Vrijdag 06/12/2019

Heroïne en de tienerdichter

Jotie T'Hooft als dichter op 45 jaar, dat zou pas een interessante analyse opleveren

Uitgerekend vandaag, 9 mei, zou hij 45 jaar zijn geworden, een ideale leeftijd om het oeuvre van een dichter te evalueren. Jotie T'Hooft, ooit de mooiste jonge prins van alle Vlaamse dichters, is echter al meer jaren dood dan hij er heeft geleefd. Op eenentwintigjarige leeftijd pleegde hij zelfmoord door een overdosis in de nacht van 5 op 6 oktober 1977.

Na zijn dood groeide zijn status als cultdichter nog, hij werd Vlaanderens eigenste poète maudit, die nu al bijna een kwarteeuw aankomende dichters, balsturige pubers en gevoelige zielen inspireert, niet alleen met zijn gedichten, maar vooral met zijn levensverhaal: een fanatiek volgehouden, zwart-romantische flirt met dope en dood, - al is een flirt een veel te frivole omschrijving voor de tragedie als een intelligente jongen zich inderdaad van het leven berooft, zonder het eerst in alle facetten geëxploreerd te hebben.

In 1977, als zestienjarige puber, was ik zeer ontvankelijk voor alles wat Jotie T'Hooft uitstraalde. Voor een opstandige tiener, met het leven, de mensheid, school en wat nog al niet ontevreden, schreef hij over het échte leven. Zo leek het tenminste op die leeftijd, - alsof heroïne, straat- en naaldromantiek, doodsverlangen en decadentisme inderdaad bij het leven horen. Schreeuwlandschap (1975) en, meer nog, Junkieverdriet (1976) - de titels van zijn twee poëziebundels alleen al stonden voor een hele wereld die ik als puber meende te bevatten. (Later las ik dat zijn uitgever Julien Weverbergh voor zijn debuut de titel Schreeuwlandschap had gekozen.)

Ik werd dus een bewonderaar van Jotie T'Hooft, een adept van zijn doemgedachten, zelfs een dweper met de mythe die hij zelf gecreëerd had en die na zijn dood nog opvallend werd aangezwengeld. Jotie - zo noemde ik hem in die tijd (dat deden alle fans) - was een zielsverwant, een oudere spitsbroeder, een ingewijde tot de laatste consequentie.

Hoe ik hem had leren kennen was minder hoogdravend. Ik hoorde pas voor het eerst van Jotie T'Hooft enkele dagen na zijn dood, en dan nog op een manier die allerminst strookte met mijn beeld van dwarse, zwartgallige puber. Mijn vader vroeg me, opkijkend van zijn burgerlijke krant, of ik die in Brugge door drugs gestorven dichter kende. En hij liet me een artikel in Het Nieuwsblad lezen, geschreven door Gaston Durnez.

(In Brugge heb ik later het huis in de Meestraat nog gezocht, in nummer 3 diende Jotie zichzelf een laatste shot toe. De kamer lag aan de achterzijde, zo las ik twintig jaar later in Een zeer treurige prins (Manteau, 1997) van Jean-Paul Mulders en Annick Lesage, twee twintigers die een generatie later blijkbaar dezelfde Jotie-fascinatie ervoeren. In de biografie staat ook een foto van de morsige kamer van zijn laatste daad.)

Zonder Jotie T'Hooft had ik me misschien nooit met literatuur beziggehouden. Toch heb ik tot dusver nooit over de dichter geschreven. Bang dat ik te negatief zou oordelen. Zoals veel generatiegenoten die hem eens bewonderden, vond de ouder wordende lezer in mij dat zijn faam overroepen was. Dat hij weliswaar een begenadigd tienerdichter was, blijk gevend van een vroegrijpheid en een grote belezenheid, maar dat hij tegelijk soms minderwaardige verzen pleegde, pathetisch en al eens onhandig ouderwets gezocht rijmend. "Leeftijdgenoten, buurmeisjes, schoolvrienden / In de starthouding verstard / Spuitbroeders, medelijders, helderzienden / Die in wachten zijt verhard."

Dus besloten de bedaagder en meer ervaren lezers in ons dat Jotie T'Hooft waarschijnlijk een interessant dichter zou zijn geworden, was hij maar blijven leven. Maar als puber schreef ik op mijn schoolkaften, naast popmuziekcitaten, hele gedichten van Jotie. Bijvoorbeeld 'l'os van de wereld' (de woordspeling in de titel leek me zelfs geslaagd), het slotgedicht uit Junkieverdriet, waarvan ik hierboven de eerste strofe citeerde. Zelfs de larmoyante pathetiek en het uitzichtloze doemdenken grepen me als min-twintiger recht naar het hart.

In hetzelfde gedicht - ik blijk het zowaar nog steeds van buiten te kennen - stond bijvoorbeeld: "En Nu? Geen vuur meer / Dat onze dwaasheid op kan voeren. / De vrouwen waaraan ik mij voorgoed bezeer / Blijken altijd opnieuw toch hoeren." En het eindigde met een 'Envoi': "Prins, u die ik altijd diende, Dood, / Ook toen ik mij met blikvoer voedde / Of heroïne in mijn aders spoot: / Gij wordt mij vreemd te moede."

Achteraf vind ik het merkwaardig dat precies dat gedicht een absolute lieveling was. Misschien kwam dat door de vermenging van oude vormelijkheden met modern woordgebruik, en door de vreemde - maar after all toch vooral puberale - associaties, zoals die tussen blikvoer en heroïne, of tussen seks en hoeren.

Ook Joties doodsverlangen leek me als puber perfect begrijpelijk: "Dat alles binnen de taal, / Keelklank, eeuwenoude kwaal: / Slechts één naam legt iets bloot / De eeuwenoude roepnaam Dood."

Zelfs zijn gekoketteer ermee, de voorstelling van de dood als een bevrijding: "Kind, dat in de bossen noten raapt / Hoor de dood in onze schedel kruipen / En zie hoe wij het geluk besluipen / Dat binnen in die bittere bolster slaapt."

De postuum verschenen bundel Poezebeest vond ik al minder, ondanks de pure romantiek van het gedicht 'Liefde en ellende': "Brood van weken oud heb ik geweekt in water / en opgegeten, terwijl de kou aan mijn tenen / knaagde. Met naalden heb ik in mijn bloed / gewoeld en gezocht. En niets gevonden. / Ik heb op straatstenen geslapen met honger / die door niets nog gestild kon worden / leek het wel."

En de vervolgens uitgebrachte bundel De laatste gedichten, volgens de uitgever geschreven in de dagen voor zijn dood, vond ik ondermaats. In Jotie T'Hooft: een witboek (Restant, 1981) las ik van de toen ook nog jonge Stefan Hertmans voor het eerst een poging tot serieuze analyse van zijn poëzie. Hij schreef bijvoorbeeld dat het duidelijk is dat er in T'Hooft "een groot dichter school", maar ook "dat hij het langzaam maar zeker aan het verknoeien was".

Jotie T'Hooft bleef jongere generaties fascineren. Hij bleef ook een van de weinige dichters in Vlaanderen die verkopen. In 1997, twintig jaar na zijn dood, verscheen naast Een zeer treurige prins ook een nieuwe bloemlezing, In mij is onstuitbaar de doodsbloem ontloken (Manteau), en een biografisch werkje, Een pijl in het Niet. Een leven in teksten (Houtekiet).

Nadat Jos Joosten een negatieve recensie schreef over die publicaties, reageerde vader Marcel T'Hooft met een lezersbrief. Hij merkte op dat er van de recensent "waarschijnlijk nooit kattebelletjes (zullen) worden gepubliceerd die hij aan zijn lief geschreven heeft". Dat zal wel, maar daarom is elk kattebelletje van de jong en mooi gestorven dichter nog niet interessant. Wat voor een dichter T'Hooft op 45 jaar zou zijn geworden, daar was ik pas benieuwd naar geweest.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234