religieuze fundamentalisten. Hun ondervoede kinderen stevenen rechtstreeks op een kanker af. Soit, dat zo’n zombieboeddhist geen vlees eet, wil ik wel aannemen. Maar toch geen normale mens, zeker?”

U hebt nog een paar ergernissen op uw papiertje staan, zie ik.

“Het openbaar vervoer. Ik rijd niet meer met de wagen, dus neem ik de trein. In Leuven begint de ellende al: zo goed als elke keer vertrekt de trein naar Brussel op een ander spoor, maar dat laten ze pas één minuut vóór het vertrek weten. Ik raak daar nooit op tijd, want er zijn geen roltrappen in het station. Bovendien zit in elke wagon een kleine etter een irritant computerspelletje te spelen: een aanslag op je trommelvliezen! Maar als je de moeder daarop aanspreekt, krijg je een opmerking terug. Ik vind dat ze de treinen moeten voorbehouden aan propere, beleefde mensen. En niet aan schurken die met hun zweetkousen op de zetels liggen, half copulerend met hun lief. En dan die rokers die allemaal hun teer en nicotine uitzweten! Je waant je tussen levende jambons d’Ardennes, de stank is niet te harden.”

U moet in de politiek gaan.

“Neen, ik sta nogal op mijn vrijheid. Politici worden verplicht om zaken te doen die ze eigenlijk niet willen. Dat merk je aan hun gelaatsuitdrukking. Ze zien er lichtjes verkracht uit.”

Ik zal erop letten tijdens De grote verkiezingsshow. Bedankt voor het gesprek.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden