Donderdag 21/10/2021

InterviewDe Vragen van Proust

Herman Van Rompuy: ‘Met gezag spreken, ik heb dat van jongs af aan’

null Beeld © Stefaan Temmerman
Beeld © Stefaan Temmerman

Schrijver Marcel Proust beantwoordde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft De Morgen er een eigenzinnige draai aan. Tweeëntwintig directe vragen, evenveel openhartige antwoorden. Vandaag: gewezen Europees president en Belgisch premier Herman Van Rompuy (73). Wie is hij in het diepst van zijn gedachten?

1. Hoe oud voelt u zich?

“Om te beginnen: ik ben 73. Ik kan dat zelf bijna niet geloven. Frank Swaelen, mijn voorganger als CVP-voorzitter, zei destijds: ‘Ik ben nog altijd die jongen die naar het Sint-Lievenscollege in Antwerpen gaat.’ Hij bedoelde eigenlijk: in se blijf je dezelfde.

“Een paar weken geleden liep ik van het Centraal Station langs de Nationale Bank. Ik ben daar begonnen, dat was in december 1972 mijn eerste werkgever. Terwijl ik langs dat lange gebouw liep, zag ik mezelf terug in de tijd. Er is natuurlijk veel veranderd, maar in se ben ik nog altijd diezelfde hulpeloze jongen die op zijn eerste werkdag langs dat gebouw stapte, het onbekende tegemoet.

“Verander je wezenlijk? Ik denk het niet. Misschien dat de buitenwereld je op een andere manier bekijkt, maar zelf blijf je met dezelfde verwondering in de wereld staan. En ook al valt het langetermijnperspectief weg omdat je niet meer in een loopbaan zit, je gaat door, je blijft plannen maken. Het enige waar ik bang voor ben, is om mezelf te overleven, bij manier van spreken. Dat je op een punt komt dat men je buiten kijkt. Ik ben gelukkig nog niet in dat stadium, ik word nog altijd veel gevraagd om te spreken, maar op een gegeven moment wil ik kunnen beslissen dat het genoeg is geweest.”

2. Wat zou u nog graag realiseren?

“Wat is realiseren? Mijn loopbaan is afgelopen. Ik ben in 2009 uit de Belgische politiek gestapt, en uit de politiek tout court in december 2014. Wil ik in die zin nog iets realiseren? Nee.

“Wel ga ik nog vaak spreken, voor corona tot vijf keer per week. Wat ik achteraf dan vaak te horen krijg is: ‘Je hebt ons geïnspireerd.’ Wat dat inhoudt, weet ik niet precies, maar het betekent meer dan dat mensen iets vernomen hebben, het betekent dat ze ermee aan de slag kunnen. Zolang ik kan inspireren, blijf ik dat doen.

“Wat ik sinds januari 2020 niet meer doe is politieke interviews geven, want dan spreek je niet voor een zaal maar voor honderdduizenden. Polemiek en controverse wil ik absoluut vermijden. Daarom spreek ik enkel nog voor mensen die voor mij staan. Als ik hen kan helpen: à la bonne heure.”

3. Wat vindt u een kenmerkende eigenschap van uzelf?

“Dat moet je aan een ander vragen, maar ik heb natuurlijk een heel mooie loopbaan gehad en dat lukt niet zonder eigenschappen. Mijn grootste eigenschap is mensen kunnen overtuigen. Met gezag spreken. Ik heb dat van jongs af aan.

“Ik kom uit het oude regime, de klassieke humaniora, Grieks-Latijnse, bij de jezuïeten, waar uitmuntendheid belangrijk was. Ik was de eerste van de klas, maar durfde nooit mijn vinger op te steken. Uit een soort van faalangst die me nooit helemaal verlaten heeft.

“Wat ik wel durfde, was spreekbeurten geven. Dat waren mijn momenten, want dan ben je in full control. Mijn eerste ging over Napoleon, mijn tweede over Marx. Ik heb álles van Marx gelezen. Toen ik in Leuven kwam kende ik meer van het marxisme dan de marxisten zelf. (lacht) Dat is altijd zo gebleven: laat mij spreken voor duizend man en ik verroer niet, maar zet mij in een klas bij een pater die een vraag stelt en ik verkramp. Exuberante, extraverte mensen hoor je vaak beweren dat ze in se heel erg verlegen zijn, dat is ook compleet belachelijk, maar ik durf te zeggen, en mijn vrouw zal dat beamen, dat die zelftwijfel nooit verdwenen is.

Herman Van Rompuy: ‘Een van mijn spectaculairste verzoeningen vind ik nog altijd die met Wilfried Martens.’ Beeld © Stefaan Temmerman
Herman Van Rompuy: ‘Een van mijn spectaculairste verzoeningen vind ik nog altijd die met Wilfried Martens.’Beeld © Stefaan Temmerman

“Toen ze me vroegen om premier te worden, heb ik dan ook geaarzeld. Toen ze me vroegen om voorzitter van de Europese Raad te worden, heb ik opnieuw geaarzeld. Ik bleef me maar afvragen: kan ik dit wel aan? Je blijft aarzelen tot de beslissing bijna in jouw plaats wordt genomen, tot je niet meer kunt weigeren. En dat is geen pose. De onderliggende reden had niets met komedie of tactiek te maken. Die reden zat in mezelf. Maar zodra je de stap gezet hebt, is het iets anders. Dan is het alsof je het altijd geweest bent.

“Ik bewonder mensen die vroegrijp zijn. Die van jongs af aan assertief zijn. Ik had wel ambitie, maar geen onweerstaanbare drang. Verhofstadt was 26 jaar toen hij partijvoorzitter werd. 26 jaar! Ik zou er niet aan hebben mogen denken!”

4. Wat is uw passie?

“Ik ben mijn hele leven in de politiek geweest, maar politiek is mijn passie niet. Passie is iets wat je per definitie helemaal opslorpt, zodat je bijna een one issue person wordt. Dat heb ik nooit gehad. Er was altijd iets in mij dat de handrem vasthield. Er was altijd een afstand tussen wat ik deed en wie ik was. Ik was er, maar ik was er tegelijk ook niet.

“Dat is op den duur een kracht gebleken: ik ben nooit een slaaf van de politiek geweest. Het was niet de reden van mijn bestaan, het was wat ik met overtuiging deed, maar iets in mij hield een afstand. ‘Je est un autre’, zoals Rimbaud zegt.

“Mijn bestaan was rijker dan alleen maar mijn politieke activiteit. Ik ben ook een familieman, ik ben een intellectueel, ik heb ook een spirituele dimensie die in de loop der jaren gegroeid is. Al die aspecten maken deel uit van mijn persoonlijkheid en die kun je niet vatten in dat ene woord ‘politicus’.”

5. Waar hebt u spijt van?

“Spijt van conflicten, ook in de politiek, die voor niets nodig waren. Conflicten die gebaseerd waren op vooroordelen, rancune. Negatieve gevoelens die je zoveel mogelijk moet trachten uit te schakelen.

“À propos, dit is een boekje dat ik aan het lezen ben: Vertrouw op je gevoel: keuzes leren maken met Ignatius van Loyola (Spaanse geestelijke, oprichter van de jezuïetenorde, red.), geschreven door een jezuïet (Nikolaas Sintobin, uitgegeven bij Lannoo, 2021, red.). Op het college hebben we nooit die geestelijke oefeningen gehad. Ik kende niets van Ignatius en heb op mijn 73ste dus weer bijgeleerd.

“Hij geeft hier een lijst van negatieve gevoelens. Ga maar eens na bij jezelf. Ik zal ze voorlezen: ‘Bitterheid, droefheid, hardheid, ineenkrimpen, afkeer, koudheid, onrust, ergernis, verstoordheid, ongemak, kwelling, frustratie, angst, wantrouwen, jaloersheid, cynisme, zelfbeklag, haat, ergernis, ongeduld, leegte, verlorenheid, lauwheid, rusteloosheid, neerslachtigheid, luiheid.’ Voilà. (pauzeert)

“Dus heb ik spijt? Ja. Achteraf heb ik me dan ook vaak proberen te verzoenen. Een van mijn spectaculairste verzoeningen vind ik trouwens nog altijd die met Wilfried Martens. Een opeenstapeling van conflicten had ertoe geleid dat onze relatie ronduit slecht was. Op den duur zei hij lelijke dingen over mij op de televisie. Op een dag ben ik naar hem toe gestapt: ‘Wilfried, we gaan hier een einde aan maken.’ Bleek dat veel gebaseerd was op misverstanden, ingegeven door vooroordelen. Van beide kanten. Niet dat we toen alles op tafel hebben gegooid, maar voldoende om verder goed te kunnen samenwerken tot aan zijn dood in 2013. Ik heb zelfs op zijn begrafenis gesproken. Ik heb gesproken op de begrafenis van Martens én van Tindemans. Twee mensen die niet goed samen door één deur konden, om het voorzichtig uit te drukken. Ik ben nog altijd fier dat ik op hun beide begrafenissen heb mogen spreken. Verzoenen is moeilijk, maar het heeft me altijd voldoening gegeven. Dikwijls komt het wel te laat.”

BIO • gewezen CD&V-politicus • geboren op 31 oktober 1947 in Etterbeek (Brussel) • was voorzitter van de Europese Raad (2009-2014), premier van België (2008-2009), voorzitter van de Kamer (2007-2008) en minister van Begroting (1993-1999) • is getrouwd met Geertrui Windels en heeft vier kinderen: Peter, Laura, Elke en Thomas • zijn motto is ‘rustige vastheid’ • schrijft in zijn vrije tijd graag haiku’s

6. Wat is uw zwakte?

“Mijn zwakte is ingegeven door wat ik vertelde, die faalangst. In de Latijnse geschiedenis heb je de beroemde figuur Quintus Fabius Maximus Cunctator (280-203 v.C., red.), veldheer die het gevecht ontweek. Net als hij ben ik een risk averter, geen risk taker. Voor mij moet het veld eerst geklaard zijn, dan pas kom ik in actie.

“De kunst is natuurlijk om eerst het veld te klaren. Je hebt er die meteen het mijnenveld bestormen, dat is niet mijn natuur. Ik zal eerder aarzelen en afwachten en proberen een gaatje te vinden. Altijd proberen om tot een resultaat te komen, maar soms is de omweg lang. Is dat een zwakheid? Ik ken er die rechtdoorzee zijn en met hun kop tegen de muur lopen. Je kunt het ook bekijken als: het goede moment afwachten. Al mag het soms wel sneller gaan, dat geef ik graag toe.”

7. Welke kleine alledaagse dingen kunnen u blij maken?

“We zijn nu met drie van de negen kleinkinderen een week aan zee geweest. Ze zijn 7, 5 en 3 jaar. Als we naar het strand gaan of naar de geitenstallen gaan kijken, en zij zijn content, dat maakt mijn dag. Wat moet ik meer verwachten?

“Het geluk is een optelsom van heel veel kleine dingen. Dat heb ik van mijn vrouw geleerd. Misschien dat vrouwen dat beter inzien dan mannen. Wij denken dat het geluk bestaat uit iets groots, iets wat je verovert, realiseert. Zeker in de wereld waar ik vandaan kom. Terwijl ik heb moeten leren dat geluk eigenlijk iets is wat steen voor steen, stap voor stap komt. Op de lagere school hadden we twee handboeken van Frans, Pas à pas was deel één, deel twee was On va loin. En zo is het.”

8. Hoe was uw kindertijd?

“Ik wil een onderscheid maken tussen mijn kindertijd, tot mijn twaalfde, en mijn adolescentie. Ik ben opgegroeid in de jaren 50, in een wijk aan de rand van Brussel waar iedereen iedereen kende. Een wereld die niet meer bestaat. Wij gingen te voet of met de fiets naar school. Mijn grootmoeder woonde bij ons in. Zij kwam van het Hageland, van het rurale Vlaanderen, en was tot haar veertiende naar school geweest.

“Mijn kindertijd was heel stabiel, tot we naar Belgisch Congo verhuisd zijn, in 1958. Dat was een breuk. Plots zaten we in een andere beschaving. Het was de grote droom van mijn vader om prof te worden, en een van de manieren om in Leuven benoemd te raken was vijf jaar in Congo lesgeven. Maar al snel liep hij een virus op en belandden vier leden van ons gezin in het ziekenhuis zodat we moesten terugkeren. Gelukkig maar, want in januari ’59 zijn de eerste rellen uitgebroken, met tientallen doden. Door een speling van het lot heb ik nog altijd contact met de jongens uit het vijfde studiejaar van het Albert I-college in Leopoldstad. Die jongens die bij mij in de klas zaten, zijn allemaal moeten vluchten. We zijn dus op tijd vertrokken. Een geluk met een ongeluk.

“Maar de tijd van de dorpsschool was voorbij. Vooral aan de universiteit heb ik geen gelukkige tijd gehad. Ik had het moeilijk met mezelf. Ik vroeg me voortdurend af: wat doe ik hier? Die verlegenheid speelde mij parten, maar ondanks alles heb ik op mijn zestiende een ploegje gesticht bij de CVP-jongeren. Zo ben ik Jean-Luc Dehaene voor het eerst tegengekomen. Een paar jaar later vroeg Wilfried Martens, die toen voorzitter was, me bij het nationaal bureau van de jongeren. Na zes maanden ben ik daar weggegaan want ik voelde me daar niet thuis. (lacht) Altijd die zelftwijfel. Het had evengoed het einde van mijn loopbaan kunnen betekenen.”

9. Hebt u soms gevoelens van heimwee?

“Nee. In die zin ben ik zoals mijn vader. Laat de doden hun doden begraven. Ik kijk niet vaak terug. Ik voel wel een zachte melancholie over de dingen die voorbijgaan, dat is iets anders. In mijn boek zul je dat terugvinden, daarom heb ik het ook de titel Mijmeringen gegeven. Heimwee heb je als je terug wilt in de tijd. Ik wil niet terug. Ik sluit alles af. Ik heb geen enkele vorm van heimwee naar de politiek. Ze hebben me gevraagd om nog een functie op te nemen – ik zeg niet welke, je zou verschieten – maar nee, die periode is afgesloten. Ik ga niet herbeginnen. Mijn ijdelheid hoeft niet meer gestreeld te worden.”

10. Wat biedt u troost?

“Ik vind niet dat ik getroost moet worden. Behalve de dood van mijn ouders heb ik niets dramatisch meegemaakt.”

11. Wat was de moeilijkste periode in uw leven?

“Mijn adolescentie. Veruit.”

12. Wanneer hebt u het laatst gehuild?

“Bij de dood van mijn ouders. Mijn vader is op een zondag overleden, en begraven de zaterdag nadien. Drie dagen later is mijn moeder gestorven. Die zaterdag daarop, in één week tijd, zaten we in diezelfde kerk, met dezelfde priester en dezelfde aanwezigen, hetzelfde kerkhof, met dezelfde broodjesmaaltijd na de mis. Dat was echt surrealistisch.

“Natuurlijk is de dood van je ouders iets wat in de lijn der dingen ligt, maar het is niet omdat het in de lijn der dingen ligt, dat het je niet raakt.

“Ik zie me daar die tweede zaterdag nog zitten, bij de dood van mijn moeder. Ik heb gesproken op beide begrafenissen, op band opgenomen. Live, dat ging niet.”

‘Tijdens de lockdown heb ik toevallig de meditatie ontdekt. Ik dacht dat het niets voor mij was, maar na een tijd begon ik gewaar te worden dat ik milder werd.’ Beeld © Stefaan Temmerman
‘Tijdens de lockdown heb ik toevallig de meditatie ontdekt. Ik dacht dat het niets voor mij was, maar na een tijd begon ik gewaar te worden dat ik milder werd.’Beeld © Stefaan Temmerman

13. Bent u ooit door het lint gegaan?

“Nooit. Ik weet niet wat dat is.”

14. Hebt u ooit een religieuze ervaring gehad?

“Als je bedoelt of ik het licht heb gezien en zoals Paulus van mijn paard ben gevallen? Nee. Van mijn twaalfde tot mijn zesentwintigste speelde het geloof geen enkele rol in mijn leven. Bij de jezuïeten heb ik nooit enige vorm van dwang gevoeld. Wie niet te biecht ging, ging niet te biecht.

“Voor de generale biecht op mijn plechtige communie heb ik gezegd: ‘Ik heb een probleem, ik geloof niet.’ Toen heeft die pater de magische woorden gesproken: ‘Kom eens naar mijn kamer’ (lacht), waarop hij me een paar godsbewijzen heeft gegeven die achteraf gezien de bewijzen van Thomas van Aquino waren, de vijf wegen naar God. Een intellectuele benadering, die niets te maken heeft met wat het geloof voor mij in essentie is: een genade, een histoire d’amour. Pas na mijn zesentwintigste ben ik gaandeweg de weg naar religie en God gaan terugvinden. Wanneer precies, of wat de omstandigheden waren, kan ik niet zeggen. Het geloof is langzamerhand mij en mijn leven binnengeslopen. Nu kan ik het zelfs niet meer wegdenken.

“Geloven is niet het resultaat van een rationeel proces. Dat geldt trouwens voor elke grote beslissing in het leven. Op wie je verliefd wordt, met wie je door het leven gaat, welk beroep je kiest. Als je zegt: ‘Daar moet ik even over nadenken’, is de beslissing in feite allang genomen. Het enige wat je tracht te doen, is een rationalisatie, een alibi vinden voor je instincten.”

15. Hoe definieert u liefde?

“Liefde is de gerichtheid op de ander, de zin van het leven. Want wat kan de zin van het leven anders zijn? Het kan toch niet dat je alles doet voor je eigen eer en glorie en daarna vrolijk tussen vier planken kruipt? En hopelijk niet alleen de ander die het dichtst bij je staat, want niets is makkelijker dan te houden van mensen uit je eigen omgeving.

“Leo Tindemans (gewezen Belgische premier en CVP-leider, red.) zei me ooit: ‘Eigenlijk is ‘Eigen volk eerst’ een geniale slogan omdat hij aansluit bij de diepste gevoelens.’ De grote moeilijkheid is je open te stellen voor diegenen die niet behoren tot je clan, familie, stam of volk. Dat is in se de hoogste vorm van ethiek.”

16. Waarover bent u de laatste tijd anders gaan nadenken?

“Tijdens de lockdown heb ik door toevallige omstandigheden de meditatie ontdekt. Ik dacht dat mediteren niets voor mij was, maar na een tijd begon ik gewaar te worden dat ik milder werd, met meer empathie naar anderen keek. Mediteren is in feite het bannen van gedachten, zorgen en angsten door het herhalen van een mantra, het omgekeerde van nadenken dus. Eigenlijk is het een soort streven naar ‘egoloosheid’.

“Door te mediteren krijg je meer interne ruimte voor anderen omdat je minder met jezelf bezig bent. Ook al is het maar vijftien minuten per dag, dat zindert na. In het begin durf je daar niet goed voor uit te komen, maar hoe meer ik erover spreek, hoe meer mensen zich durven te outen en hoe meer mensen het ook weleens willen proberen.

“Ik ben 73, maar werk nog elke dag aan mezelf. Niet in de zin dat ik meer nadenk of meer kennis verwerf, maar dat ik me meer openstel voor anderen. Ik zal nog goed eindigen.” (lacht)

‘Ook al weet ik dat je geen 180 kunt worden, toch wil ik 280 worden. Ik blijf het jammer vinden dat het leven zo kort is.’ Beeld © Stefaan Temmerman
‘Ook al weet ik dat je geen 180 kunt worden, toch wil ik 280 worden. Ik blijf het jammer vinden dat het leven zo kort is.’Beeld © Stefaan Temmerman

17. Hoe voelt u zich in uw lichaam?

“Ik heb een goede gezondheid. Hoe banaal dat ook klinkt, het gebrek daaraan is pas een probleem. Maar ik denk dat je meer bedoelt dan dat. Ik ben niet preuts opgevoed. Toen in 1955 mijn jongste zus geboren werd, ik was toen 7, heeft mijn vader mij seksuele opvoeding gegeven. Ik heb aan mijn kinderen nooit seksuele opvoeding moeten geven, ze hadden dat al elders vernomen. (lacht) Op het college draaiden ze films van Ingmar Bergman en Fellini. Er kwam een vrouw spreken die een vluchthuis voor prostituees had opgericht die zich uit het beroep wilden terugtrekken.

“Die zogenaamde aseksuele bekrompenheid van de katholieken heb ik nooit gekend. We kwamen natuurlijk uit een speciale wereld. Mijn grootouders kwamen niet uit de burgerij, maar uit het landelijke Vlaanderen. Een jaar nadat mijn vader geboren is, zijn ze getrouwd. Mijn grootmoeder is bevallen van mijn moeder toen ze nog geen 17 was. Toen ik dat aan mijn schoonouders vertelde... (lacht) Ik herinner mij nog dat mijn vader voor de legalisering van prostitutie was, ‘want het gebeurt tóch’ zei hij. Mijn ouders waren wel strenger voor de meisjes dan voor de jongens.”

18. Wat vindt u erotisch?

“Daar ga ik niet op antwoorden. Daar heeft niemand zaken mee. Laat dat soort vragen maar over aan Goedele Liekens. Zij is de experte.”

19. Wat is de bijzonderste plek waar u ooit de liefde hebt bedreven?

(lacht) “Alstublieft!”

20. Hoe zou u willen sterven?

“Voor je omgeving is het altijd beter dat je afscheid kunt nemen, maar zelf zou ik liever onbewust vertrekken. En zo oud mogelijk. (lacht) In goeden doen wel. Zonder af te takelen.

“Sommigen redeneren dat de dood bij het leven hoort, maar daarom leg je je er nog niet bij neer. De dood is het omgekeerde van het leven. Ook al weet ik dat je geen 180 kunt worden, toch wil ik 280 worden. Ik blijf het jammer vinden dat het leven zo kort is.”

21. Wat is uw grootste angst?

“Angst is een huis met vele deuren. Ik heb geen angsten, maar wel faalangst, dat is iets helemaal anders.”

22. Wat zou u wensen als laatste avondmaal?

(lacht) “Ze vragen dat aan terdoodveroordeelden. Dat vind ik ongelofelijk, je neemt die biefstuk friet toch niet mee! Ik zou zeggen dat mijn laatste gedachten niet naar eten zouden gaan.

“Voor ik sterf zou ik geweldig graag een laatste keer de wind willen horen. Geen storm, maar een zachte bries. Voor mij staat de wind symbool voor het leven. Je ziet de takken bewegen, je hoort het ruisen van de bladeren. Zonder dat hij zelf beweegt, doet hij bewegen.”

null Beeld RV
Beeld RV

Herman van Rompuy, Mijmeringen, Davidsfonds, 240 p., 29,99 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234